Deze Week:

Column 419: Rotklusjes
Column 418: Pestkop
Column 417:  Jehova's


 

Week 419: Rotklusjes

 

Soms kijk je naar je huis en denk je: dat kan anders, dat moet vernieuwd worden en dat kan weg Opruimen is nooit mijn sterkste kant geweest, er belandt altijd meer op de grond dan in de prullenbak. Hierbij heb ik dus ook hulp nodig. Soms van de schoonmaakster en de zorg, maar vaak zijn mijn ouders de klos. Deze week kreeg ik een nieuwe koelkast. Hem bestellen was geen probleem, maar voor de plaatsing had ik toch echt een sterke man nodig: mijn vader. De koelkast stond vrij snel en ik dacht: dat viel mee. Totdat er opeens een schril alarm klonk, gevolgd door het daverend gevloek van mijn vader. ‘Stil! Hoe krijg ik dat ding weer stil?’ Dat zijn de momenten wanneer ik me heel lullig voel. Als ik wil helpen, maar het niet kan. Eindelijk was de koelkast stil en vertrok papa met een rood hoofd. Ik voelde me schuldig, iets wat de schoonmaker die binnenkwam, direct opviel. Na een korte uitleg lachte ze. ‘Maak je niet druk. Ik help mijn volwassenkinderen ook met zulke rotklusjes en zij zijn niet beperkt. Zoiets hoort bij een ouder zijn, we doen het uit liefde.’ Niet veel later ging de telefoon. Mijn vader: ‘Sorry dat ik narrig wegging, schat. Maar hij staat! Doet hij het goed?’ Ik: ‘Ja. Sorry voor al dat gedoe.’ Hij: ‘Ach, hoort erbij. We zien elkaar snel. Dag!’ Voordat ik nog iets kon zeggen, had hij de verbinding verbroken. Ik glimlachte. ‘Bedankt voor je hulp, pap.’

 

Week 418: Pestkop

 

Ik woon alweer bijna drie jaar in Heerhugowaard. Drie jaar waarin ik veel ben gegroeid en geleerd heb. Ik weet nu dat ik het fijn vind om in een flat te wonen. Veel mensen ergeren zich aan de kleine geluidjes die bij een flat horen: het dichtslaan van een deur, zachte voetstappen en af en toe gezang van de buurman. Ik vind die geluiden juist prettig, het bewijst dat er geleefd wordt en dat je niet alleen bent. Natuurlijk verloopt niet alles altijd even soepel: ik heb flinke discussies gehad met mijn buurvrouw, maar ik kan nog steeds bij haar terecht voor een kopje suiker. Ja, ik ben gelukkig, ik geniet van de vrijheid die Heerhugowaard mij te bieden heeft. ik rij zelf naar mijn werk en de bioscoop en zelfs het theater is binnen handbereik. Toch mis ik Schoorl nog steeds. Iedereen kende me en mocht me, ik kon weinig fout doen. Maar dat was voordat ik de Boze Buurman ontmoette. Zijn klacht: Bindi’s poep. Zijn wens is dat ik een kurk in haar kont stop en dat maakt hij mij schreeuwend en wijzend duidelijk. Papa is woest, het liefst zou hij naar de Boze Buurman toe gaan om hem terecht te wijzen, maar dat heb ik hem verboden. Deze man is een pestkop: schreeuwen en wijzen, meer doet hij niet. Geef je een pestkop geen aandacht, dan houdt hij vanzelf op. Ik heb het hier naar mijn zin en laat me niet wegjagen. Zeker niet door deze vent. 

 

Week 417: Jehova’s

 

Het geloof, ik vind het iets moois. Niet bang zijn voor de dood, omdat je weet dat daarna een nieuw hoofdstuk begint. Toch heeft het een keerzijde: opdringerigheid en haat. “Als jij niet gelooft wat ik geloof, kijk ik jou nooit meer aan.” Oorlog vanwege religie, idioot! Ik kan daar heel kwaad om worden, ook al heb ik daar weinig mee te maken. Waar ik wel mee te maken heb, is de opdringerigheid. Ik heb het over de Jehova’s en andere mensen die iedereen willen bekeren. Ik krijg de kriebels van die lui. Geloof wat je wilt geloven, maar val mij er niet mee lastig. Het begon met een vriendin van mijn vader, ze zei dat ik niet kon lopen omdat ik van God mocht uitrusten. Pardon?? Nou, ik ben uitgerust hoor! Tegenwoordig heb ik vooral met Jehova’s te maken. Ik doe spontaan voor ze open, omdat ik denk dat iemand van de zorg heeft aangebeld. Meestal krijg ik ze snel weer weg en luisteren ze niet naar mij, dan wel naar een grom van Bindi. Nee, Jehova’s hebben het niet zo op honden. Maar ze worden slimmer: ik ben er eentje tegengekomen die zich vermomd had als vuilnisprikker. Hij bleef maar hakkelen hoe het met me ging en of ik gelukkig was en nog had ik niets door. Totdat de Bijbel tevoorschijn kwam, toen ben weggereden. Het is herfst, de Jehova’s schieten als paddenstoelen uit de grond. Kijk uit nederige boodschappers, straks rijdt deze kwetsbare gehandicapte over jullie tenen.

 

Week 416: Luier

 

Woorden zijn machtig en ze lijken steeds machtiger te worden. Of de mensheid wordt gevoeliger, ik weet het niet. Sommige woorden raken de ene mens harder dan de ander. Zwarte Piet, bijvoorbeeld. Voor sommigen staat hij symbool voor de slavernij, terwijl hij voor kinderen bekendstaat als een vrolijke vriend. We mogen geen negerzoen meer zeggen, maar moorkop en jodenkoek wordt wel gedoogd. Hier wordt een ander woord gemeden: luier. Omdat de toiletgang voor mij een gedoe is, draag ik ze iedere dag. Ik schaam me er niet voor.  Ik ben niet incontinent, voor mij heeft het een praktische reden. Veel mensen met een beperking gebruiken ze, maar lopen daar niet mee te koop. Ik heb een klasgenoot zien huilen toen er eentje uit zijn tas viel, bang dat hij gepest zou worden. ‘Niet huilen, dat je een luier draagt, betekent toch niet dat je een baby bent?’ Ik sta nog steeds achter die uitspraak en was verbaasd toen ik hoorde dat het woord luier in mijn flat taboe is. Hier wordt het incontinentiemateriaal genoemd, oftewel: een inco. Ik snap het, maar blijf het in huis gewoon een luier noemen. Soms word ik nog op de vingers getikt: dat mag ik niet zeggen, dat is kleinerend! Waarom? In mijn huis zeg ik wat ik wil en ik heb geen problemen met het woord luier. Woorden hebben alleen macht als wij hen die geven. Laat iedereen in zijn waarden, dan is de wereld een stuk mooier en kan ik luier blijven zeggen.

 

Week 415: Plasbroek

 

Ik zie vaak beren in het bos, ook als die er niet zijn. Toen ik bij stichting Dionne aankwam, wilde ik maar een ding: niet gehandicapt overkomen. Dat betekende: niet spastisch worden. Maar hoe meer je iets niet wil, hoe erger het wordt. Bij binnenkomst, ramde ik bijna een bureau in de buik van Emmy, mijn baas. Ze keek mij vragend aan. ‘Gaat het? Kan ik je ergens mee helpen?’ ‘Nee hoor,’ zei ik, en liet spontaan iets vallen. Gelukkig kwam Bindi snel in actie. Ik zuchtte en sprak mezelf in stilte toe: oké., de chauffeur was jou vergeten op te halen, je hebt je baas een blauwe plek bezorgd, maar relax. Dat lukte zodra ik mijn laptop voor me had. Schrijven kan ik, schrijven geeft mij zelfvertrouwen. Ik werkte mijn klusjeslijst glimlachend af. Dat zag Emmy. ‘Hoe bevalt je eerste dag? Nog zenuwen?’ ‘Niet meer,’ zei ik. ‘Goddank heb ik geen plasbroek.’ ‘Een wat?’ ‘Een plasbroek. Incontinentiemateriaal vangt mijn urine op, maar dat stroomt door de zenuwen nog wel eens over.’ We schoten allebei in de lach. ‘Zenuwen zijn onnodig,’ grinnikte ze. ‘Je schrijft met humor en eerlijkheid, daarom heb ik je aangenomen. Wees gewoon jezelf en vraag om hulp wanneer het nodig is, dat doen we allemaal.’ Ik vertrok met een grijns op mijn gezicht in een bus die op tijd kwam en met een droge broek aan. Glimlachend denkend aan de woorden van vriendlief. ‘Jij met je beren in het bos, het zijn vast hele lieve troetelbeertjes.’

 

Week 414: Fiasco

 

Werk hebben is belangrijk, niet alleen voor het brood op de plank, maar ook voor je gevoel van eigenwaarde. Tegenwoordig zit mijn weekschema stampvol met schrijven, dansen en administratief werk Binnenkort komt daar iets bij, mijn werk bij stichting Dionne gaat officieel beginnen! Stichting Dionne helpt ouders met beperkte kinderen met kleine klusjes waar zij niet aan toe komen. Ik ben bloednerveus, want ik ben de enige vrijwilliger met een beperking. Dit wordt de eerste keer in jaren dat ik me buiten mijn wereldje vol aanpassingen waag. Mijn eerdere pogingen waren geen groot succes. Poging 1 was op een kinderdagverblijf, tijdens mijn snuffelstage. Iedereen was vriendelijk, maar een grote rolstoel tussen alle ukkies was niet handig. Modder aan mijn banden betekende direct een ritje naar huis. Het tweede fiasco was bij… de Duinstreek. Ik neem het niemand kwalijk, de timing was verkeerd, de druk te hoog en het gebouw niet rolstoelvriendelijk. Bij vertrek heb ik een traantje weggepinkt, uit pure frustratie. Met mijn hoofd kan ik prima meekomen met de rest van de maatschappij, het is de rest van mijn lijf dat tegenwerkt. Daarom ben ik nerveus voor deze nieuwe uitdaging, bang voor een volgend fiasco. Maar bij stichting Dionne weten ze waar ze aan beginnen, ze hebben hun gebouw zelfs aangepast zodat ik erin kan. Hun enthousiasme en welwillendheid is geruststellend. Zij hebben er zin in en ik ook. Het is weer tijd voor een nieuw avontuur. En zeg nou zelf, wat is een avontuur zonder een beetje spanning?

 

Week 413: Assepoester

 

Als kind had ik spalken aan om te voorkomen dat mijn voeten scheef zouden groeien. Daar overheen droeg ik jongensschoenen. want dat waren de enigen die over de spalken heen pasten. Lelijk waren ze niet, maar niet mijn eerste keus. Wat was ik blij toen de arts zei dat het spalkentijdperk achter me lag, eindelijk kon ik de schoenen kopen die ik wilde! Dacht ik. Eenmaal in een schoenenzaak, ontdekte ik hoe gevoelig mijn voeten waren. Logisch, want ik heb er nooit op gestaan. Op mijn voeten is geen spoortje eelt te vinden. Het nadeel daarvan is dat ze niets kunnen verdragen. Hoe dun en simpel het voetbed ook is, ik krijg er drukplekken van. Daar kwam mijn moeder snel achter. Na zes paar schoenen voor mij te hebben gekocht, gaf ze het op. Sindsdien droeg ik sloffen die ik hardnekkig schoenen bleef noemen. Tijdens een hittegolf besloot ik om nog een poging te wagen. De eerste winkel was geen succes, maar in de tweede schoot een verkoopster mij te hulp. Kleine voeten met een hoge wreef: geen ideale combinatie. Er kwam een tweede verkoopster en nog een derde. Iedere nee maakte mij onzekerder, maar zij vonden het een leuke uitdaging. ‘Ik heb een idee!,’ riep er een. Ze pakte twee grijze schoenen. ‘Deze zijn soepel en hebben geen voetbed.’ Zodra ik ze aanhad, was ik verkocht.  ‘Ze zitten lekker, hè? Oh, wat leuk!’ Hun enthousiasme was aanstekelijk en ik verliet de winkel glunderend. Assepoester heeft eindelijk haar muiltjes gevonden.

 

Week 412: Broer

 

De scholen zijn begonnen. Pap staat weer voor de klas en mijn broer Jona is nu officieel een brugklasser. Wat gaat de tijd toch snel! Ik herinner me nog dat ik in de klas zat, nerveus wachtend op het telefoontje dat mijn moeder was bevallen. Ik was toen 14. Een broertje, dat vooruitzicht vond ik geweldig! Ik zou hem voorlezen en we zouden een ijzersterke band krijgen. Dat… liep anders. 14 jaar leeftijdsverschil is heel wat, daar had ik geen rekening mee gehouden. We leven allebei een ander leven, in een andere levensfase. In het begin baalde ik daar erg van. Had hij überhaupt door dat ik zijn zus was? Ja, die bevestiging kreeg ik toen hij met een vriendje speelde en zei: ‘Mijn zus heeft een grote mensen-boek geschreven en die kun je in de winkels kopen. Knap hè?’ En na zijn ontmoeting met Bindi, zei hij: ‘Ik vind Bindi een beetje eng, maar als Robin blij is, ben ik dat ook.’ Jona is geen ukkie meer, maar een lange gozer die rustig zijn eigen pad bewandelt. Onze gesprekken zijn kort en bondig (Ik: En, hoe bevalt school? Hij: Jah, goed) en sluit ik altijd met een gniffel af. Stiekem ben ik een hele trotse grote zus. Onze paden kruisen zich vanzelf wel. Nog even en ik kan hem niet meer mijn ‘broertje’ noemen. Lieve Jona, welkom in het leven van een brugklasser. Mocht je mijn hulp nodig hebben, je weet me te vinden. Heel erg veel succes, broer.

 

Week 411: Veertje

 

Ik ga niet liegen: dit is niet mijn jaar wat mijn schrijfsels betreft. Een paar maanden geleden zag ik mijn idee in boekvorm in de winkels liggen en weken later gebeurde dat opnieuw. Beiden met een andere auteursnaam op de kaft. Zoiets is niet goed voor je zelfvertrouwen. Tegenwoordig denk ik bij alles wat ik schrijf: zal dit verhaal een dubbelganger hebben? Op zo’n moment is een teken van boven erg welkom. Dat heb ik een keer eerder meegemaakt, in de vorm van een vogel. Ik schreef Zusters van de Zee en was nog opzoek naar een naam voor de bad guy. Ik keek op van mijn werk en zag een ekster brutaal naar me kijken. De Ekster was geboren. Nu, drie jaar later, zat ik achter mijn laptop en twijfelde over ieder woord dat op papier vloeide. Bindi lag buiten op mijn terras en keek toe. Ik zuchtte. ‘Ik weet het niet, Bindi. Ik ben onzeker over alles wat ik schrijf. Nog even en ik durf geen pen meer aan te raken! Hoe weet ik of ik nu wel op de goede weg ben?’ Het antwoord kwam in de vorm van een veer, die naar beneden dwarrelde en tussen Bindi’s voorpoten bleef liggen. Ik heb iets met vogels: het zijn boodschappers die hun vrijheid omarmen. Ik keek naar boven en glimlachte. Een veer is geen garantie voor succes, maar het geeft mij wel het vertrouwen om door te gaan. Wie weet, misschien wordt 2017 het jaar van boek drie.

 

Week 410: Schoonfamilie

 

Heb je een partner, dan krijg je de schoonfamilie er gratis bij. Voor Sintjin was het makkelijk: hij kende mijn vader al, omdat hij stage bij hem liep. Mijn band met zijn ouders was… anders. Als ze hun zoon kwamen ophalen, wisten ze niet hoe snel ze weer weg moesten komen. Dat maakte mij onzeker. Wilden ze me niet leren kennen? Vonden ze me stom? Sintjin haalde zijn schouders op. Ik moest me niet druk maken, vond hij. Zijn ouders interesseerden zich niet zo voor zijn liefdesleven. De omslag kwam twee jaar geleden, toen zijn opa overleed. Plotsklaps stond ik op het overlijdensbericht vermeld als Sintjins partner. We snapten er beiden niets van. Ik kon niet bij het afscheid zijn, dus stuurde ik zijn oma mijn medeleven. Sindsdien hoor ik bij de familie en is zijn oma gek op me. Ze staat erop dat ik haar oma noem. Deze week was ik uitgenodigd voor hun familiebarbecue en bleef ze maar eten voor ons halen. Toen ik Sintjin een kus gaf, zuchtte ze: ‘Jullie zijn zóó gelukkig samen en dat maakt mij gelukkig.’ Even later kreeg ik een knuffel van zijn nicht. ‘Hij had jou niet zolang verborgen moeten houden!’ Sintjins verwarde blik vertelde mij genoeg. ‘Ik weet niet waarom het jaren duurde voordat ze je opmerkte,’ zei hij op de terugweg, ‘maar nu dat wel zo is, kom je lastig onder dit soort feestjes uit. Vind je dat erg?’ Ik lachte. ‘Zolang jij bij me bent, kan ik alles aan.’

 

Week 409: Klassiek

 

Klassieke muziek, ik ben ermee opgegroeid. Papa vond dat bij mijn opvoeding horen en zette het daarom dikwijls op. Dat vond ik niet fijn, want ik werd er vaak verdrietig van. Toch ben ik het na verloop van tijd gaan waarderen. Toen op school werd gevraagd om muziek mee te nemen dat je raakte, koos ik voor het Matthäuspassion van Bach. Zodra Erbarme Dich door het lokaal klonk, lachten mijn klasgenoten mij uit. Leuk was dat niet, maar het heeft mijn interesse in klassieke muziek nooit beïnvloed, ik luister er nog steeds graag naar. Afgelopen week zijn mijn vader en ik zelfs naar een klassiek concert geweest in een kapel. De kapel liet mij wel even slikken. Hoe mooi religieuze gebouwen ook zijn, ik verbind ze altijd met de dood. Nadat ik mezelf tussen de banken had geperst, constateerde ik dat ik een van de jongste bezoekers was en grinnikte. Toen de pianiste begon te spelen, herinnerde ik me waarom ik klassieke muziek vroeger niet leuk vond. Het kan je soms zo raken, omdat er vaak geen woorden zijn waarachter jij je kunt verschuilen. Klassieke muziek kan je laten lachen, maar ook huilen. Het brengt soms herinneringen naar boven waar je liever niet aan denkt. Jong, oud, dik dun: iedereen interpreteert de klanken van een piano op zijn eigen manier en dat maakt deze muziek bijzonder. ik verliet de kapel met een glimlach en zonder gevoel van ongemakkelijk. Klassieke muziek is universeel en voor iedereen toegankelijk als je ervoor openstaat.

 

Week 408: 2.0

 

Er wordt tegenwoordig van veel films een remake gemaakt, waarvan de Grote Vriendelijke Reus de nieuwste is. Helaas valt die niet zo goed in de smaak: te traag en te zoet zijn twee van de velen kritieken. Maar de GVR is een van mijn favoriete kinderboeken, dus ik moest de film zien. In de bioscoop in Heerhugowaard draaide hij niet meer in een rolstoeltoegankelijke zaal, dus reisden vriendlief en ik af naar de nieuwste bios in Alkmaar. Eenmaal daar, botsten we tegen enorme trappen op. Waar was de rolstoelingang? Die… was er niet. Om binnen te kunnen komen, moesten we door de garage van de bioscoop en daarna met een lift omhoog. In de garage kreeg ik een paniekaanval. De enige manier om bij de lift te komen, was over een smalle richel. Ik: ‘Ik ga dit echt niet doen!’ Sintjin: ‘Je zal wel moeten. Niet bang zijn, ik ben bij je.’ Met het zweet tussen mijn billen bereikten we de bioscoop. ‘Nu hopen dat de film dat gedoe waard was,’ gromde ik, ‘want dit doe ik nóóit meer!’ De GVR was het zeker waard: ik heb van iedere minuut genoten. Ik wel, de mensen die achter ons zaten niet. Op iedere scène hadden ze wel iets aan te merken. Toegegeven, de film is softer dan het boek en de tekenfilm uit de jaren 90. Is hij daarom slecht? Ik vind van niet. Soms valt de 2.0-versie nou eenmaal tegen. Dat geldt voor films, nieuwbouw en helaas ook voor bioscopen.

 

Week 407: Liefhebben

 

We doen tegenwoordig alles online: shoppen, bankieren en daten. Mijn beste vriendin Ayesha is al jaren single, maar ze wil dat gaan veranderen. Toen ik haar vroeg of ze al een leuke vent op het oog had, vertelde ze dat ze zich had ingeschreven op een datingsite voor mensen met een beperking. ‘Wil je helpen met het updaten van mijn profiel? Jij bent beter met het geschreven woord dan ik.’ Dat weekend spendeerden we gniffelend achter mijn laptop, haar persoonlijkheid en wensen beschrijvend. Terwijl ik haar hielp, bedacht ik me hoe stoer ik Ayesha vond. Afspreken met iemand van een datingsite, ik zou het niet durven. Ik prijs mezelf gelukkig met zo’n lieve vriend als Sintjin, want een partner vinden als je beperkt bent, is niet makkelijk. Wat dat betreft biedt het internet uitkomst. Niet alleen voor een date, maar ook voor intiemere dingen. Een collega vertelde dat ze een erotisch masseur voor zichzelf had geregeld omdat ze weer eens intimiteit wilde ervaren. Vanaf dat moment werd ze scheef aangekeken. Ik snap niet goed waarom, liefde en intimiteit horen bij het leven, iedereen heeft daar behoefde aan. De weg ernaartoe is niet voor iedereen even goed begaanbaar, dus wat is er mis met een alternatieve route? Mijn collega blaakt nu van het zelfvertrouwen heeft een leuke vriend gevonden. Liefde vinden kost soms tijd, jezelf openstellen kost moeite, maar het levert mooie dingen op. Gehandicapt of niet, we willen allemaal hetzelfde: genieten en liefhebben. Veel plezier op je eerste date, Ayesha!

 

Week 406: Meesterdief

 

Ik schrijf de laatste tijd minder. Ik zou kunnen zeggen dat ik het druk heb of dat het door de warmte komt, maar dat is niet waar. Ik ben een meesterdief, dat is de reden. Een meesterdief zijn is niet erg, iedere schrijver is er een. Er zijn zoveel verhalen verteld en geschreven, dat iedere auteur delen van andere verhalen naar zijn eigen hand zet. Dat is geen misdaad, zolang verhalen geen regelrechte kopieën van elkaar worden. Maar soms hangt er een idee in de lucht dat meerdere mensen oppikken. Dat overkwam mij op mijn dertiende. Ik bedacht een verhaal over een vampier die verliefd werd op een meisje. Een halfjaar later kwam Twilight uit. Ik was stomverbaasd en kwaad. Stephenie Meyer had mijn idee ingepikt! Inmiddels kan ik er om lachen, ik wist zeker dat mij dat niet nog eens zou overkomen. Tot drie maanden geleden. Ik was bezig aan een nieuw schrijfproject: een drakenjongen die verliefd wordt op een mensenmeisje, een prinses. Die invalshoek leek me origineel en ik was dolblij. Totdat ik op bol.com een boek tegenkwam met een akelig bekende verhaallijn: een drakenmeisje die verliefd wordt op een mensenjongen… Mijn hart brak. Al mijn werk, voor niets. Alles aanpassen heeft geen zin, dan verliest het verhaal zijn essentie en dan nog zijn de overeenkomsten te groot. Ik heb mijn drakenjongen losgelaten, maar mijn zelfvertrouwen nog niet terug. Deze meesterdief sluipt door de nacht, op zoek naar nieuwe verhalen en mijn zelfvertrouwen. Hopelijk vind ik ze snel.

 

Week 405: HP-gek

 

Terwijl de hele wereld achter Pokémons aanjaagt, blaast een klein groepje mensen een oude hype nieuw leven in: Harry Potter. Ik ben al jaren van plan om de serie opnieuw te gaan lezen, maar het is er nooit van gekomen. Vorige maand werd er echter een nieuwe groep opgericht op Facebook, genaamd: Harry Potter (Re)Read. De uitdaging is simpel: iedere maand een Harry Potter-boek lezen en er dan samen over praten. Ik werd direct lid, samen met nog 106 anderen. Terwijl ik langs de vele berichten en foto’s scrolde, werd de fan in mij wakker geschud. Ik ben dus niet de enige voor wie Harry nog steeds springlevend is! Ik vind het geweldig om over mijn held te discussiëren, die kans heb ik tien jaar terug niet gehad. Ja, er waren toen nog veel meer fans, maar ik was de enige HP-gek op school. Ik herinner me dat ik de meester vroeg om een hoofdstuk voor te lezen, in de hoop dat mijn klasgenoten Harry net zo leuk zouden vinden als ik. Niet dus, de ene helft staarde wezenloos voor zich uit en de andere… viel in slaap. Nu bevind ik me eindelijk tussen mensen die mijn fascinatie begrijpen. Velen lezen sneller dan ik en stellen vragen over het boek waar ik nooit aan gedacht had. I love it! Misschien zijn we een beetje gek, maar wij lopen tenminste niet als zombies over straat, zoekend naar animatiebeestjes. Lezen is wat dat betreft een stuk veiliger, al zeg ik het zelf.   

  

Week 404: Mensengedoe

 

Bindi en ik zijn al jaren een team, toch verrast haar scherpzinnigheid mij nog steeds. Voordat ik Schoorl verliet, viel Bindi kilo’s af. De hulphond-instructeur vroeg voorzichtig of ik eetproblemen had. Een zusje van Bindi was ook broodmager en uiteindelijk bleek dat te komen doordat haar baas een eetstoornis had. De oorzaak bij Bin bleek stress te zijn, zodra ik op mezelf woonde werd ze weer de oude. Sinds ik weet hoe stressgevoelig ze is, hou ik daar rekening mee. Als er iets rottigs gebeurt, loop ik een rondje extra met haar en laat haar dollen in het park, zodat ze haar zorgen van zich af kan gooien. Soms speel ik toneel, in de hoop dat ze mijn somberheid niet opmerkt. Zoals de afgelopen week, toen vriendlief en ik in niet zulk makkelijk vaarwater zaten. Ik was down, maar hield een vrolijk masker op. Toch hield Bindi afstand, ze kwam alleen als ik haar iets vroeg. Ik snapte er niets van. Totdat ik Sintjin vrijdag belde. De woorden “Ik trek dit niet” waren mijn mond nog niet uit of Bindi stond naast me. Er volgde een lang gesprek, waarbij Bindi mijn gezichtsuitdrukkingen scherp in de gaten hielden. De woorden “het spijt me” waren voor haar het teken dat ze kon gaan liggen. Ze zuchtte diep. Ik grinnikte. ‘Bindi voelt dat de lucht geklaard is, denk ik. Even later hing ik opgelucht op. Bindi’s staart ging twee keer heen en weer alsof ze zeggen wilde: mensengedoe, ik zal het nooit begrijpen.

  

Week 403: Kinderen

 

Het leven bestaat uit verschillende fases. Ik merk dat mijn leeftijdgenoten beginnen te settelen, huizen kopen en kinderen krijgen. Kinderen, Sintjin en ik hebben dat onderwerp al eens aangesneden. Hij zou het wel leuk vinden, mocht hij ooit vader worden. Zelf weet ik het nog niet. Ik ben geen grote kindervriend, ik word al zenuwachtig als ze huilen en ik hou niet van dreiners. Misschien komt het door de manier hoe sommige kids mij aanstaren als ik langsrijd. Dat verbetert hun reputatie in mijn ogen niet. En dan is er het medische aspect: de kans dat ik op de natuurlijke manier zwanger kan worden is nihil en zelfs als dat lukt, betwijfel ik of het kind of ik daar blij van zal worden. Ik heb sterk mijn twijfels of mijn lijf een zwangerschap wel aankan. Daarom heb ik die optie voor mezelf afgesloten. Sintjin zegt dat er meer manieren zijn. Dat klopt, maar dan nog… Als we kinderen zouden krijgen, zou ik praktisch gezien niet veel bij kunnen dragen. Bovendien zou zij/hij op bepaalde vlakken sneller moeten opgroeien dan zijn leeftijdsgenootjes. Wil ik dat? Misschien loop ik te ver op de zaken vooruit. Ik ben nog jong, Sintjin en ik wonen nog niet eens samen. De toekomst staat niet vast, er kan van alles gebeuren. Dat maakt het leven ook zo mooi. Als ik doorsla in mijn gedachten over de toekomst, denk ik aan de beroemde woorden van mijn vader: komt goed, alles vindt uiteindelijk zijn weg wel. Carpe Diem. 

 

Week 402: Kleurmeisje

 

Ik ben een creatief persoon. Met mijn hoofd, niet met mijn handen. Sterker nog, ik had vroeger een bloedhekel aan knutselen. Sommige knutselwerkjes kostte mij veel moeite en mijn werktempo was laag. Het gebeurde dikwijls dat de juf het halverwege van me overnam, omdat ik anders niet meekwam met de rest van de klas. Vreselijk vond ik dat… Na de basisschool hoopte ik van het geknutsel af te zijn, maar toen maakte ik kennis met een nieuw vak: techniek. Dat was knutselen met hamers en spijkers. Maar die werden mij niet toevertrouwd. Stel dat ik door mijn spasme per ongeluk een spijker in mijn hand zou meppen! Dat durfde Koos en Ron niet aan, dus doopte ze me om tot het Schuurmeisje. Zij maakten al mijn projecten af, terwijl ik ieder stuk hout glad schuurde. Leuk, maar na verloop van tijd erg geestdodend. Kleuren behoorde ook tot mijn creatieve moetjes: het leek de ergotherapeut Grea een goede manier om mijn fijne motoriek te verbeteren. Maar goed was ik er niet in en als iets moet, is het al snel minder leuk. Tegenwoordig is kleuren helemaal in, vooral bij volwassenen. Ik wist zeker dat die trend niets voor mij was, totdat ik de Harry Potter-kleurboeken in de winkel zag liggen. Nu ben ik ook aan het kleuren geslagen en ik moet zeggen: ik vind het leuk! Het werkt ontspannend en verdrijft een writersblock. Ondertussen kan ik concluderen dat mijn fijne motoriek een stuk is verbetert, Grea zou trots op me zijn.

 

Week 401: Hulplijn

 

Angst maakt ons alert, het zorgt ervoor dat we vluchten in gevaarlijke situaties. Maar angst kan ook verlammen: je brein bevriest en logica verdwijnt. Ik kan er niet tegen om niet weg te kunnen. Dat begon toen ik na mijn rugoperatie opeens met helse pijn in bed lag. Alleen en bang. Sindsdien heb ik steevast meerdere hulplijnen bij me: het alarm om mijn nek en mijn telefoon binnen handbereik. Maar de angst verdwijnt nooit helemaal. Er kan altijd iets misgaan. Ik heb Hulphond Nederland zelfs gevraagd om een hond die blaft als ik in nood ben. Dat kon niet, ze waren bang dat de hond dan zou doorslaan in zijn geblaf. Niet lang daarna kreeg ik Bindi. Zij voelde mijn angst en bleef daarom steeds in de buurt als ik in bed lag. Tegenwoordig ligt ze aan mijn voeteneind, op mijn voeten. Ik vind het fijn om haar zo dichtbij mij te voelen. Niet alles wat Bindi voor mij doet is haar aangeleerd, soms volgt ze gewoon haar instinct. Zoals toen de zorg was vergeten om mij mijn hulplijnen te geven. Geen alarm, geen telefoon. Ik zag ze liggen, maar kon er niet bij en Bindi evenmin. De enige hulplijn was het noodkoord boven Bindi’s mand. Maar we hadden daar zelden mee geoefend, bovendien zorgde de opkomende paniek ervoor dat ik niet helder meer was. Bindi wel. Ze volgde mijn wijsvinger en trok aan het koord. Hulp was onderweg. Dankzij haar. Een mens kan mij niet altijd helpen, Bindi wel.

 

Week 400: 400

 

400, zoveel columns heb ik inmiddels op mijn naam staan. ‘Als je 25 columns hebt, gaan we eens kijken of een uitgever er iets mee kan.’ Ik hoor het Rob Bloemkolk nog zeggen. Vanaf dat moment kreeg iedere column een nummer. Nu nog steeds, hoewel het eigenlijk geen functie meer heeft. Ik vind het leuk om te weten dat ik zo’n 200 weken geleden voor het eerst naar Nieuwe Niedorp ben geweest en dat Zusters van de Zee in week 321 uitkwam. Op mijn website hebben al die columns een behoorlijk gedetailleerde tijdslijn gecreëerd. Ik ben trots op mezelf als ik lees wat ik allemaal bereikt heb. Columns vol lessen, vooral dat het schrijversvak niet makkelijk is. Jullie hebben gelezen hoe mijn eerste roman is afgewezen. Ik was boos, verdrietig, wist zeker dat ik voorlopig niet meer zou schrijven. En toch heb ik een week later mijn pen weer opgepakt en is alles goed gekomen. Toch maakt datzelfde overzicht mij soms onzeker. Krijg ik ooit nog een idee zo origineel als Zusters van de Zee? Steeds als ik denk “Dit is het!” gooit iets weer roet in het eten. Een schrijfster die precies hetzelfde idee had, bijvoorbeeld. Is dat een reden om op te geven? Nooit. Dus schrijf ik rustig door en denk terug aan de wijze woorden van mijn stagebegeleider: in alles wat je ziet, ruikt en voelt zit een verhaal verscholen. Ik kijk uit naar wat de volgende honderd weken mij zullen brengen. Op naar mijn 500ste column!

 

Week 399: Donor

 

Bent u al donor? Ik niet. Ik ben een positief mens, ik heb mijn handicap geaccepteerd en neem het leven zoals het is. Maar dat betekent niet ik de situatie altijd eerlijk vind of vind dat ik een goed lichaam heb. Integendeel, verbrandt het als ik dood ben en strooi de as in zee. Ik wil dat er niets van overblijft. En dat is gelijk hetgeen waar ik me schuldig over voel. Mijn longen, mijn hart, mijn nieren: het zijn onderdelen die een ander goed kan gebruiken als ik er niet meer ben. Ik red iemands leven en een stukje van mij leeft voort in een ander lichaam. Het is een mooi idee en toch heb ik mezelf niet als donor geregistreerd. Zodra ik dat wil doen, begint iedere vezel van mijn lichaam te protesteren. Het is een stukje wrok, wrok dat iemand door mijn orgaan een goed functionerend lichaam krijgt, terwijl ik dat zelf nooit heb gehad. Ik vind het vreselijk dat ik zo denk, maar ik kan er niets aan doen. Als ik een stukje van mezelf aan een ander geef, ook al ben ik dood, dan moet ik daar wel achter staan. Gelukkig begint een medisch programma mijn kijk te veranderen. In dat programma wordt de doodsoorzaak van mensen onderzocht en worden lichamen ontleed. Luguber, maar het leert mij om het emotionele los te laten en organen als praktische onderdelen te zien. Nee, ik ben geen donor, maar misschien verander ik nog van gedachten. Ik hoop het.

 

Week 398: Onbenul

 

Geen mens is hetzelfde, net zoals geen enkele beperking hetzelfde is. Ik kan me de dag dat ik Luca’s appartement ging bekijken nog goed herinneren. Ik reed achter haar vrolijk brabbelende flatgenoten aan toen er een vrouw op mij af kwam. ‘Fijn hè, dat je een mooi huis krijgt?’ ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘mijn zus gaat hier wonen, ik niet.’ Dat begreep ze niet. ‘Maar… jij bent toch net zoals zij?’ Ik schudde mijn hoofd en reed door. De conclusie van de vrouw was logisch: Reigersdaal staat bekend om mensen met een meervoudige beperking. Maar tijden veranderen: niet iedere cliënt past meer in dat hokje en Reigersdaal doet zijn best om mee te gaan in de wereld van de social media. Ze hebben een versimpelde Facebook geïntroduceerd. Een versie die de cliëntenraad en ik mochten uitproberen. We moesten een enquête invullen, beginnend met de vraag: maak je wel eens gebruik van de computer? Zo ja, waarvoor? ‘Ik werk voornamelijk op mijn laptop,’ zei ik, ‘maar die optie staat er niet tussen.’ ‘Werk jij?,’ vroeg de webdesigner verbaasd. ‘Zij wel. Jammer genoeg mag ik niet meer op de computer sinds ik de CIA gehackt heb,’ reageerde mijn buurman voordat ik boos kon worden. ‘En ik ben bang voor computers,’ pruilde onze voorzitster. Eén knipoog was genoeg om mij in hun gekheid mee te krijgen. Die middag leerde ik een belangrijke les: misschien moet ik stoppen met mezelf te willen bewijzen en de onbenul spelen. Kost minder energie en is bovendien veel leuker!

 

Week 397: Dubbelrol

 

Stijldansen is een mooie vorm van samenwerking: de man ondersteunt de vrouw en de vrouw ondersteunt de man. Ik heb door mijn beperking dagelijks ondersteuning nodig van de zorg. Sintjin wil wel bepaalde zorghandelingen leren, maar ik wil dat niet. Ik weet hoe dun de lijn tussen vriend en verzorgende is. Sintjin is mijn partner, ik wil onze relatie niet beïnvloeden door hem een dubbelrol te laten spelen. Dat hebben mijn vader en moeder jarenlang gedaan. Zij waren mijn ouders en mijn verzorgers. Hoewel ik weet dat ze mij met liefde hielpen, heeft dat onze relatie het laatste jaar dat ik nog thuis woonde wel onder druk gezet. Maar regen veranderde mijn voornemen. Rolstoel stuk en mijn hoog-laagbed weigerde dienst. Alleen kreeg de verzorgster mij er niet goed in en haar collega was bezig, dus… ‘Sintjin, help even.’ Sintjin stond op en hielp, alsof hij dat altijd al deed. Hij heeft nooit fysiek meegeholpen, maar hij heeft de handelingen vaak genoeg gezien. ‘Zie je, zo erg is het toch niet?,’ zei hij toen hij naast mij in bed kroop. ‘Ik wil graag helpen en bedenk wat we allemaal kunnen doen als we niet steeds op de zorg hoeven te wachten.’ Hij heeft gelijk, dat besefte ik nog meer toen ik dit weekend een dansdemonstratie had en Sintjin Bindi voor mij zoet hield. Terwijl ik rondjes draaide, zag ik hen langs flitsen en glimlachte. Misschien wordt het inderdaad tijd dat ik mijn regels versoepel en kijk waar onze wals ons leidt.

 

Week 396: Afdansen

 

De zomer is in aantocht. Kinderen oefenen voor de schoolmusical. Schooloptredens gingen mij nooit zo goed af. Huilbuien, kotsaanvallen nog voordat ik op moest of een simpele natte broek die je na verloop van tijd steeds meer ging ruiken. Die drama’s vonden zo’n negen jaar geleden plaats. De kleren die ik toen aan had, hebben jarenlang onaangeroerd in de kast gelegen. Tot nu. Mijn eerste jaar dansles zit er op, het enige wat ik nog moet doen is afdansen. Een vrolijke dansgelegenheid waarbij ook wordt gekeken of je klaar bent voor het volgende jaar. De dansen die ik moet kennen, ken ik. Het was het uiterlijkvertoon waar ik me drukker om maakte, daar ben ik nooit goed in geweest. Maar bij dansen wil het oog ook wat. Een bezoek van kapster Cocky leek me een goede eerste stap. Ik ging weer voor een sportieve korte coupe die ik lang niet aandurfde, maar die goed bij mij blijkt te passen. Stap twee: kleren. Ik wist dat ik een outfit in mijn kast had waarmee ik de plank niet mis kon slaan tijdens het dansen: een zwarte glitterbroek met een diepblauw shirt er boven. Maar paste ik die nog? De laatste keer dat ik die kleren had gedragen, was tijdens mijn diploma-uitreiking. Na een schietgebedje was het antwoord: ja, alles past, zelfs nog beter dan toen. De kleding is hetzelfde, maar ik ben een ander mens. Ik denk dat ik de kotszakjes thuis laat. Start de muziek, ik heb er zin in!

  

Week 395: Drempel(tjes)

 

Drempels, we komen ze overal tegen. Op de weg en in ons hoofd. Voor mij was de grootste mentale drempel jarenlang dezelfde: werk. Werk vinden is moeilijk, gooi nog een handicap in de mix en de banenjacht verandert in Mission Impossible. Na mijn schooltijd was mijn doel duidelijk: ik ging een boek schrijven, maar een baantje buiten de deur zou ook fijn zijn. Dat bleek minder makkelijk dan gedacht. Aan de telefoon vonden werknemers mij geschikt, maar dat was voordat ze mij in het echt zagen. Oftewel: mijn rolstoel bekeken, kennismaakte met Bindi en mijn beperkte werktijden ontdekten. Klaar, ik kon weer gaan. Tegenwoordig werk ik met plezier op een aangepaste werkplek als secretaresse. Het hoofdstuk Vrijwilligerswerk was voor mij afgesloten. Maar toen zei mijn jobcoach: ‘Ik zag deze advertentie en moest aan jou denken.’ De advertentie was van stichting Dionne die gezinnen met ernstig zieke/beperkte kinderen helpt door hun klussen uit handen te nemen. Ze zochten iemand om hun Facebookpagina bij te houden. Mijn interesse was gewekt en voordat ik het wist, was ik op weg naar een sollicitatiegesprek. Alleen kon ik het gebouw niet in. Door een gigantische drempel. ‘Geen probleem,’ zei Emmy, oprichtster van de stichting, ‘we praten buiten.’ Het gesprek verliep soepel. ‘Volgens mij zou jij hier goed kunnen passen,’ zei Emmy. ‘Geïnteresseerd?’ Ik knikte. ‘Ja, alleen…’ ‘De drempel. No worries, die passen we aan.’ Ik schudde haar de hand. Drempels, ze zijn overal, maar soms haalt iemand er eentje voor je weg. Ik heb vrijwilligerswerk!

 

Week 394: Tegenspraak

 

Ik zei vroeger dat ik een scherpe tong had. Dat klopt niet helemaal, mijn pen is scherper dan mijn tong. Mensen tegenspreken vond ik altijd lastig, zeker als het om mensen ging van wie ik afhankelijk ben. Zoals mijn verzorgers en de monteurs die mijn stoel maken. Met hen wilde ik geen ruzie, zonder hun hulp kom ik immers niet ver. Maar dat denkbeeld is verandert Dat merkte ik toen monteur nummertje honderd een poging deed om mijn stoel te maken. Zijn eindoordeel was: ‘Ik heb het probleem niet kunnen vinden, dus heb ik wat onderdelen vervangen die stuk zouden kunnen zijn. Afwachten maar.’ Hoewel ik in bed lag en ik in zo’n kwetsbare houding nog nooit een discussie met iemand was aan gegaan, vloog mijn mond nu als vanzelf open: ‘Nee, niet afwachten maar. U gaat mij niet zo achterlaten, jullie zijn al een jaar aan het klooien! Mijn danslerares heeft een theorie, zij denkt dat de motoren er iets mee te maken hebben. Trek dat na, wat heeft u te verliezen?’ De man keek mij aan, knikte en belde een collega. De theorie klopte, de motoren bleken het probleem. Misschien kwam het door die openbaring, maar ik liet me in die dagen erna niet van mijn stuk brengen. Ook niet door een man die Bindi’s poepplekjes niets vond en dreigde om “maatregelen” te nemen. Best, dan belde ik de gemeente. Die stelde mij in het gelijk. Dank. Ik ben Robin en ik laat niet meer met me sollen!

 

Week 293: Assistente

 

Wanneer een deur sluit, gaat er een andere open. Ik ga al jaren naar activiteitencentrum De Zilvermeeuw, een dagbesteding voor mensen met een beperking. Hoewel het centrum bol staat van de creativiteit, heb ik er nooit mijn weedraai kunnen vinden. Creatief zijn is prima, maar ik wilde iets doen, mensen werk uit handen nemen. Mijn vraag was duidelijk, maar het was niet iets waar ze bij de Zilvermeeuw vaak mee te maken hadden gehad. Een directe oplossing was er niet, dus toen het vervoer ernaartoe tegen ging werken, dacht ik: ik stop. Ik gooide die deur met een klap dicht. Maar deuren kunnen weer worden geopend. Soms doe je dat zelf, soms doen anderen dat voor jou. Hoewel mijn vertrek voor mezelf vast stond, zagen de medewerkers van de Zilvermeeuw mij liever niet gaan. Een paar dagen later ging mijn telefoon en werd er gevraagd of ik niet toch wilde blijven. Niet als cliënt, maar als assistent-receptioniste. Ze konden wel een extra helpende hand gebruiken. Ergens vind ik het vreemd dat ze daar nu mee kwamen, juist op het moment dat ik wilde stoppen. Misschien hebben ze nu pas vertrouwen in mijn kunnen? Wat de reden ook is, ik heb ja gezegd en ben heel blij met die keuze. Ik heb deze functie nu twee weken. U ziet het niet, maar ik neem de telefoon op met een smile van oor tot oor. Eindelijk voel ik me bij de Zilvermeeuw als een vis in het water. Beter laat dan nooit.

 

Week 392: Mensenkennis

De eerste keer dat ik een taxi binnenreed, scheet ik in mijn broek van angst. Dit was niet de veilige schoolbus die me ongemerkt heen en terug bracht. Zou deze man mij naar het goede adres brengen? Wat als ik per ongeluk de verkeerde plaats had doorgegeven? Zou hij mij daar dan droppen en zeggen: zoek het verder zelf maar uit? Nu lach ik om die angst, maar helemaal ongegrond is hij niet: je gaat bij een vreemde in de taxi zitten en moet diegene vertrouwen. Ik zie veel chauffeurs voorbij komen en weet ondertussen wat voor typ ik voor me heb met één blik. Ze zijn niet allemaal even sociaal, maar ze hun rijvaardigheden zijn over het algemeen goed. Toch voelde ik me niet op mijn gemak toen ik het afgelopen weekend in de taxi zat. Meneer de chauffeur was er niet bij met zijn hoofd, ik zag het aan zijn ogen. Hij vroeg om geld terwijl ik al betaald had en reed niet zelfverzekerd. Om mijn onrust te verdrijven ben ik gaan lezen. Geen idee wat, maar iets liet me opkijken. Een stoplicht, een groene auto en toen… Boem! Mijn chauffeur was door rood gereden. De klap was niet hard, eerder een flinke duw, maar de schrik zat er goed in. Naast ons zag ik het kanaal glinsteren. Daar hadden we in kunnen liggen. Mensenkennis, het heeft me uit vele benarde situaties gered, maar niet uit deze. Soms maakt mijn beperking mij kwetsbaarder dan dat ik zou willen.

 

Week 391: Actiefoto


Ik hou van het schrijversvak. Ik vind het geweldig om mijn eigen wereld te creëren en krijg een kick als een manuscript op tijd af is. Ook de publiciteit vind ik leuk, vooral de interviews. Als de journalist mij niet afremt, lul ik zo twee uur door. Er is maar een ding wat ik minder vind: de foto’s. Ik vind mezelf niet de mooiste, daarom hou ik er niet van om met mijn hoofd in de krant te staan. Maar soms moet het, zoals toen de Alkmaarse Courant mij vroeg voor een interview. Ik zei ja en nog diezelfde middag stond er een fotograve voor mijn deur. Ze wilde een actiefoto, dus pakte ik mijn notieboek en begon te schrijven. Dat bleek niet goed te zijn: mijn hand blokkeerde het licht, dus pakte ik mijn laptop. ‘Wat doe je?,’ vroeg de fotograve toen ik begon te tikken. ‘Schrijven,’ antwoordde ik. ‘Nee,’ ze schudde beslist haar hoofd, ‘dat is niet de bedoeling, blijf gewoon stilzitten.’ Ik schoot in de lach. Ik, doodstil zittend achter mijn laptop. Wat ging dat een actiefoto worden! ‘Niet lachen met je mond open,’ sprak mevrouw de fotograve bestraffend. Bindi vond mij maar raar doen en kwam een kijkje nemen. ‘Geweldig!,’ jubelde de vrouw. ‘Kan ze zo blijven staan?’ Ik knikte. ‘Bindi, w…’ ‘Mond dicht!’ Bindi vond het erg vreemd: geluidloze commando’s en een baas die letterlijk schudde van het geluidloze lachen. Ja, het schrijversvak vraagt creativiteit, maar het is een leuke foto geworden. Een echte actiefoto.

 

Week 390: Stroming

 

Dansen is een ware kunst. Mooi om naar te kijken, soms best lastig om te doen. Ik schreef ooit dat dansles niets voor mij was, dat ik liever mijn eigen ding deed. Maar niet durven is iets anders dan niet willen. Een paar jaar geleden nodigden vriendinnen mij uit voor een dansavond. Ze sleurden mij lachend en zonder enige uitleg de dansvloer op. Ik was net een vis spartelend op het droge. Dat was toen. Na zo’n halfjaar dansles krijg ik de slag te pakken. De tijd dat ik nerveus de danszaal betrad, lijkt voorbij. Ik heb er nu vooral heel veel lol in. Dansen is meegaan met de stroming. Niet zozeer met de rest van de dansers – dat was mijn eerste theorie, maar ik kwam er al snel achter dat die niet klopte – maar met de stroming van de muziek. Ik ben niet de zekerste danseres op de vloer, maar mijn muzikaal gehoor is goed. Ik ben er achter dat je met ontspannen en goed luisteren ver komt. Het lukt mij nu om zonder constante aanwijzingen te dansen en om ervan te genieten. De romanticus in mij houdt van de Engelse wals en ik word heel vrolijk van de samba. Gelukkig zitten die in mijn afdanspakket. 13 mei is mijn laatste dansavond van het jaar, dan ga ik mijn ouders en vriendlief laten zien wat ik geleerd heb. Heb ik zenuwen? Zeker weten, maar zodra de muziek begint, laat ik meevoeren door zijn stroming. Precies zoals ik geleerd heb.

 

Week 389: Gebruiksaanwijzing

 
De wereld huilt om alle ellende die erover uitgestrooid wordt. Men is bang, schreeuwt en slaat om zich heen. Op zo’n moment is het moeilijk om de mooie dingen om ons heen nog te zien. Maar ze zijn er, verscholen in kleine momenten. Zoals in de woorden van een buschauffeur. ‘Jij moet de zus van Luca Corbee zijn,’ zei hij. ‘Wat een heerlijk mens is dat!’ Zijn woorden verbaasden me, Luca is lief, maar kan fel zijn tegen mensen die ze niet goed kent. ‘Een pittige dame,’ vervolgde de chauffeur, ‘weet heel goed wat ze wel en niet wil. En laat dat je weten ook.’ Ik lachte, dat klonk inderdaad als Luca. ‘U kent haar goed?’ ‘Zeker weten, ze was jarenlang een van mijn vaste busklantjes. Veel collega’s wisten niet wat ze met haar aan moesten als ze een boze bui had, maar mij mocht ze. Gewoon een leuk muziekje aan zetten, gas op de plank en ze was weer happy. Respect, dat is alles wat Luca wil. Praat met haar op normale toon en ze respecteert je. Anders niet.’ Respect, dat is iets wat wij allemaal willen, maar niet altijd krijgen. Deze man zag meer dan Luca’s beperkingen. Hij zag Luca zoals ik haar zie: een lief, mooi mens. Met een gebruiksaanwijzing, maar hebben we die niet allemaal? Waarom kunnen we die verschillende gebruiksaanwijzingen niet gewoon accepteren en elkaar de hand geven? De woorden van deze buschauffeur gaven mij hoop en lieten mij een traantje wegpinken. Hoop doet leven. 

 

Week 388: Schoorl

 

Ik ben weer eens bij mijn oude nest geweest. Als ik naar Schoorl kom, is het altijd moeilijk kiezen welke wandeling ik met Bindi wil maken. Door de polder of toch door het Nollenbos? Deze keer koos ik voor het laatste. Een groot verschil met Heerhugowaard is de stilte en de natuur. Ik merk pas hoe erg ik het mis als ik  terug ben. Dan overvalt mij een gevoel van heimwee, merk ik hoe graag ik nog een Schoorlse zou willen zijn. In het Nollenbos doe ik mijn koptelefoon af om naar de vogelgeluiden te luisteren. Bindi is er net als ik in haar element. Ze snuffelt overal rond en kijkt mij blij aan. ‘Ruik je al die geurtjes, baas? Ik herken ze nog!’ Ja, ik herkende ze nog en de routes die ik altijd reed, zijn me nog bekend. Wat goed is, want op de terugweg bleek een van mijn bekende wegen opgebroken te zijn. Toen moest ik toch even stilstaan en mijn hersens laten kraken. ‘Wacht, eerst over de stoep en dan over het fietspad, dan komen we ook bij huize Willy uit. Denk ik.’ Bindi keek me bezorgd aan. ‘Kijk niet zo, het is een tijdje terug!’ Gelukkig bleek ik het bij het rechte eind te hebben en konden we direct aanschuiven voor het eten. Het dorp is verandert, maar de sfeer is hetzelfde. Dus toen ik na een gezellige avond weer naar Heerhugowaard vertrok, was dat met pijn in het hart. Ooit verhuis ik terug, voorgoed.   

 

Week 387: Journalist

 

Men kent mij bij de Duinstreek als columnist, maar ik ben begonnen als stagiaire. Ik moest eenkolommers maken: korte nieuwsberichten waar alleen de essentiële informatie in staat. Ik vond het rotwerk, al die regeltjes en geschrap. Na mijn stage hield ik er mijn column aan over en daar was ik blij mee, ik wist zeker dat ik de eenkolommers snel zou vergeten. Maar het menselijk brein is een wonderlijk iets, het verbaast mij hoeveel informatie er in die talloze laatjes zit. Dat ontdekte ik toen een online krant vrijwilligers zocht. Op mijn werk dachten ze direct aan mij. Ik lachte. Ik ben een columnist, geen journalist. Maar ik was ook op zoek naar een nieuwe uitdaging, dus zei ik ja. Samen met een collega kreeg ik mijn eerste les. Zodra ik achter de computer zat, ging er in mijn hoofd een laatje open. ‘Mag ik?,’ vroeg ik toen mijn collega een eerste poging had gedaan. ‘Volgens mij kan het beter.’ Onze lerares keek over mijn schouder mee en was onder de indruk. ‘Dit heb je vaker gedaan.’ ‘Zo’n tien jaar geleden, ja,’ bekende ik. `Het was mijn eerste stageopdracht. Klopt dit een beetje?’ ‘Ja.’ Ze lachte. ‘Je hebt het nog in de vingers.’ Daarmee was mijn nieuwe uitdaging een feit: op maandag en vrijdag zoek en bewerk ik nieuwsberichten voor de beeldkrant van Heerhugowaard A Life. Nooit gedacht dat ik daar zo van zou genieten, mijn oude stagebegeleiders liggen nu vast in een deuk. Robin, journalist, wie had dat gedacht?    

 

Week 386: Lammetjeslach

 

Muziek speelt een grote rol in mijn leven. Ik slaap zelfs met een koptelefoon op. Ieder album heeft voor mij een andere betekenis. Ik kan niet meer naar Miss Saigon luisteren zonder aan de laatste schrijffase van Zusters van de Zee te denken. Toen heb ik hem tig keer beluisterd. Vorige week kwam mijn nieuwste aanwinst binnen: het castalbum van de Klokkenluider van de Notre Dame. Ik ben een Disney-fan, maar zal die film altijd met gemengde gevoelens bekijken. Ik zag hem voor het eerst samen met mijn vader in de bioscoop. Het weekend erna ging ik bij mijn vriendinnetje Marianne spelen. Ik viel en kneusde mijn teen. Om mezelf af te leiden van de pijn, speelde ik de Klokkenluider steeds opnieuw af in mijn hoofd. Een halfjaar later overleed Marianne. Sindsdien koppel ik de Klokkenluider aan haar. Steeds als ik God, help the Outcasts hoor, zie ik Marianne in haar kist liggen. Toch blijf ik de muziek luisteren, omdat de vrolijke nummers mij herinneren aan hoe we samen op hun erf speelden. Dus toen het castalbum aan stond, pinkte ik een traantje weg, maar er speelde ook een glimlach rond mijn lippen. Opeens herinnerde ik me weer hoe Marianne haar lach klonk. Haar lammetjeslach, zoals wij het in de klas noemden. Dat is wat muziek met je doet: het laat je dingen herbeleven. Soms laat muziek je huilen, andere keren lachen. Ik ben de makers van dit castalbum dankbaar: jullie hebben mij een klein stukje van mijn vriendin teruggegeven. 

 

Week 385: Bo

 

Afspreken met iemand die je via het internet hebt leren kennen is altijd spannend. Zeker als de ene 18 is en de ander 26. Toch denk ik dat ik de meeste zenuwen had toen ik de 18-jarige Bo ging ontmoeten. Zou ik aan de verwachtingen van mijn fan voldoen? Straks viel onze eerste ontmoeting haar tegen en was haar lange reis vanuit België voor niets geweest. Maar zodra ik Bo’s stralende gezicht zag, wist ik dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Wat volgde was een knuffel en natuurlijk moest ik Zusters van de Zee signeren. Wat doe je om het ijs verder te breken? Je gaat naar een boekwinkel. Tijdens onze wandeling erheen kletsten we over van alles en nog wat. In de boekwinkel kocht ik wat iedere schrijver nodig heeft: een pen en een notitieboekje, Niet voor mezelf, maar voor Bo, die ook schrijfambities heeft. Eenmaal thuis heb ik geholpen met het uitwerken van haar ideeën. Dat vond ik het leukste: samen brainstormen, haar een beetje op weg helpen. Zou het zo voelen om een jongere zus te hebben?, vroeg ik me af. Helaas ging de tijd veel te snel en was het afscheid daar. Ik hoorde zacht gesnik toen ik Bo een afscheidsknuffel gaf. ‘Hé, niet huilen, we spreken elkaar snel. Ik ben altijd online, dat weet je,’ Nog een laatste zoen en weg was ze. Niet alle internetontmoetingen hebben een happy end, maar ik ben blij dat we deze hebben doorgezet. Tot snel, lieve Bo.

 

Week 384: Schrijfstertje

 

Er was eens een meisje die zichzelf Schrijvertje noemde. Schrijvertje plaatste verhaaltjes op een website. Verhaaltjes die vervolgens niet werden gelezen, maar dat gaf niet, want Schrijvertje hield van schrijven en leerde veel. Schrijvertje oftewel: ikzelf. Er is sinds die tijd een hoop verandert, maar ik ben nog steeds op diezelfde website actief. Om ideeën voor verhalen te plaatsen en feedback te lezen. Ik ben minder onzeker dan in het begin, maar een ding is niet verandert: ik ben nog steeds vreselijk slecht in complimentjes ontvangen. Verder dan met een rode kop bedankt zeggen, kom ik niet. Ik vind mezelf geen Carry Slee of J.K. Rowling. Het enige wat ik met hen gemeen heb, is dat ik schrijf en een groepje fans heb. Met één mega-fan: Bo. Ik ontmoette haar op het verhalenforum en ontdekte dat we veel met elkaar gemeen hebben. Ik herkende mezelf in de 18-jarige en hielp haar met haar schrijfsels. Ondertussen heeft Bo Zusters van de Zee al meerdere malen verslonden en heeft ze een grote wens: mij ontmoeten. Ze heeft bewondering voor me en ziet mij als haar beste vriendin. Klein detail: ze woont in België. Ik vind het lief, ook ik zie haar als een goede vriendin. Maar het is nogal wat, alleen voor mij naar Nederland komen. Dat gaat zaterdag gebeuren. Ik hoop niet dat ik van het voetstuk val waar Bo mij op geplaatst heeft. Ik ben Robin, die samenwoont met Bindi en met pen en papier als mijn vertrouwelingen. Gewoon, Schrijvertje.

 

Week 383: Ritme

 

Iedereen leeft in een bepaalt ritme. Dat is prettig, dan weet je waar je aan toe bent. Je kunt het ritme altijd aanpassen. Sneller, langzamer of je kunt voor een heel ander ritme gaan. Dat geldt voor de meeste mensen, maar niet voor mij. Mijn leven is een groot schema, elk zorgmoment staat genoteerd: van het moment dat ik opsta totdat ik weer in bed lig. In het begin kon het schema nog worden aangepast als ik dat vroeg, maar dat kan door de bezuinigingen bijna niet meer. Ook op mijn werk wordt het schema steeds krapper. Vooral op donderdag, als ik met de taxi naar Alkmaar moet. Taxi’s worden steeds voller en hun voorrijdtijden worden vroeger en korter. Te vroeg en te snel voor mij. Hoe ik ook mijn best doe om op tijd klaar te staan, het lukt me niet, tot grote frustratie van mij en de chauffeurs. Ik schreef vorige week al: soms ben ik bang dat ik de snelheid van de maatschappij niet meer bij kan houden. ‘Ik wou dat we weg konden vliegen, Bindi,’ zei ik  na nog een dramatische donderdagochtend. ‘Weg van alle hectiek.’ Die nacht droomde ik dat ik op de rug van een draak hoog in de lucht vloog en op de wereld neer keek. Mijn fantasie en mijn vrijheid, dat zijn voor mij de belangrijkste dingen. Misschien moet ik naar die draak luisteren, het schema vergeten en mijn vleugels spreiden. Misschien wordt het tijd voor een nieuw ritme, een nieuw avontuur. 

 

Week 382: Classics

 

Waarom moet alles steeds beter en sneller? Omdat wij dat willen. De mens is niet snel tevreden en wil altijd verbetering. Ik zeg niet dat het fout is, het heeft ons een hoop goede dingen opgeleverd. Goede medicatie, bijvoorbeeld. En zonder mijn elektrische rolstoel kan ik niet zelfstandig de deur uit. Maar die constante honger naar meer heeft ook een keerzijde. Een simpel voorbeeld is mijn iPod Classic. Muziek is alles voor mij, het helpt me ontspannen en als ik schrijf, staat er altijd een musical aan. Muziek zelf bedienen, is voor mij echter altijd een probleem geweest. Eerst waren er de cd’s, maar die gingen snel stuk, omdat ik ze verkeerd vastpakte. Daarna kwam de mp3-speler, maar ook die was erg teer en ik kon de knopjes lastig indrukken. De iPod Classic was voor mij dé oplossing: stevig en makkelijk in gebruik. Oké, ik sloop hem nog steeds sneller dan gebruikelijk is, maar hij houdt het veel langer vol dan zijn voorgangers. Als hij stuk is, bestel ik weer dezelfde. Alleen kan dat nu niet meer: hij is uit de handel gehaald, vervangen door een hipper, dunner model. Ik heb direct twee tweedehandsjes bestelt, dus ik kan nog even vooruit, maar dit is geen oplossing. Het zijn dit soort baalmomenten dat ik bang ben dat ik de snelle vooruitgang in technologie niet kan bijbenen. Ik sukkel er achteraan, met de ouderen in mijn kielzog. De liefhebbers en afhankelijken van de klassiekers. Nieuwer is niet altijd beter. Niet voor ons.            

 

Week 381: Hap

 

Ik vind het vreselijk als Bindi ziek is. Honden zijn dan net kleine kinderen. Je weet dat ze iets mankeert, maar zij kunnen niet vertellen wat precies. Op zulke momenten verander ik in een overbezorgd moedertje die alles wil doen om haar kind te helpen. Deze week was het weer zover: Bindi was ziek en wilde niets meer, zelfs niet eten. Bin heeft een gevoelige maag/darmen en vreet alles wat ze te pakken kan krijgen. Een hond met diarree was daarom niets nieuws voor me. Maar een Bindi zonder eetlust? Daar werd ik wel een beetje bang van. Het was zondag, niet de goedkoopste dag om naar de dierenarts te gaan. Maar toen Bindi niet meer op mijn stem reageerde, gingen bij mij alle alarmbellen af. Ik belde een taxi en ging naar Heiloo, naar de dierenarts. Zijn oordeel: een dunne darmontsteking. Een antibioticakuur en lichte kost moest helpen. Had ik rijst in huis? Biscuits, witbrood? ‘Ik heb alleen beschuit,’ antwoordde ik. Dat bleek ook te mogen, maar toen ik Bindi er thuis eentje aanbood, wist ze niet wat ze ermee aan moest. Ik brak een stukje af en hield het haar voor. ‘Hap.’ Dat hielp, ze at. Ik dacht terug aan de eerste keer dat ik een hond een snoepje uit mijn hand moest geven. Ik durfde niet. Nu voerde ik Bindi en hoewel ik haar tanden soms langs mijn huid voelde gaan, gaf ik geen krimp. Bindi kwispelde. Op. Ik gaf haar een zoen. ‘Snel beter worden, hè?’ 

 

Week 380: Foutje

 

De hond heeft mijn huiswerk opgegeten is een bekende smoes. Ik heb een nieuwe gevonden: ik kan de rekening niet betalen, een pinautomaat heeft mijn bankpas opgegeten. Alleen is dit geen smoes, mij is dit echt overkomen. Pinnen is voor mij een hele toer, ik krijg mijn pas niet uit de automaat. Eerst pinde mama voor me, later ging ik naar de bank en nu doe ik het bij de Albert Heijn, waar het winkelpersoneel mij helpt. Het nadeel van die techniek is dat je soms lang moet wachten en daar moet maar net tijd/zin in hebben. Vaak heb ik dat, maar deze keer niet. Buiten dreigde een behoorlijke bui en ik wilde thuiszijn voordat hij losbarstte. De vrouw achter de balie had echter nog een hele rij mensen voor zich, dus besloot ik het nog eens zelf te proberen. De laatste pinpoging was immers alweer een jaar geleden. Dat was geen goed idee. De pas in de pinautomaat stoppen ging nog wel, maar eruit? Nee. De pinautomaat begon steeds paniekeriger te piepen, terwijl ik mijn best bleef doen om mijn pas goed vast te pakken. Helaas kwam de hulp van de baliemedewerkster te laat: mijn pinpas was al in het apparaat verdwenen. Pech, pasje weg. Ik belde met een rode kop de Rabobank op. Ik hoefde me niet te schamen, zeiden ze, dit gebeurde vaker. De rest van de week moest ik het met vier euro doen. Lesje geleerd, zelfredzaamheid is goed, maar je moet ook je beperkingen kennen.

 

Week 379: Remake

 

Ik heb een hekel aan artiesten die het te hoog in hun bol krijgen. Ze brengen oude nummers uit door er een ander muziekje onder te zetten. Je hoeft er weinig voor te doen en het verkoopt. Wat ook in is, is een ‘Deluxe’ album. Het verschil met het ‘Basic’ exemplaar zijn twee nummers extra voor een tientje meer. Michael Bublé gebruikt dat trucje vaak, iets wat mij mateloos irriteert. Mijn favoriete band de Villagers hebben ook een nieuw album gepresenteerd. Ik was door het dolle, tot ik de nummers zag die er op stonden: ik kende ze, er waren maar twee nieuwe bij. De Villagers zijn origineel, daarom vind ik ze zo leuk. Dit was niets voor hen. Toch besloot ik hun nieuwe werk te bestellen. De heren hebben de gewoonte om hun luisteraars te verassen, ik vertrouwde erop dat ze dat weer gingen doen. Ik kreeg de cd eerder binnen dan verwacht en luisterde hem tijdens mijn nachtwandeling met Bindi. Al bij de eerste tonen bleef ik verrast staan. Ik kende de tekst van het nummer, maar de mannen hadden alles omgegooid. Wat ik kende als een ballad, was nu uptempo en andersom. Ik schoot spontaan in de lach. De liedjes waren vertrouwd en tegelijkertijd verfrissend en lieten me bijna dansen op het verlaten fietspad. Ik heb niets tegen een remix of remake, maar als je het doet, doe het dan goed. Hier kunnen vele artiesten nog wat van leren. Goed gedaan, boys! Hopelijk tot ziens in februari!

 

Week 378: Challenge

 

Volgens mij is schrijven net zoiets als beeldhouwen: je bouwt iets op, schaaft wat bij en kijkt soms hulpeloos toe als er een gedeelte afbreekt en stukvalt. Maar je wordt niet boos: het hoort nou eenmaal bij de risico's van het vak. Ik ben momenteel onder anderen bezig met wat ooit de Maanprinses was. Versie nummer drie. In de tweede versie moest zoveel worden aangepast dat ik het overzicht verloor, dus ben ik maar weer overnieuw begonnen. Veel kopiëren en herschrijven, maar ik heb het gevoel dat het eindelijk begint te kloppen. Mijn voornemen voor 2016 is dan ook om een nieuw manuscript in te leveren. Maar dat is niet het enige doel dat ik voor mezelf gesteld heb: ik doe mee aan de Reading Challenge 2016. De uitdaging: vijftig boeken in een jaar lezen. Als je die twee uitdagingen naast elkaar legt, lijkt het een haast onmogelijke opgave, maar ik denk dat de combinatie mij juist helpt. Schrijven is heel inspannend: schrijven, lezen, schrappen. Een riedeltje waar je hoofdpijn van krijgt als je het te lang doet. Lezen werkt bij mij daarentegen ontspannend. Door de Reading Challenge aan te gaan leg ik mezelf een verbod op om na negenen nog te schrijven. In plaats daarvan ga ik lekker lezen. Op die manier put ik mezelf niet uit en haal ik mijn doelen voor 2016 met gemak. Het wordt tijd om mijn boog weer te spannen. Mijn prooi: boek nummer drie. Een heerlijk Nieuwjaar allemaal. Maak er iets moois van.

 

Week 377: Achterom

 

Alles en iedereen is constant in beweging. We veranderen, zonder het zelf door te hebben. Een verzorgster vroeg mij: Robin, ben je wel eens depressief? ‘Nee,’ antwoordde ik verbaasd. Maar dat bleek wel in mijn dossier te staan en aan de bewoording kon ik zien dat ik het zelf gezegd had. De vreemde uitspraken stapelden zich op: ik scheen niet zelf een taxi te kunnen bestellen en had moeite met het maken van sociale contacten. Ik snapte er niets van. Totdat ik het jaartal boven het dossier zag: eind 2010, net nadat mijn schoolcarrière was afgelopen. Toen was ik inderdaad onzeker en een zwartdenker. Met dank aan mijn stagebegeleider. Volgens hem kon ik geen baan krijgen en moest ik maar opzoek naar een leuke sociale werkplaats. Na twee jaar zwoegen aan een opleiding was mijn zelfvertrouwen weg. Dat was vijf jaar geleden. Nu heb ik een mooi huis, een leuke werkplek en twee boeken op mijn naam staan. Er is een hoop verandert sinds toen. Tijdens de kerstviering bij mijn zus werd er gezongen. Eén lied deed me aan een oude vriendin denken: ze had de stem van een engel en zou de solo krijgen in de kerk. Helaas overleed ze voor haar grote moment. Ik zong met haar in gedachten. Het is niet goed om in het verleden te blijven hangen. Toch kijk ik soms achterom. Ik heb veel bereikt en zal dat nooit vergeten. Net zomin als de mensen die ik liefheb en die er niet meer zijn.                                                                                                                                                                                                                                              

 

Week 376: Voornemens

 

Goede voornemens, iedereen heeft ze, maar doen we er ook iets mee? We beginnen het nieuwe jaar moedig, maar zijn onze doelen in februari meestal al vergeten. Ik had ook een voornemen: zelfstandig naar Luca rijden. Mijn zus woont twee straten bij mij vandaan, dus dat wordt een makkie, zou je zeggen. Niet voor iemand die geen oriëntatievermogen heeft. Aan aanwijzingen zoals “Over zoveel meter moet je naar links” heb ik niks. Ik moet het voor me zien. Dus als je “Bij het huis met het rieten dak moet je naar links” zegt, weet ik het wel. Maar in Heerhugowaard lijkt alles op elkaar. Bruggetjes hebben dezelfde kleur en huizen staan als tweelingen naast elkaar. Veel herkenningspunten zijn er niet en dat is mijn probleem. Herhalen is voor mij de enige oplossing. Herhalen en vertrouwen kweken. Herhalen ging wel, maar het vertrouwen kwam niet. Ik durfde de volgende stap niet te zetten. Soms heb ik een schop onder mijn kont nodig. Die kwam de middag voor de kerstviering op Luca’s groep. Ik hoopte dat mam met mij kon meelopen, maar ze had het druk. Ik moest het alleen doen. Koptelefoon op, zweethandjes afvegen en gaan! Moeilijk was het niet: over de tweede gele brug, rechtdoor en je bent er. Toch ging mijn hart als een razende tekeer. ‘Je kunt het best,’ zei ik, terwijl ik over de brug reed. Ik kon het inderdaad: ik was dolblij om de drie flatgebouwen te zien. De wind gaf mij een schouderklopje. Voornemen ingelost. 

 

Week 375: Dringend

 

Ik had ooit de ambitie om een opleiding tot medisch receptioniste/telefoniste te volgen. Praten en bellen kan ik wel. Uiteindelijk is die beroepskeuze niets geworden, mijn reactievermogen zou te traag zijn. Tegenwoordig werk ik achter een balie en neem de telefoontjes aan. Inschattingsvermogen is een must als je bij de telefoon zit: is deze boodschap belangrijk? Moet er direct actie ondernomen worden? Helaas hebben ze die gouden regel bij Welzorg niet echt door. Welzorg wordt gebeld als een hulpmiddel stuk is. Iets wat meestal best dringend is. Ik heb al heel wat mankementen aan mijn stoel gehad en toen het liftsysteem stukging, dacht ik: ah, weer iets nieuws. ‘Is het belangrijk dat het gemaakt wordt?,’ vroeg de telefoniste. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘ik wil zelf bij de keukenkastjes kunnen.’ Haar antwoord: ‘Ik bel u terug.’ Een week (en nul telefoontjes) later ging mijn armleuning kapot en moest ik opnieuw bellen. Weer kreeg ik hetzelfde antwoord. ‘Wilt u snel terugbellen?,’ vroeg ik. ‘Ik wil niet dat mijn hulphond straks een armleuning op haar kop krijgt.’ Ik kreeg een ‘Ja, natuurlijk’ maar werd pas drie dagen teruggebeld. De telefonisten daar hebben geen idee in wat voor situatie de bellers zich bevinden. Voor hun lijkt het woord ‘dringend’ geen betekenis te hebben. Misschien ligt de oplossing daar. De regering wil mensen met een beperking aan het werk hebben? Zet ons daar in. Ik ben misschien niet de snelste werkneemster die in Nederland rondrijd, maar ik neem de vragen en klachten van bellers wel serieus.

 

Week 374: Stoer

 

We houden ons allemaal met ons uiterlijk bezig. Ik ben trots op mijn haar. Als ukkie had ik een kort koppie. Totdat er werd gedacht dat ik een jongen was… Dat deed zeer en dus liet ik mijn haren tot aan mijn schouders groeien. Ik vond het vreselijk als mensen zich vergisten, maar toen wist ik nog niet hoe pijnlijk echte pesterijen konden zijn. Iedereen vindt wel iets lelijk aan zijn lichaam: ik heb lichte gezichtsbeharing. Daar had ik geen problemen mee, totdat mijn toenmalige vriendje het zag. Ik weet niet of het kwade opzet was, maar opeens wist iedereen het en werd mijn leven op school een hel. Mijn kapsel veranderde in een lang gordijn waarachter ik mij kon verstoppen. Na die ervaring heb ik geen korte coupe meer genomen. Tot nu. Op mijn 26ste verjaardag was het tijd voor een knipbeurt en toen ik in de spiegel keek realiseerde ik me iets: het gaat er niet om hoe iemand jou ziet, maar hoe jij jezelf ziet. Zelfvertrouwen doet een hoop met een mens en mijn zelfvertrouwen is de afgelopen tijd behoorlijk gegroeid. Het was tijd voor iets nieuws. ‘Doe maar kort’, zei ik, ‘écht kort.’ Kort is het zeker geworden en iedereen is enthousiast. De laatste reactie kwam van vriendlief, die er duidelijk even aan moest wennen. ‘Ik ben een andere look van je gewend,’ zei hij, ‘maar ik vind het mooi. Je bent nu een echt stoer wijf.’ Zo voel ik me ook: een echt stoer wijf.

 

Week 373: Borstel

 

Een eerste indruk is zo gemaakt. Men ziet mij in mijn rolstoel en denkt: dat meisje kan vast niet veel zelf. Ze zeggen het niet hardop, maar ik zie het ze denken. Het is waar, ik heb hulp nodig, maar tussen de vaste hulpvragen in (aankleden, eten, toiletgang) bel ik zelden. Bindi helpt me en voor veel terugkerende zaken heb ik mijn eigen oplossingen bedacht. De kraan in de keuken, bijvoorbeeld. Toen ik nog scheef in mijn rolstoel zat, kon ik daar makkelijk bij. Totdat ik een nieuwe zitting kreeg. Het scheef zitten was opgelost, maar nu kon ik niet meer bij de hendel van de kraan, ik kwam een paar centimeter te kort. Ik haat het om voor kleine dingen te bellen, dus ging ik op zoek naar een oplossing. Ik had een verlengstuk nodig… De afstandsbediening van mijn tv bleek daar perfect voor te zijn. Toen de zorg mij daarmee in de weer zag, moesten ze lachen. ‘Er kan gewoon een langere hendel op gezet worden, maar oké, dit werkt ook.’ Ja, het werkte prima. Totdat ik ontdekte dat afstandsbedieningen niet echt waterbestendig zijn. Het eeuwige gemep vinden ze ook niet leuk. Het arme ding kreeg kuren en hoewel hij het in het begin wel weer deed na wat tikken op mijn vlakke hand, heeft hij het nu begeven. KPN stuurt een nieuwe. Ik heb de doodsoorzaak achterwegen gelaten. Misschien moet ik mijn haarborstel als verlengstuk gebruiken. Die is van hout en gaat niet makkelijk stuk. Hoop ik.

 

Week 372: Lerares

 

Ik wilde vroeger veel dingen worden. Zangeres, boerin en hoefsmid zijn enkele voorbeelden. Na mijn opleiding kwam ik er achter dat een baan vinden met mijn beperking erg moeilijk was. Ik besloot om me op het schrijven te storten en om niet te vereenzamen naar activiteitencentrum De Zilvermeeuw te gaan. Het duurde een tijd voordat ik daar mijn plek vond. Ik kook er ’s middags met plezier, maar ik voelde me niet echt nuttig. Ik kon daar schrijven, maar dat kan ik ook thuis doen. Liever wilde ik mensen helpen. De Zilvermeeuw begreep mijn vraag, maar zag geen directe oplossing. Ik legde mij daarbij neer en vulde mijn overige uren met schrijfwerk. Soms komt de oplossing vanzelf, als je maar lang genoeg wacht. Toen ontmoette ik Jeffrey, een goedlachse, slechtziende jongen die beter wilde leren schrijven. Hij tikte recepten uit, maar was erg onzeker en vroeg dikwijls om hulp. De begeleiding wilde wel helpen, maar hadden meer cliënten met vragen. Uiteindelijk heb ik voorzichtig mijn diensten aangeboden. Daar werd verrast, maar enthousiast op gereageerd. Ik mocht het wel proberen. Dus ben ik naast Jeffrey gaan zitten en hielp waar nodig was. Jeffrey kan best schrijven, hij heeft soms alleen een duwtje in de goede richting nodig. Zijn zelfvertrouwen groeide en ik ontdekte wat mijn vader leuk vindt aan leraar zijn. ‘Dat ging goed, hè?,’ zei Jeffrey trots. ‘Bedankt!’ Na drie jaar zijn er twee problemen opgelost: Jeffrey vergroot zijn talenkennis en één ochtend in de week ben ik lerares Nederlands.

 

Week 371: Individualiteit

 

Wat is er met de mensheid gebeurd?? De aanslagen in Parijs houden iedereen bezig, mijzelf ook. De mens is een kuddedier, we vinden het prettig om dingen samen te doen. Dat is een zegen en een vervloeking. Samen staan we sterk, maar het maakt ons tegelijkertijd kwetsbaar. Bange of wanhopige mensen zijn beïnvloedbaar. IS komt steeds dichterbij met hun gruwelen, waardoor bij ons de onrust groeit. Angst doet vreemde dingen met mensen: we gaan tegen elkaar katten en zeggen wat we moeten doen en wat de ander moet voelen. Nu verandert iedereen zijn profielfoto op Facebook in de Franse vlag, uit medeleven voor de slachtoffers. Maar is dat echt zo, vraag ik me af, of doe je het omdat je buurman het ook doet? Ik zie het nut niet. Wat levert het op, behalve tien vind-ik-leuks? Ook ben ik bang voor de vijandigheid tegenover moslims in Nederland, die door de aanslagen blijft groeien. Lang niet alle moslims zijn extremistisch. Youssra, een oud-klasgenote, is moslima. Ze is een Amsterdamse en had het hart op de tong, maar hielp iedereen die dat nodig had. Ik heb nog steeds goed contact met haar. Ieder mens heeft zijn eigen persoonlijkheid en idealen, dat maakt ons uniek. We mogen onze individualiteit niet uit het oog verliezen. Ik heb niets tegen de vlaggenfoto’s, iedereen verwerkt dingen op zijn eigen manier. Dit is de mijne: een column. Elkaar bekritiseren heeft geen zin, we moeten er voor elkaar zijn en onthouden welke organisatie de echte vijand is: IS. 

 

Week 370: Mel

 

Een boek is nog steeds mijn beste vriend, ik heb er altijd eentje bij me. Dat betekent helaas niet dat ik vaak of veel lees. Daar heb ik het te druk voor in mijn kop. Ik kan maanden over een boek doen, tenzij een verhaal mij grijpt. Eén van de schrijfsters die dat bij mij kan bereiken is Mel Wallis de Vries. Ik las voor het eerst een boek van haar toen ik herstellende was van mijn rugoperaties. Mels werk leest makkelijk en snel weg. Dat was precies wat mijn gammele lijf nodig had. Ik ben geen misdaadfanaat, maar de Mel-boeken zijn verslavend. Al haar boeken hebben een speciaal plekje in mijn boekenkast. Mel schrijft jeugdthrillers en ergens knaagde de angst dat haar werk mij uiteindelijk zou gaan vervelen. Vorig jaar verscheen Shock en helaas, die viel mij wat tegen. Zou mijn angst werkelijkheid worden? Schuld kwam deze week uit en toen ik het opensloeg, verscheen er een grijns op mijn gezicht. Dit was de Mel die ik kende, de vrouw die je meesleurt in haar verhaal en je op je lip laat bijten van de spanning. Ik heb die avond in de taxi gelezen en dat heb ik jaren niet meer gedaan. Als ik niet in alle vroegte op moest, was hij nog diezelfde nacht uit geweest. Schuld snijdt een belangrijk thema aan: eenzaamheid en waar dat toe kan leiden. Ik heb gehuild toen het uit was. Mel, ik blijf groot fan. Schuld zou op iedere leeslijst moeten staan.

 

Week 369: Jongleren

 

 De maand november is begonnen. Nog twee weken en dan ligt Zusters van de Zee een jaar in de winkels. Na de publicatie zat ik in een serieuze schrijversdip. Wat moest ik nu? Een leeg vel papier kan heel frustrerend zijn. Gooi daar nog een schepje onzekerheid bovenop en het feest is compleet. Want onzeker was ik. Ik vond het eng om zelf een schrijfproject te beginnen. Ja, ZvdZ is van mij, maar bij een paar essentiële punten heb ik een duwtje in de goede richting gekregen. De omgevallen vuurtoren was een idee van mijn vader, net zoals de mysterieuze schat op de bodem van de zee. Het waren steunpunten waaraan ik mezelf kon optrekken. De weg zonder steunpunten was moeizaam en spannend, maar ik kan nu echt zeggen dat ik uit het schrijversdal geklommen ben. Ik heb niet één verhaallijn waar ik aan werk, ik heb er drie. Eén ben ik gaan bewandelen na een tip van een vriendin, één heb ik zelf ontdekt en nummer drie bewandel ik met zijn tweeën. Het is best druk, al die personages in mijn hoofd. Ik schrijf alles op, maar kan niet zeggen dat mijn huis er netter van wordt. Het idee dat ik in 2015 nog iets bij de uitgever inlever heb ik opgegeven. Als wat ik uiteindelijk opstuur, maar iets is waar ik voor de volle honderd procent achter sta. Voorlopig blijf ik vrolijk met drie ballen door jongleren en onbekende paden bewandelen. Ik zie wel waar ik uit kom.

 

Week 268: Kluns

 

It takes two to tango. Nu ik zelf dans, weet ik dat deze woorden kloppen. In je eentje walsen ziet er niet uit, daar ben ik van de week achter gekomen. Omdat mijn danspartner met vakantie was, werd ik aan iemand anders gekoppeld. Ik vond het prima, maar mijn partner was minder blij. ‘Moet dat?’ Zo’n uitspraak doet wonderen voor je zelfvertrouwen, ik wist spontaan niet meer wat de eerste dansbewegingen waren. Iets wat  erger werd toen de muziek begon en we daadwerkelijk moesten gaan dansen. Nerveus keek ik naar mijn partner. Ik ben geen dansexpert, maar weet ondertussen dat oogcontact redelijk essentieel is. Het enige probleem was dat zij mij niet aankeek. Ze keek alle kanten op, behalve naar mij. Ik deed mijn best om contact met haar te maken, maar zonder succes. Dan maar zelf de dansbewegingen uitvoeren. Ik klungelde door en probeerde niet op het meisje tegenover me te letten die duidelijk overal liever wilde zijn dan bij mij. Het zweet stond op mijn rug. Kon iemand mij komen redden? De redding kwam in de vorm van de vraag ‘Zullen we even ruilen, partner?’ We schreeuwden nog net geen “JA!” en we namen opgelucht afscheid. ‘Ik ben nog een behoorlijke kluns op de dansvloer, sorry,’ zei ik. ‘Meid, ik ook,’ zei de dame met een knipoog. Niet veel later vloog ze uit de bocht. We schoten in de lach. Dansen is emotie, misschien had mijn eerdere partner haar dag niet. Een schaterlach maakt gelukkig veel goed

 

Week 367: Clubje

 

Mensen vinden het leuk om dingen samen te doen. Gezellig voetbal kijken of spelletjes doen. Ik ben geen groepsmens, ik vind het heerlijk om in het weekend samen met vriendlief films en series te bekijken. Ik met mijn stoel in de relaxstand, hij met zijn hoofd op mijn schouder. Meer wens ik niet. Toch was er een groepstraditie waar ik ieder jaar naar uitkeek: met de Harry Potter-fanclub, naar de nieuwste HP-film. Ik vond het geweldig. Hoewel ik in die tijd nog last had van mijn bioscoopfobie, zette ik mijn angst daar graag voor opzij. Helaas draaide vier jaar geleden de laatste film in de bioscoop en daarmee kwam er een einde aan onze leuke traditie. Dacht ik. Tot de trailer van de film Pan op mijn Facebookpagina verscheen. Ik wilde graag heen en met mij meer mensen, zo bleek. Een week later zat de hele HP-fanclub weer op een rijtje in de bios. Het was gezellig en voelde vertrouwd, alsof er geen jaren voorbij waren gegaan. De groep is niet geslonken, maar gegroeid: Sintjin hoort er helemaal bij en mijn broer Jona is nu ook lid geworden. Ik vind het een geweldige spontane actie die via Facebook tot stand is gekomen. Zo zie je maar dat het medium ook zijn goede kanten heeft: mensen die elkaar niet vaak meer zien, kunnen vis FB makkelijk en snel afspraken met elkaar maken. Ik ben geen groepsmens, maar ik hoor wel bij deze gekke clubje. Ik kijk uit naar onze volgende bijeenkomst.

 

 

 

Week 366: Middernacht

 

Onze missie is geslaagd: de bedtijden zijn te komen vervallen. Er zijn wel voorwaarden: wil je voor middernacht naar bed, dan hou je je je eigen bedtijd. Na twaalven kan, maar dan moet je wel van te voren een tijd doorgeven waar de nachtzorg rekening mee kan houden. Dat vond de cliëntenraad redelijk, dus gingen we akkoord. Nu, amper een week later, neemt de Nacht zijn eigen woorden terug: tijden doorgeven heeft geen zin, we moeten gewoon maar weer bellen als we naar bed willen. Ik snapte er niets meer van. Wel? Niet? Wat was het nou? Dat, in combinatie met een zware verkoudheid, deed me besluiten om nog even mijn oude schema aan te houden. Ik had geen zin in gedoe. Het volgende weekend besloot ik het gewoon te doen. Om mezelf in te dekken vroeg ik de zorg om toch aan de Nacht door te geven dat ik om halfeen naar bed wilde. Daar zat ik, één minuut na twaalven, nog steeds in mijn rolstoel. Het was bizar, ik voelde me net een klein kind dat iets heel stouts deed. Toen ik belde met de mededeling dat ik naar bed wilde, verwachtte ik half dat ze ‘Nee, dat doen we niet’ zouden zeggen, maar ik kreeg een: ‘We komen eraan.’ Het voelde heel vertrouwd toen de dames van de nacht mij in bed legden. Mijn dekbed werd rechtgetrokken, gevolgd door een snelle knipoog. ‘Tot morgen.’ Ik grijnsde breed. ‘Tot morgen.’ Welkom terug, donkere nacht. Welkom terug, heerlijke vrijheid.


 Week 365: Etentje

 
Gezellig naar de bioscoop of lekker eten in een restaurant. Sintjin en ik zijn bijna acht jaar bij elkaar. We pakken vaak een filmpje, maar we zijn nog nooit romantisch uiteten geweest. Ja, eten met familie, maar nog nooit samen. Ik heb het niet zo op restaurants: daar heb ik altijd het idee dat iedereen op mijn opvallende tafelmanieren let. Toch besloot ik voor vriendlief zijn 27ste verjaardag ergens een tafeltje te reserveren. Dat stond immers al jaren op zijn verlanglijstje. Ik koos voor restaurant Stroming dichtbij huis, zodat we geen taxi hoefden te nemen. En toen ik door de ramen gluurde, zag het er binnen ruim genoeg uit voor een rolstoel. Dat bleek een misrekening, ze hadden ervaring met rolstoelers, maar niet met rolstoelers MET een hulphond. Maar het personeel glimlachte, verbouwde alles en toen zaten we. Mijn voorgerecht: zalm. Lekker… Hoe kreeg ik dit zonder knoeien naar binnen? Ik heb nog noot zo netjes en verkrampt gegeten. De serveerster zag het. ‘Zal ik het hoofdgerecht kleiner laten snijden? Kan hoor.’ Ik knikte dankbaar. Het hoofdgerecht was heerlijk. Toch belandde er een stukje op mijn shirt. Sintjin legde een hand op mijn knie. Ontspan. De vrouw naast ons keek naar me. Mijn hartslag versnelde. ‘Lekkere saté hè?’ Ze zag de vlek niet, ze keek er niet eens naar. Ik grijnsde. ‘Zeker.’ Sintjin pakte mijn hand. ‘Bedankt voor dit smaakvolle cadeau.’ Die avond leerde ik: het gaat niet om het eten of de eventuele vlekken, maar om het juiste gezelschap. 

 

Week 364: Aanhouders

 

Het onderwerp Nachtzorg is het afgelopen jaar talloze malen aan bod gekomen. In vergaderingen en in mijn columns. Wel of geen bedtijden? Gelijk of ongelijk? Ik houd van discussiëren, maar na maandenlang vergaderen daalde mijn optimisme tot het minimum. Kwamen wij ooit van die bedtijden af? De enige manier om daar achter te komen was doorgaan. Doorgaan tot het gaatje. Steeds een stapje hoger. Zo kwamen we! bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden. Deze commissie kijkt naar een meningsverschil tussen twee partijen en besluit welke van de twee er gelijk heeft. Hun besluit is bindend, daarom hebben we lang getwijfeld of we het wel moesten doen. Uiteindelijk besloten we door te zetten en begonnen we met het voorbereiden van onze zaak. Een tijd van plannen en bewijsmateriaal verzamelen ging voorbij en was de hoorzitting daar. Het was net schermen, maar dan met woorden. Ik vond het heel spannend, zeker toen de Nachtzorg over bezuinigingen begon. Maar toen kwamen de vragen die de dame van Nachtzorg niet kon beantwoorden. Je zag haar uit balans raken, stotteren en stilvallen. Dat was voor ons het moment om toe te slaan. Met nog een paar rake opmerkingen hadden we de tegenpartij stil en leek de Commissie op onze hand. Nu, weken later, bleek mijn voorgevoel juist: we hebben gewonnen! De Commissie stelt ons in het gelijk en dus MOET Nachtzorg weer met ons om tafel. Wat dat gaat opleveren weet ik niet, maar dit hebben we als eerste cliëntenraad mooi geflikt. De aanhouder wint

 

Week 363: ‘De man’

 

Iets nieuws voelt altijd onwennig en eng. Zo voelde ik me toen ik voor het eerst in jaren weer op de dansvloer stond. Ik dacht dat ik nog wel even rustig mocht meekijken, maar nee, ik moest direct meedoen. Daar stond ik, naast mijn danspartner. Een korte uitleg en 1, 2, 3… Begin! Met één woord werd ik geblinddoekt van de duikplank gesmeten. Bewegen, bewegen voor je leven! Het enige waar ik me aan kon vastklampen was de korte uitleg en de info dat ik ‘de man’ was. Help! Mijn eerste ingeving was dat ik mijn danspartner moest volgen. Fout, ik moest haar spiegelen. Een tikje op mijn schouder en met een blik liet mijn vriendin Ayesha mij weten dat ik haar kon volgen. Zij was ook ‘de man.’ Ik kreeg de slag te pakken en er brak een grijns door op mijn gezicht. ‘Top!,’ riep mijn partner Marloes. ‘Ontspan, je redt het wel.’ Dat deed ik en niet veel later zat de les er alweer op. ‘En,’ vroeg Marloes, ‘wat vond je ervan?’ De zenuwen waren op haar gezicht te lezen. Ze had laten doorschemeren dat als ik niet wilde, zij niet wist of ze door kon dansen. ‘Ik vond het… geweldig! Dus wat mij betreft…’ Ik stak mijn hand naar haar uit. ‘Partners?’ Het is lang geleden dat ik iemand zo heb zien stralen. Dansen is net als de eerste duik in een ijskoude zee: eerst verstijf je, maar na een paar slagen, wil je niets anders meer.

 

Week 362: Dans

 

Dansen is een perfecte manier om je gevoel te uiten. Lukt het niet met woorden, dan probeer je het met de rest van je lichaam. Ik was vroeger dol op dansen. Op de Mytylschool was rolstoeldansen een vast onderdeel. Iedere vrijdagmiddag keek ik er naar uit. Was ik een talentje? Geen idee, het is lang geleden. Ik liet me meevoeren door de muziek en lette daarom vaak niet op, dat weet ik nog wel. Het ontbrak mij niet aan enthousiasme. Ik vond het leuk en wilde na mijn basisschooltijd blijven dansen, maar had geen flauw idee hoe. Er waren zat organisaties waar ik terecht kon, maar dan had ik wel een danspartner nodig. Waar toverde ik die vandaan? Mijn vrienden waren geen dansliefhebbers en de paar die dat wel waren, hadden al een partner. Optie twee was een advertentie plaatsen in een daarvoor bestemd blad, maar dat durfde ik niet, dus bleef alleen optie drie nog over: niet rolstoeldansen. Ik sloot het hoofdstuk af, maar het is altijd blijven kriebelen. Nu, dertien jaar na mijn laatste dansles, ga ik weer de dansvloer op. Een vriendin heeft mij als haar danspartner gevraagd. Mijn eerste gedachte: hoe gaat dit in mijn toch al drukke schema passen? Mijn tweede gedachte: het lijkt me wel heel erg leuk… En mijn derde gedachte: oh, help.. Mijn danswens is er nog, maar ik vind het spannend. Kan ik het nog? Ach, ik bluf me er wel doorheen en blijf lachen, daar kom je het verste mee.

 

Week 361: Nachtschrijver

 

Ik ben een nachtschrijver. Als het buiten donker en stil is, krijg ik inspiratie. Mijn ouders waren daar niet altijd even blij mee, maar ze lieten me wel doorwerken als het echt nodig was. Toen ik naar Heerhugowaard verhuisde, was dat ook hetgeen waar ik erg naar uit keek: kunnen schrijven voor zo lang ik wilde. Maar toen kwamen de bedtijden. Ik kan best veel in bed: lezen, tv kijken en muziek luisteren, maar niet schrijven. Ik werd er bloedchagrijnig van. Als je inspiratie hebt, is slapen bijna onmogelijk. Dan moet je daar iets mee. Toen ontdekte ik dat het antwoord op mijn probleem onder mijn kussen lag: mijn smartphone, daar kan je ook hele lappen tekst op kwijt. Toegegeven, ik heb eerst behoorlijk zitten klungelen. Typen op een toetsenbord is iets heel anders dan tikken op glas. Lastig, zeker voor iemand met spasme. Maar de woordvoorspelfunctie helpt mij een handje. Nu, na maanden van oefenen, schrijf ik hele scènes liggend in bed. Het kost moeite, maar het lukt. Volgens de Nachtzorg moeten de flatbewoners en ik niet zeuren: de gemiddelde Nederlander ligt immers voor twaalven in zijn bed. Misschien klopt dat feit, maar in bed liggen betekent niet dat we moeten gaan slapen. Dankzij de bedtijden is een groot gedeelte van de flat na twaalven donker, maar achter mijn gordijn brandt nog licht en werk ik aan mijn nieuwe roman. Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Soms springen we net hoog genoeg om de oplossing te zien.

 

Week 360: Springveer

 

De mens is een veerkrachtig wezen. We steunen, kreunen en klagen, maar uiteindelijk komen de meesten van ons onze sores wel weer te boven. Ikzelf heb al tijden problemen met mijn rolstoel. Kappen de accu’s er niet mee dan zijn het vijf regendruppels die voor problemen zorgen. Geen idee hoe vaak ik de afgelopen tijd geroepen heb dat ik het niet meer trok, dat ik op instorten stond. Maar ik functioneer nog steeds naar behoren. Men roept snel “Dit overleef ik niet!” maar is dat echt zo? Meestal leven we de volgende dag gelukkig nog. Ik geef toe, ik kan een Drama Queen zijn, maar ik bedenk me altijd dat het erger kan. Daarvoor hoef ik alleen maar in mijn kennissenkring te kijken: twee ijzersterke dames liggen al maanden onafgebroken in het ziekenhuis. De ene kan haar bed niet uit en moet haar hulphond-maatje missen en de andere weet dat ze gaat sterven. Toch ondergaat ze kuur na kuur. Omdat het leven ondanks zijn lelijkheid ook mooi is en ze er nog van wil genieten. En in het leven zijn er nog steeds wonderen te vinden. Mijn vriendin Jolene, van wie werd gedacht dar ze nooit meer zou kunnen praten, heeft me gebeld. Ik heb haar stem gehoord. Haar lichaam heeft een klap gehad, maar ze praat, lacht en blijft optimistisch. Daar denk ik aan als mijn stoel weer hapert. Het is stom, maar niet levensbedreigend. Ik ben een springveer. Druk me maar naar beneden, ik kom wel weer omhoog.

 

Week 359: Kippensoep

 

Je hebt overal een handboek voor. Ik lees die dingen nooit, ik vind alles liever zelf uit. Hoewel, de afgelopen week had ik toch een handboek kunnen gebruiken. Ziek zijn voor Dummies. Ik had buikgriep. No big deal, maar dit was de eerste keer dat ik “alleen” ziek was. De vorige keer was twee jaar geleden en toen ging ik naar Schoorl, waar mijn ouders mij verzorgden. Nu moest ik zelf een plan van aanpak bedenken. Kippensoep is al jaren het remedie tegen alle kwalen, maar soep maken/opwarmen is voor mij een hele toer en ik wist niet of ik de zorg om hulp kon vragen. Hun taken zijn tegenwoordig zo strak op elkaar gepland dat elke extra handeling behoorlijk wat stress kan opleveren. Gelukkig bleek een blikje soep dat effect niet te hebben. Maar Bindi was er ook nog, de zorg kon haar wel uitlaten, maar dat waren wandelingen van tien passen heen, tien passen terug. Nee, dan deed ik dat wel zelf, ook al waren de verkeersdrempels niet bevorderlijk voor mijn pijnlijke maag. Dat had Bindi ook door, ik heb haar nog nooit zo snel pipi zien doen. Ook moest zij mijn gesteun en gekreun aanhoren, maar dat vond ze schijnbaar niet erg. Uiteindelijk bleek ik geen handboek nodig te hebben, met twee pannen rijst, soep en beschuit ben ik er weer bovenop gekomen. Enig nadeel is dat ik nu geen beschuit of rijstmaaltijden meer kan zien. Drie keer raden wat er voor vanavond op het menu staat…

 

 Week 358: Close

 

Hulphonden zijn er om hun baasje te helpen en soms ook te beschermen. Maar het blijft voor omstanders moeilijk om een hulphond ongestoord zijn werk te laten doen. Van de week stond er een stukje in Noord-Hollands Dagblad over een vrouw die een ongeluk had gehad nadat mensen haar hond hadden afgeleid. Het arme dier was naderhand zo in de war dat hij de epileptische aanval van zijn baas niet voelde aankomen. Resultaat: baasje had een gat in haar hoofd en haar heup uit de kom. Mensen moeten echt beter leren luisteren, want wij hebben onze hond niet voor niets. Zelf ben ik minder streng wat Bindi betreft. Mensen die bij de roedel horen, zoals mijn ouders en Sintjin, mogen haar wel een aaitje geven, maar op mijn werk wil ik dat niet. Men erkent haar, zegt: ‘Hallo, Bindi’ maar meer niet. Ik verbaas me er wel eens over hoe close Bin en ik zijn. Afgelopen donderdag was ik niet lekker, maar besteedde er geen aandacht aan. Bindi wel. Toen ik haar uitliet, gaf ze een ruk naar achteren. We moeten terug, leek ze te willen zeggen. Ze had gelijk: zodra ik me omdraaide, werd ik niet goed. Maar dankzij haar waarschuwing kreeg ik op tijd hulp. Het doet me pijn dat er mensen die denken dat hulphonden gedwongen worden om te werken. Bindi is meer dan een hulphond, ze is mijn liefste vriendin. Ik vraag jullie, hondenliefhebbers, om eerst te kijken, te luisteren en dan pas te doen. Bedankt. 

 

Week 357: Like

 

Ik geef het toe: ik maak gretig gebruik van de moderne technologie. Ik lees geen tijdschriften, maar roddel op Facebook vrolijk mee. En het heeft even geduurd, maar ook ik heb nu een smartphone en WhatsApp heel wat af. Zo ook in de taxi, toen ik op weg was naar een vriendin. De chauffeur zag het en zuchtte. ‘De jongeren zijn vergroeid met hun smartphones tegenwoordig.’ De vrouw die naast mij zat, knikte. ‘Ja. Wat is er met het klassieke “Hallo” en “Dag” gebeurt?’ De chauffeur: ‘Ik heb een telefoon waarmee ik kan sms’en en bellen. Ik heb geen behoefte aan nog meer moderne troep.’ De vrouw (lichtjes blozend): ‘Nou, ik WhatsApp wel. Lekker goedkoop.’ Ik gniffelde in stilte om hun discussie, maar kon ze niet geheel ongelijk geven. We zijn met zijn allen een stuk asocialer geworden door Facebook. Vrijheid van meningsuiting is een ding, maar iedereen zet nu alles online. Ook kwetsende dingen waarmee je vrienden pijn kan doen. Reageer je dan wel of niet? En dan hebben we de nieuwste trend: foto’s van jagers met hun jachttrofeeën zijn hot. Men deelt ze om te laten weten hoe erg ze dat vinden. Maar wat is het nut daarvan? Ik hoef die foto’s niet te zien. Waarom doneer je niet gewoon wat geld aan een organisatie die die mensen stopt? Misschien heb ik geen recht van spreken omdat ik zelf een frequent Facebookgebruiker ben, maar ik geef liever een echte knuffel dan dat ik hem deel. Vind ik leuk.

 

Week 356: Koffie

 

Ik ben dol op koffie. Zonder koffie kom ik ’s ochtends moeilijk vooruit. Vooruit komen is de laatste tijd een hele uitdaging. Ik moet iedere meter die ik rijd zorgvuldig uitkiemen en lange wandelingen met Bindi zijn er niet bij. Mijn stoel laadt nauwelijks op, wat betekent dat ik na een tripje naar de supermarkt (aan het einde van de straat) weer aan de lader moet. Ik beschouw mezelf als een positief persoon. Ik schrijf positieve columns of probeer met een positieve noot te eindigen. Maar ik moet toegeven dat na vier weken van gesteggel mijn positiviteit op is. Ik blijf maar op het display van mijn stoel kijken om te zien hoeveel stroom ik nog over heb. Berekeningen maken in mijn hoofd: welke ritjes zijn essentieel en kan ik dan nog met Bindi wandelen? Belachelijk, ik weet het, maar Welzorg nam mij niet serieus. Evenals mijn theorie over de oorzaak van het probleem. Pas na talloze bezoekjes moesten zij toegeven dat mijn theorie misschien zou kunnen kloppen. Nee, ze konden niet direct langkomen om dat te testen. “Maandag, mevrouw.” Op zo’n moment kan alles je breken. Een kopje koffie, bijvoorbeeld. Ik had boodschappen gedaan, maar was de koffie vergeten. Teruggaan kon niet. Mijn stoel was op. Dat was de druppel. Ik begon te huilen als een klein kind, terwijl vriendlief mij vasthield en zei dat het allemaal wel goed zou komen. Toen vond ik in een keukenkastje iets beters dan koffie. Koffie bestrijdt een ochtendhumeur, warme chocolademelk bestrijdt tranen.

 

Week 355: Luka

 

Een naam is belangrijk, het geeft iemand zijn identiteit. Iemands naam kennen is kennis. Kennis betekent macht. Ik noemde mijn allereerste personage Luca. Niet vanwege mijn zus, maar omdat ik het een mooie naam vond. En omdat het een van de weinige namen was die ik toen kon schrijven. Personages hun naam geven is een cruciaal iets in het schrijfproces. Sommige namen bedenk ik en andere personages hebben al een identiteit. Namen die ik niet kan veranderen, hoe graag ik dat soms ook wil. De Ekster is een recent voorbeeld. Hij lijkt op mijn vriend en gezien zijn reputatie, wist ik niet of vriendlief dat wel zo leuk zou vinden. Maar wat ik ook probeerde, ik kon De Ekster niet veranderen. Gelukkig heeft Sintjin het boek uitgelezen en kon hij lachen om de gelijkenis. Nu is het schrijfproces opnieuw begonnen: het verhaal loopt en nieuwe personages krijgen nieuwe namen. Een broer en een zus. Donker en licht. De naam voor het meisje had ik al: Luna. Maan. Nu alleen nog een naam voor haar broer, haar tegenpool. Toen ik ‘jongensnaam en licht’ intikte op Google, stond er een naam bovenaan: Luka. Dat had ik niet verwacht. Hoewel deze jongen verder niet op mijn zus lijkt, vind ik het mooi dat hij haar naam draagt. Mocht dit boek gepubliceerd worden zal iedereen wel weer een mening hebben, maar ik laat ze praten. Zoals een wijs man ooit zei: de staf kiest de tovenaar. Net zoals het personage soms zijn naam kiest.

 

Week 354: Poseidon

 

Ik herinner me nog de eerste keer dat ik in een elektrische rolstoel (elro) reed. Hij was rood en ontzettend groot. Ik was veel te klein voor de brede zitting, maar dat maakte mij niets uit. Eindelijk kon ik zonder moeite door de schoolgangen rijden. En wat ging het hard! Het was duidelijk dat een elro ideaal voor mij was en ik kreeg er zelf een. Maar ik mocht hem nog niet meenemen naar Schoorl: eerst moest ik rijexamen doen. Dat was lastig: dwing een kind in een racewagen maar om hem niet ten volle te benutten. Dat lukt niet. Eerst lapte ik dan ook alle regels aan mijn laars, maar ik slaagde. Toen ik hem meenam naar huis kreeg ik nog twee regels te horen: rijd nooit door plassen en helemaal niet in de regen. Dan gaat jouw stoel stuk. Daar heb ik me braaf aan gehouden. In het begin. Want zo’n grote plas vraagt er toch echt zelf om en een regenbui laat zich niet inplannen. Maar nat of niet, mijn stoel reed door, dus maakte ik me niet druk. Totdat ik deze week door een miezerbuitje naar mijn werk reed en daar opeens… stilstond. ‘Waterschade,’ zei de monteur. Ik gniffelde. Talloze stortbuien heb ik met mijn stoel getrotseerd en nu werden een paar regendruppels hem teveel? Het moest er een keer van komen. Betekent dat ik vanaf nu naar de grillen van Poseidon zal luisteren? Misschien, voor even. Maar wat is het leven zonder een beetje risico?

 

Week 353: Magie

 

Het schrijversvak is een heerlijk vak. Als het goed gaat. Het afgelopen jaar heb ik van alles geprobeerd: dingen herschreven, nieuwe projecten begonnen. Maar geen enkel verhaal pakte me zoals Zusters van de Zee mij in zijn greep hield. Ik was opzoek naar dat gevoel, de drive die een schrijver voortduwt. Ik heb een jeugdroman gepubliceerd. Dat maakt mij geen expert, maar ik weet wel hoe het schrijfproces bij mij werkt. Als ik de personages voor me zie, wil weten wat ze doen en niet wil stoppen met mijn spionagepraktijken, zit ik goed. Maar dat wilde de laatste tijd niet lukken. Wat ik ook probeerde, ik werd niet meegesleurd door mijn eigen woordenstroom. Misschien werkte het niet zoals bij de Zusters. Toen werd ik benaderd door een fan. Ze had mijn boek verslonden en vroeg of ik nog wat op mijn computer had staan dat ze mocht lezen. Dat had ik, ik brulde van de half afgemaakte projectjes. Ik stuurde haar iets op. Ze was direct enthousiast, zei dat ik er iets mee moest doen. Waarom ook niet? ik ben gaan tikken en ben niet meer gestopt. En toen het eerste hoofdstuk af was, huilde ik. Verhalen schrijven is voor mij iets magisch en even was ik bang dat ik die magie kwijt was. Maar soms ziet iemand anders die magie eerder dan jij en als je mazzel hebt wijst diegene jou de goede kant op. Lieve Bo, Zonder jou had ik deze ruwe diamant over het hoofd gezien. Dankjewel. 

 

Week 352: Uitvliegen

 

Ik zit op het terrasje voor mijn huis en schrijf. Bindi ligt opgekruld naast me en kijkt hoe de zon onder gaat. Dit zijn van die momenten dat ik me realiseer hoeveel ik van deze plek ben gaan houden. Mijn plek. Het is alweer dik twee jaar geleden dat ik Schoorl verliet. Ik was misselijk van de zenuwen voor wat komen ging. Ging ik het wel redden in mijn eentje? Zonder pap en mam? Nu grinnik ik om die angsten en geniet met volle teugen van mijn vrijheid. Nog even en dan is mijn lief aan de beurt, in oktober gaat hij het ouderlijk huis verlaten. Laatst heeft hij zijn stulpje – dat nog in aanbouw is- voor het eerst mogen bekijken. Zijn beschrijving deed mij denken aan mijn eerste huisje in Nieuwe Niedorp. ‘Beginnen de zenuwen al te komen?,’ vroeg ik. ‘Zenuwen? Ik wil er zo snel mogelijk in!,’ antwoordde hij. ‘Ik kan niet wachten totdat jij bij mij langskomt en alles kan zien. Ik wil voor je koken, ik wil dat het ook jouw een thuis wordt. Een beetje.’ Zijn enthousiasme deed me glimlachen. Iedereen ervaart het uitvliegen anders: ik was doodsbenauwd, wilde dikwijls niet. Maar ik heb gedaan en heb het overleefd. Sintjin wil juist niets liever. De zenuwen zullen vast nog wel komen, maar dan ben ik er voor hem. Ook ik ben heel benieuwd naar dit nieuwe hoofdstuk in ons leven. Veel succes met opstijgen, lieverd. En mocht er iets misgaan, ik vlieg vlak naast je.

 

Week 351: Jan

 

Ik vroeg me als kind dikwijls al waarom ik naar school moest. Wat was het nut? Aan het einde van de schooldag leek de helft van wat de leraar mij had geleerd, weer door mijn vingers te glippen. Maar sommige lessen blijven je jouw leven lang bij. De schrijfles van Jan de Wit, bijvoorbeeld. Zijn opdracht was simpel: schrijf een verhaaltje bij het plaatje. Ik kan me de eerste foto die hij mij gaf nog herinneren: een man in een rode cabriolet. Dingen die je leven veranderen vergeet je niet. Ik begon te schrijven en ben niet meer gestopt. Toen ik columniste werd, kwam mijn leraar Duits naar mij toe. ‘Ik moet een boodschap doorgeven. Niet schrikken.’ Hij gaf me twee dikke zoenen. ‘Van je oud-leraar, Jan. Hij is heel erg trots op je.’ Ik lachte. Ergens verbaasde het me niet dat hij mij nog steeds volgde. Afgelopen donderdag had ik de kans om Jan persoonlijk voor alles te bedanken. Hij ging met pensioen en ik was uitgenodigd voor zijn afscheidsfeest. Maar toen ging stoel stuk. Ik kon niet weg. Ik kon me überhaupt niet meer voortbewegen. Hoewel ik lijfelijk niet aanwezig was, was ik er wel in gedachten. Jan, ik weet dat u mijn columns leest en dus wil ik u via deze weg bedanken voor die opdracht van toen. Ik herhaal wat ik in het afscheidsfilmpje heb gezegd: Blijven lezen, misschien kom u uzelf eens tegen tussen de pagina’s van een boek. En als dat gebeurt, niet schrikken. 

 

Week 350: Spiegel

 

Een hond is de spiegel van zijn baas. In de maanden voordat ik Schoorl verliet, viel Bindi kilo’s af. Puur omdat ze mijn stress voelde. Zodra we in Heerhugowaard woonden werd ze weer zichzelf Maar Bin blijft een gevoelige hond. Als ik huil, gaat ze in een hoekje liggen totdat ik weer rustig ben. Dan komt ze kijken of ze iets voor me kan doen. Nu we beiden onze draai hebben gevonden, vergeet ik wel eens hoe gevoelig ze is. Tot drie weken geleden, toen ik hoorde dat mijn vriendin Jolene waarschijnlijk niet meer beter zou worden en bij haar moeder in Engeland zou blijven. Bindi kent Jolene ook. Hoewel het eigenlijk niet mag, kwam ze altijd een knuffel bij haar halen. Toen ze Jolenes naam hoorde, hield ze vragend haar koppie schuin. Dat brak mijn hart en ik moest nog harder huilen. De dag erna ging in een waas aan mij voorbij en toen we thuiskwamen hing de verdrietige sfeer er nog. Toen deed Bindi iets wat ik haar nog nooit heb horen doen: ze begon te huilen. Ik werd er stil van. ‘Luister mop. Jolene is er nog, ze zou niet willen dat wij constant verdrietig zijn. We moeten leuke dingen blijven doen, aan haar denken en blijven hopen. Goed?’ Bindi keek mij lang aan en gaf mij toen haar bal, die ik grinnikend weggooide. Zo vulden we de ruimte met positieve energie, die ik in gedachte naar Jolene stuurde. Jolene, blijf vechten. We denken aan je.

 

Week 349: Drs. P

 

Drs. P is dood. Ik kende deze man niet, totdat mijn vader een plaatje van hem opzette. Ik had nog nooit zulke bizarre teksten gehoord. Zong die vent nou of praatte hij gewoon snel? Maar ik vond zijn liedjes wel grappig. Mijn zus Luca was direct groot fan. Vooral “Het Cafeetje in Sneek” was haar favoriet. Geen idee waarom, maar ze kreeg steeds de slappe lach van dat lied. Je zag haar gewoon grijnzend afwachten en het dan uitschateren. Ikzelf had ook een lievelingsnummer: Tante Constance en tante Mathilde. Dus toen mijn zangjuf vroeg of ik een Nederlands lied wilde instuderen, hoefde ik niet lang na te denken. Helaas werd mijn liedkeuze niet begrepen. ‘Die man zingt niet, hij dreunt maar wat op,’ snoof juf. ‘Jij zingt in ieder geval beter.’ Eh... bedankt? Ik trok me haar commentaar niet aan. Mijn smaak werd wel meer niet begrepen, ik was het gewend. Nu is de woordkunstenaar overleden, ik las het op Facebook. Na een korte check bleek het te kloppen. Terwijl ik zijn repertoire nog eens beluisterde, werd ik overspoeld door warme herinneringen. En toen hoorde ik opeens de naam Pjotter voorbijkomen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe ik op die naam voor de zeeman ben gekomen. Blijkbaar is de naam in mijn hoofd gekropen toen ik luidkeels “Trojka hier, trojka daar!” zong als kind. Heer P, ik dank u zeer voor de naam van mijn favoriete personage en voor de vele lachstuipen van mijn zus. Rust in vrede, grappige woordtovenaar.  

  

eek 248: Oordeel

 

U kent ze wel, de praatjesmakers. Mensen die per se hun geloof of goederen aan u kwijt willen. Aan iedereen, behalve aan mensen in een rolstoel. Toen een man voor de Albert Heijn stond te collecteren, viel mij dat voor het eerst op. Hij klampte iedereen aan, maar mij niet. Je kunt een gehandicapte immers niet om geld vragen. Ook heb ik twee Jehovagetuigen behoorlijk laten schrikken. Ze stonden voor mijn deur toen ik fysiotherapie had. Ik deed open omdat ik dacht dat het de zorg was. Stonden er opeens twee vreemde vrouwen voor mijn neus. Ze schrokken zich rot toen ze mij zagen liggen, met mijn been over de schouder van een man. ‘Wat kan ik voor u doen?,’ vroeg ik. ‘Wij willen u uitnodigen voor het feest van de Heer,’ antwoordde ze. ‘Geen interesse. Tot ziens.’ En weg waren ze. Maar het blijft pijnlijk dat als ik samen met mijn vriend boodschappen doe, hij normaal wordt aangesproken en bij mij hun stem twee octaven omhoog gaat. Ik moet het negeren, maar als een meisje van 16 dat doet, is dat lastig. Helaas moest ik nog eens terug. Alleen. ‘Ga je gezellig nog wat boodschapjes doen?,’ kirde ze. Ik beet op mijn kiezen en reed naar binnen. Toen ik klaar was, stond ze er nog. In een opwelling draaide ik me om. ‘Ik ben fysiek beperkt, niet verstandelijk.’ Haar mond viel open. Ik glimlachte. ‘Fijne dag nog.’ Vooroordelen zijn soms handig, maar ik noem het zoals het is: discriminatie. 

 

Week 347: Lijst

 

Ik denk dat ik eerder kennismaakte met de dood dan de meeste kinderen. Mijn vriendin Marianne overleed toen ik acht was. Marianne was de eerste, na haar overleden er nog meer schoolgenoten. Dat hoort erbij in de wereld van de beperkingen. Niet ieder kind wordt gezond geboren en haalt de volwassenheid niet. Na weer een sterfgeval vroeg ik: ‘Ga jij snel dood, pap?’ Hij knuffelde me en zei dat hij dat nog lang niet van plan was. Ik had onderhand een hele lijst overleden kennissen en vrienden. Toen mijn schoolcarrière ten einde was, hoopte ik dat ook van de lijst. De volgende dag moest ik er helaas nog een naam aan toevoegen. Nu vecht een lieve collega voor haar leven: Jolene. Mijn vriendin Ayesha kwam langs om mij te steunen. ‘Ik haat die lijst,’ zei ik zacht. ‘Ze staat er nog niet op,’ antwoordde Ayesha. ‘Kom, we gaan iets leuks doen.’ Buiten kwam ze met haar duwrolstoel achter me staan en pakte mijn rugleuning beet. ‘Weet je nog wat we vroeger in de schoolgangen deden?’ Dat wist ik nog: ik racete door de gangen terwijl zij achter mij hing. We vonden het geweldig ‘Ik zie niemand.’ Ik hoorde een lach in haar stem en racete over het fietspad. Het werkte: ik voelde me weer kind. Iedereen draagt een zwarte lijst bij zich. De truc is om er niet te vaak op te kijken. Blijf geloven in een goede afloop en laat af en toe het kind in jezelf naar buiten.

 

Week 346: Sorry

 

Ik hield vroeger een dagboek bij. Helaas kwam ik vaak niet verder dan: Lief dagboek, Ik had vandaag een leuke dag op school. We begonnen met rekenen en daarna… Oh, mama zegt dat ik moet opruimen. Dag!’ Opruimen betekende: spullen van mijn bed halen zodat mam mij erin kon leggen. Dat ritueel kostte mij moeite, omdat ik klaar wilde zijn voordat mijn moeder op mijn deur zou kloppen. Maar een spast onder tijdsdruk laat geheid dingen vallen, waardoor het allemaal nóg moeilijker wordt. Wat was ik blij toen die druk weg was. Maar de bedtijden zijn ingegaan, dus… welkom terug, druk. Het begint al een halfuur voordat de zorg voor mijn deur staat. Dan begin ik met opruimen, moet ik Bindi uitlaten en mijn tanden nog poetsen. Ik red het in die tijd, maar dan moet er niets onverwachts gebeuren. Bindi snapt mijn gehaast tijdens de laatste uitlaatronde niet. “Waarom moet ik nú direct pipi doen? Waarom doet baasje zo raar?” Baasje doet zo omdat ze anders de nacht in haar rolstoel moet doorbrengen. Het erge is dat ik vrees dat ik gelijk heb: het maakt niet uit wat jouw reden is dat je te laat bent, de nachtzorg steekt op het naar-bed-breng-gebied geen poot meer uit. Dus hou ik mij als een brave 25-jarige aan mijn bedtijd. Zullen we een keertje ruilen, meneer Rutte? Dan komt u eens aan uw nachtrust toe. Wilt u nog wat drinken voor het slapengaan? Sorry, daar heeft de zorg geen tijd voor. 

 

Week 345: Pjotter

 

Mijn vader is dol op auto’s. Niet op de hippe modellen, maar de gekke. Hij heeft ooit een oude ambulance laten aanpassen om mijn zus en mij erin te kunnen vervoeren. Oké, de oranje streep moest blauw worden gespoten en we mochten de sirene onder geen beding gebruiken, maar ik maakte er de blits mee op school. Ook hebben we de binnenkant gelaten voor wat het was. Compleet met kastjes en interessante gadgets. Ik besloot onze bus Pee Wee te noemen. (een bekende kindershow in de jaren 90) We waren gek op de ambulance en zijn er nog mee naar Ierland geweest. Maar toen werden Luca en ik te lang om nog door de ingang te kunnen passen en moesten we afscheid nemen van onze vriend. Nu, jaren later, hebben we weer een ambulance. Een dierenambulance, overgenomen van mijn neef. Zodra ik erin zat, voelde ik me weer kind. Wat was dit gaaf! Maar pap wilde hem voor het eerst uitproberen door ermee naar onze favoriete band te rijden. Dat vond ik minder leuk. En zoals ik al vreesde moesten we halverwege stoppen omdat ik niet goed vastzat, waardoor we veel te laat aankwamen. Doordat we laat waren, waren de standaardrolstoelplaatsen bezet. De enige mogelijkheid was pal voor het podium. Niet gebruikelijk. ‘Vind je het heel erg?,’ vroeg de zaaldame bezorgd. Mijn antwoord: ‘Neuh.’ ‘Dit was niet gebeurd als we op tijd waren gekomen,’ concludeerde papa. Toen de lichten dimden vroeg hij: ‘En, hoe gaat hij heten?’ Ik grijnsde. ‘Pjotter.’

 

Week 344: Hint   

 

Als ik schrijf pen, typ, kras of mompel ik. Doodsaai om naar te kijken, lijkt me. Toch blijkt dat reuze interessant te zijn. Ik schrijf meestal thuis, alleen. Op de dagen dat ik buitenshuis werk doe ik het daar, in mijn resterende uren. Dan zet ik een koptelefoon op om me te kunnen concentreren. Je zou toch denken dat een koptelefoon op je oren gelijk staat aan een bordje ‘Niet Storen’ en dat men de hint wel begrijpt. Niet dus. Ik weet niet wat het is, maar als ik in de computerruimte werk, gaat er altijd iemand tegen me kletsen. Iets waar ik dan totaal niet op zit te wachten. Negeren is een optie, maar ik weet ondertussen dat dat niet helpt. Het maakt niet uit of reageer of de spreker wel of niet aankijk, de meesten lullen toch gewoon door. Of ze blijven me net zolang aanstaren dat ik wel moet reageren. Toen ik nog alleen maar thuis schreef, verging ik bijna van het gebrek aan sociaal contact en nu irriteren die contacten mij soms. Ik wil niet terug naar hoe het eerst was. Ik ben een gezelligheidsdier en heb mensen om mij heen nodig, maar voor het schrijfproces moet ik alleen met mezelf zijn. Voor sommige mensen is een geërgerde zucht of blik niet voldoende om de boodschap te kunnen begrijpen. Misschien moet ik mijn moeder vragen om een ketting te maken waar de woorden ‘Niet storen’ aan hangen. Wie weet, misschien komt de hint dan wel over.

  

Week 343: Politicus

 

Ik dacht: als een carrière als schrijfster niet lukt, ga ik de politiek in. Nu zit ik in de cliëntenraad van onze flat en krijg verschillende kwesties voorgelegd. Kleintjes zoals onderhoudsproblemen, maar ook grote zoals gedwongen bedtijden. Terwijl we ons daarover bogen ontdekte ik dat ik een minder goede politicus zou zijn dan dat ik had verwacht. Politici discussiëren terwijl ze hun eigen standpunt in het oog houden. Wij, de cliënten, willen naar bed wanneer we willen, maar dat betekent dat de zorg langer door moet. Dat is zwaar voor de dames. Toen ik dat aankaartte tijdens de vergadering, werd er gezegd dat ik daar zat voor de cliënten, niet de medewerkers. Klopt, maar ik mag de dames graag en snapte hun punt ook. We hebben gestreden, maar de bedtijden gaan er toch komen. Mijn lijst met tijden ligt op tafel. Toen ik ze doorlas, besefte ik dat ik er redelijk van af kwam: er wordt duidelijk rekening gehouden met mij en Bindi. Toch moest ik huilen. Vriendlief zag het. ‘Hé, het had erger gekend.’ Ik knikte. ‘Ik lig er snel in, daar hen ik mazzel mee. Maar dat is niet bij iedereen zo en sommigen kunnen niets meer als ze liggen. Ik wel. Ik HAAT die verplichte bedtijden!’ ‘Ga je je nou schuldig voelen? Jij hebt hier niet voor gekozen. Je bent veel te lief.’ Sintjin knuffelde me. Misschien heeft hij gelijk en ben ik te lief. Conclusie: een carrière in de politiek zit er voor mij niet in

 

Week 342: Fiets

 

Als rolstoeler heb je niet veel keuze in de manieren van voortbewegen. De rolstoel zelf is de bekendste manier, maar voor sommigen is er nog een optie: de fiets. Ik heb vroeger gefietst en vond het geweldig, om precies dezelfde reden dat mijn lopende klasgenoten het fantastisch vonden om een keer in een elro  (elektrische rolstoel) te rijden: het is eens wat anders. Zij vonden het leuk dat ze konden racen zonder lichamelijke inspanning, ik vond het leuk te racen dóór mijn lichamelijke inspanning. In een elro beweeg je nauwelijks: je beweegt de besturingspook, that’s it. Dus geeft het een kick als je kunt bewegen en de adrenaline voelt stromen. Fietsen had voor mij helaas een nadeel: ik kreeg er blaren van op mijn kont. Zo erg dat ik nauwelijks nog kon zitten. De fiets veranderde in een martelaar waar ik niets meer mee te maken wilde hebben. Daarom stapte ik over op de handbike, een fiets die je met je handen voortbeweegt. Maar dat bleek voor mij lichamelijk niet mogelijk, dus dat was het einde van mijn fietsavontuur. Ik baalde verschrikkelijk. Dit was jaren geleden, ik dacht er niet meer aan totdat ik een fietstrainer op bol.com zag staan. Voor benen én armen. Ik heb hem direct bestelt en ben als een kind zo blij: ik kan het ding op mijn blad zetten en zo prima bij de trappers. Dus van de zomer ga ik lekker lang fietsen. In de tuin, terwijl Bindi lekker naast me ligt te slapen.


Week 341: Winst

 

Ik heb het eerder gezegd: afhankelijkheid is geen zonde, maar het moet niet te erg worden. Door mijn beperking ben ik afhankelijk van veel dingen, zoals mijn rolstoel. Helaas zorgt die afhankelijkheid er voor dat ik over twee weken niet meer na middernacht naar bed kan. Dan stopt onze alternatieve nachtzorg en moeten we terug naar het oude team. Het team dat weigert mensen naar bed te brengen. Hallo bedtijden, vaarwel nachtelijke vrijheid. Ik geloof niet in verlies, ik probeer altijd het positieve in dingen te zien. Maar ik moet toegeven dat dit een rauw verlies is. Ik heb deze strijd niet kunnen winnen, dus besloot ik mijn vrijheid op een ander gebied terug te pakken: zelfstandig van en naar mijn werk rijden. Dat wilde ik al vanaf het moment dat ik in Heerhugowaard kwam wonen. Ik heb mijn hele leven met taxi’s gereisd, dus hoewel ik dit een goed idee vond, vond ik het ook doodeng. Dat doet afhankelijkheid met je: het maakt je onzeker als je iets anders wilt proberen. Dus toen ik besloot de route te rijden, waren mijn handen klam en lag hyperventilatie op de loer. Bindi bleef me bezorgde blikken toewerpen terwijl wij steeds dichterbij ons doel kwamen. De missie slaagde: we kwamen zonder kleerscheuren bij mijn werk aan. Het is een tijd geleden dat ik zo hard heb gejuicht. Deze overwinning heb ik in de pocket. Afhankelijkheid is geen zonde, maar het doet ons soms uit het oog verliezen wat we nog wel kunnen.

  

Week 340: Evolutie

 

Ik was vroeger geen meisjesmeisje: ik speelde niet met poppen en haatte de kleur roze. Maar Ik vond het prachtig om poppen tot leven te zien komen op het toneel. Dat gebeurde in ons oude buurtcentrum de Oorsprong. Ik zie mezelf nog over de klinkers hobbelen op weg het kleine theater. Ila van der Pouw speelde er geregeld, ik vond haar stukken geweldig. Het maakte me niet uit dat ik De Zwanenprinses al tig keer had gezien, ik ging erheen. Dat zijn jeugdherinneringen die ik glimlachend bij mij draag. Alles moet tegenwoordig sneller en spectaculairder. Het lijkt een wereld waarin een klein, intiem poppentheater niet meer thuishoort. Maar goddank had ik het mis. Een maand geleden introduceerde zender SBS 6 Popstars, een programma waarin poppenspelers hun magie laten zien en een grote som geld kunnen winnen. Al bij de eerste aflevering was ik verkocht. Toegegeven, niet alle acts waren even goed – sommigen waren ronduit smakeloos- maar ik genoot met volle teugen. Ze waren er, de poppen met een ziel. Zo echt dat hun bespeler geheel uit beeld verdween. Zelf hou ik nog steeds het meest van de oude marionetten en handpoppen, maar dat ben ik. Er is een jonge generatie opgestaan die het vak nieuw leven inblaast. Evolutie, heet dat en wat ben ik blij dat dat nu is gebeurt. Laat mij maar van de oude stempel zijn, ik vind het niet erg. Ik ben geen zeven meer, maar ik ben nog even kritisch als toen. Misschien nog wel kritischer.

 

Week 339: Aorta

 

Stroom schijnt de aorta van onze samenleving te zijn, zonder kunnen we niet overleven, hoorde ik op RTL Nieuws. Ik vind deze uitspraak erg verontrustend, maar ik kan niet zeggen dat het onzin is. Afgelopen vrijdag viel de stroom uit. Direct was heel Nederland in paniek. Ik zat rustig te lezen toen het gebeurde. De onrust begon bij mij pas toen de tussendeur dichtviel en ik me realiseerde dat ik niet meer zelf mijn huis uit kon. Maar ik was niet in paniek, ik wist dat hulp dichtbij was. Mij viel de chaos pas op toen ik naar mijn werk ging: alle stoplichten waren uit en geen enkele automobilist leek te weten wat hij moest doen. Doorrijden? Stoppen? Wat waren de verkeersregels ook al weer? Help! De paniek was compleet toen twee auto’s bijna op elkaar knalden. Eenmaal op mijn werk, kon ik mijn lach nauwelijks inhouden. De techneuten van het bedrijf (lichtelijk autistisch) waren helemaal van de kaart. “De computers doen het niet! “Mijn Wi-Fi ligt eruit! Wat nu?!” Gniffelend ben ik bij het raam gaan zitten en ben gaan lezen. Ik had als telefoniste/receptioniste toch niks te doen. Stroom is noodzakelijk voor veel dingen. Denk aan mijn rolstoel, beademingsapparaten en tijdens operaties, maar ergens denk ik dat het goed zou zijn als de stroom eens in het halfjaar werd uitgezet. Dan worden we misschien vindingrijk en leren we wat me moeten doen als we echt lang zonder zitten. Afhankelijkheid is geen zonde, maar het moet niet teveel worden.

 

Week 338: Gehandicapt

 

Ik heb een beperking, maar zo ervaar ik het zelf niet. Voor mij is leven in een rolstoel normaal. Maar nu voel ik mij echt gehandicapt: mijn goede hand is buiten werking. Oorzaak: een peesontsteking. Bloedirritant, want ik kan niks meer. Schrijven, bellen, rijden: het doet zeer. De oplossing is simpel: rust honden. Maar ik kan niet verplicht niks doen, daar krijg ik de kriebels van. Gelukkig ben ik creatief. Ik bestuur mijn stoel buiten met vlakke hand en in huis gebruik ik mijn slechte hand. Daar maakt het niet uit of ik ergens tegenaan knal. En wat deze column betreft, die schrijf ik met rechts, iets wat ik altijd onmogelijk achtte. Ik moet toegeven dat het me moeite kost, maar mijn laptop helpt een handje. Die blijkt een voorspelfunctie te hebben: ik begin een woord en hij maakt het af. Nooit geweten. Zo zie je maar weer: iedere dag leer je wat nieuws, zelfs als je in de lappenmand ligt. Geen column inleveren was voor mij geen optie. Noem mij koppig, maar ik heb in mijn loopbaan als columnist maar drie keer geen column ingeleverd. Twee keer was ziekte de oorzaak en de derde keer was is mijn examentijd. Alle drie die keren baalde ik als een stekker. Ik schrijf al jaren iedere week consequent een column en daar ben ik trots op. Misschien is mijn blessure straks van links naar rechts verhuist, maar dat zie ik dan wel weer. Misschien is typen met mijn neus dan een optie.

 

Week 337: Hartzeer

 

Ik mis mijn vriendje. Sintjin is aan het skiën in Oostenrijk. Ik gun hem een leuke vakantie en had niet verwacht dat ik hem zou gaan missen. Doordeweeks zie ik hem nooit en we slaan soms ook een dateweekend over. Maar het voelt toch anders als jouw lief het land uit is. Misschien is het de onbewuste wetenschap dat als er iets gebeurt, je niet snel bij elkaar kunt zijn. Wat de reden ook is, ik heb me de afgelopen tijd vreselijk aan mezelf zitten ergeren. Ik voel me weer 17, een verliefde puber die niets liever wil dan bij haar vriendje zijn. Het is alsof er constant zo’n irritante vlieg langs je oor zoemt: je wilt je wel op je werk concentreren, maar het gaat niet. Ik loop ook niet met mijn hartzeer te koop: het laatste wat ik wil is als een jengelende vriendin overkomen. Ik ben ook een van de weinigen in mijn vriendenkring met een lange relatie. Vrienden proberen me te helpen, maar zonder succes. Ik vond uiteindelijk hulp op de wc, bij verzorgster Marieke. ‘Je mist jouw vent, hè?,’ zei ze. Ik knik. ‘Ik irriteer me mateloos aan mezelf.’ Marieke glimlachte. ‘Dat heb ik ook als mijn man weg is voor zijn werk. Het zou zorgwekkend zijn als je dit niet zou voelen.’ Er rolt een traan over mijn wang die zij wegveegt. ‘Een traan van liefde is niet stom, maar een compliment voor jullie relatie.’ Ik glimlachte. Zo had ik het nog niet bekeken. 

 
Week 336: Groei

 

Het wordt lente, de krokusjes zijn al zichtbaar in mijn tuin. Vorig jaar bloeiden ze nog niet. De lente staat symbool voor een nieuw begin. Heeft u wensen? Wilt u iets anders gaan aanpakken? De mens is nooit lang tevreden. We willen na verloop van tijd allemaal meer of iets anders. Daar ben ik geen uitzondering op. Ik ben gelukkig in Heerhugowaard, maar soms vraag ik me af wat er was gebeurd als ik andere keuzes had gemaakt, eerdere plannen had doorgezet. Zoals Purmerend, mijn eerste verhuisplan. Sintjin en ik zijn nu 7 jaar bij elkaar en de drang om bij elkaar te zijn groeit. Wat als ik had doorgezet? Dan had ik nu twee straten bij hem vandaan gewoond. Sterker nog, dan hadden we vanaf oktober 2015 in dezelfde straat gewoond. Sintjin verhuist dan naar een flat vlakbij de woonvoorziening waar ik dan had gewoond. Geen zorgen pap en mam, ik wil niet wéér verhuizen. Mijn huis is te mooi om die gok te wagen. Maar is het gek dat ik af en toe op mijn lip bijt en denk: ‘Wat als…? Grappig, toen ik als columniste begon had ik nooit gedacht deze wens ooit in een column te verwerken. Er is zoveel verandert sinds mijn eerste gedachtenspinsels in de krant verschenen… Samenwonen zit er nog niet in, maar we zouden het in de toekomst wel willen. Zoals ik in één van mijn eerste columns zei: een meisje mag toch dromen? Totdat die droom uitkomt, woon ik hier prima.

 

Week 335: Begrip

 

Oma vroeg me wat ik doordeweeks nog meer deed, behalve schrijven. ‘Ik werk ook op een bedrijf,’ antwoordde ik. ‘Oh,’ zei oma, ‘werken daar nog meer gehandicapten?’ Ik grinnikte. ‘Ja, oma, daar werken nog meer gehandicapten.’ Het woord ‘gehandicapten’ wordt nauwelijks nog gebruikt. Velen vinden het een beledigende klank hebben, mensen met een beperking klinkt beter. Zelf heb ik er geen probleem mee als oma zoiets zegt, ze bedoelt het niet verkeerd. Zoveel mensen, zoveel meningen. Tegenwoordig moet iedereen uitkijken met wat hij zegt, voor je het weet heb je een boze menigte achter je aan. Denk aan de Zwarte Pieten-discussie: ik begrijp dat de slavernij voor veel mensen een pijnlijk onderwerp is, maar zo zien kinderen het niet. Voor hen is Zwarte Piet gewoon de vrolijke helper van Sinterklaas. Gehandicapten, Zwarte Pieten, negerzoenen. Allemaal benamingen die volgens de Nederlandse bevolking niet meer kunnen. Ik begrijp het, maar sorry, voor mij zal een negerzoen altijd een negerzoen blijven. Omdat ik daarmee ben opgegroeid, ik wist niet eens wat ‘neger’ betekende, laat staan wat racisme was. En nu zit het in mijn systeem. Ik kan het Zoenen gaan noemen, maar dan verspreek ik me geheid. Ben ik dan een racist? Nee. Ik kan oma haar woordkeuze ook niet verwijten, ze is 90 en dit zit in haar systeem. Woorden kunnen snijden. Sommige mensen discrimineren bewust, anderen onbewust. Zoals mijn oma. Ik wou dat men meer begrip had voor die laatste groep, dan zou de wereld een stuk mooier en rustiger zijn.


Nachtmerrie

Ik strijd altijd voor waarin ik geloof en geef niet makkelijk op. Maar ik en de andere leden van de cliëntenraad beginnen door onze munitie heen te raken Tenzij er een wonder gebeurt, moeten we per 1 mei voor twaalven naar bed. In pyjama naar de bioscoop en bezoek liggend ontvangen. Her klinkt bizar, maar dat is straks voor mij waarschijnlijk de enige manier om ’s avonds nog iets leuks te doen. Vorig jaar mei kwam onze nachtzorg met de mededeling dat ze geen mensen meer naar bed gingen brengen. We moesten maar een andere oplossing verzinnen. Die mededeling zorgde voor woedende reacties. Deze maatregel zou er voor zorgen dat ik niet meer tot in de late uurtjes kon schrijven en mijn buurman zijn schaakclub vaarwel kon zeggen. Weg sociaal leven. Maar ons protest werd weggewuifd. ‘Vele woonvormen doen het al jaren zo. Waarom doen jullie zo moeilijk?’ De cliëntenraad kwam in opstand. We hebben de bedtijden een jaar weten uit te stellen. Een jaar waarin we een oplossing proberen te bedenken, maar onze opties raken op en het jaar is bijna om. Iets waarmee wij tijdens de laatste vergadering werden geconfronteerd. ‘We kunnen niet veel kanten meer op, hè?,’ concludeerde ik. Bindi stond op en likte mijn wang. ‘Waarom doet ze dat?,’ vroeg een mederaadslid. ‘Omdat ze voelt dat ik verdrietig ben,’ antwoordde ik. Als we er niet uit komen zal de hoge raad over ons lot beslissen. En dit allemaal vanwege de bezuinigingen. Meneer de president, slaap zacht.


Week 333: Roosbeef


 

Soms is het geen liefde op het eerste gezicht, soms moet die liefde groeien. Dat had ik met de band Roosbeef. De eerste keer dat ik hun muziek hoorde, riep ik: ‘Die meid lijkt wel stoned!’ Mam antwoordde: ‘Die meid en jij hebben meer met elkaar gemeen dan je denkt. Beter luisteren.’ Die maandag sneuvelde mijn iPod en nam ik die van mijn moeder mee naar school. Veel stond er niet op, dus luisterde ik naar de enige band die ik kende: Roosbeef. Met een koptelefoon op luisterde ik naar de teksten van een meisje. Een meisje die ongeveer dezelfde dingen meemaakte als ik en dat prachtig wist te verwoorden. Een woordkunstenares. Aan het einde van die dag was ik fan. Roosbeef liet me inzien dat de angsten die ik had helemaal niet raar waren. Het is moeilijk om het ouderlijk huis te verlaten en je te beseffen dat jij en je ouders een eigen leven gaan leiden. Stom misschien, maar ik was bang dat als ik eenmaal weg was, mij ouders niet meer aan mij zouden denken Roosbeef zingt hierover: Denkt mijn papa nu aan mij? Denkt mijn mama nu aan mij? Hebben ze net als ik al koffie gezet of liggen ze nog op bed? Plotsklaps voelde ik me begrepen. Hun cd’s vertellen steeds over een nieuw hoofdstuk uit hun leven. Hoofdstukken die nog steeds gelijk lopen met die van mij. Eigenlijk zijn hun liedjes gezongen columns. Gezongen columns vol humor, warmte en eerlijkheid die ik graag beluister.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

 

Week 332: Docu

 

Stagiaires reageren in het begin bijna allemaal hetzelfde: ze komen samen met een begeleider binnen en gaan muisstil in een hoekje staan observeren. Ze zeggen nagenoeg niets, kijken alleen. Daar krijg ik de kriebels van. Praat! Ik snap het wel, ze zijn jong en nerveus. Maar ondertussen heb ik het idee dat ik de hoofdrol speel in een natuurdocumentaire. En dan is er ook nog interesse in de verlengde versie van die docu. Of ik het goed vind dat ze meekijken bij het douchen? Nou, liever niet. Meestal is het antwoord dan ‘Oké’ maar nu sprak de stagiaire: ‘Dat hoeft nog niet hoor.’ Luister eens jongedame, wilde ik snauwen, als ik jou voorlopig nog niet bij mij in de badkamer wil hebben, gebeurt dat ook niet! Maar ik hield mijn mond en Lea nam de stagiaire mee naar een andere cliënt. Toen Lea mij later die avond naar bed hielp, zei ze. ‘Ik heb jou wel eens samen met een stagiaire gedoucht, dat vond je toen geen probleem. Waarom nu wel?’ ‘Ze hoeft me niet direct naakt te zien, ik ken haar niet. Het is te… ongemakkelijk.’ Lea knikte. ‘ Toen jij hier kwam wonen, moest ik wennen met de zorg, want jij bent van mijn leeftijd, dat was nieuw voor me. Zoiets is wennen voor beiden partijen, maar het komt goed. Kijk naar ons. Geef haar een kans, ze is echt aardig.’ Ik knikte. Lea had gelijk: een documentaire belicht maar een heel klein deel van het echte verhaal.


Week 331: Revue
 

 

Als kind kleedde en praatte ik anders, wat gegniffel opleverde, maar dat kon mij niets schelen. Ik ben een jaren 50-liefhebber: de stijl, de muziek, ik vind het geweldig. Dus toen omroep MAX met ‘Moeder, ik wil bij de revue’ kwam, was ik verkocht. De serie gaat over kolenboer Bob die als hij in aanraking komt net de revue besluit zijn dorp te verlaten en zijn droom te volgen. Ik herkende mezelf in Bob: mijn vertrouwde leventje ging ook veranderen en ik was doodsbang. De laatste aflevering was een paar weken voordat ik het huis uit ging. Bob zong: ‘Het dorp’ en ik beet op mijn knokkels, omdat ik niet wilde dat mam mij hoorde huilen. De serie heeft mij door een moeilijke tijd geholpen en twee jaar na dato is er de musical. Daar moest ik natuurlijk heen! Maar kaartjes waren prijzig… Uiteindelijk kreeg ik de musical van mijn ouders cadeau en dit weekend was het zover. Ik was veruit de jongste en opgetogenste in de zaal. Zeker toen de hele originele musicalcast opkwam (‘Kijk mam, Simone! SIMONE KLEINSMA!’). De dame voor ons ergerde zich dood, omdat ik steeds meezong, maar ik kon niet stoppen. En toen kwam het nummer dat voor mij zoveel betekent: het dorp. Tranen stroomden over mijn wangen toen de eerste klanken klonken. Ik beleefde alles weer en besefte hoever ik ben gekomen de afgelopen jaren. Dus toen het doek viel, was er een meisje met natte wangen die keihard klapte. Dat meisje was ik.

 

Week 330: Privacy


 
Ik ben een open boek. Omdat ik het ben en omdat ik het moet zijn. Ik schrijf wekelijks met plezier een column die iedereen kan lezen. Anderzijds hebben talloze mensen mij naakt gezien en dat aantal blijft stijgen. Niet leuk, maar het wendt. De zorg houdt hier alles nauwkeurig bij. Zelfs het resultaat van mijn toiletbezoek werd tot verkort in een map genoteerd. Velen kennen mijn verhaal en dat heeft nadelen. Hoewel mijn boek Zusters van de Zee niet over mijn beperking gaat, zijn het merendeel van de journalisten daar het meeste in geïnteresseerd. Iets wat mij mateloos irriteert. Mijn uitgever Oscar weet dat en belde me na een interview op om te vragen of ik wel lief was geweest. Ik kan inderdaad link worden als de vragen mij niet zinnen. Dan ga ik eerst heel politiekcorrect praten waarna ik diegene verbaal neersabel. Deze week moest ik vragen voor mijn ondersteuningsplan invullen. Persoonlijke vragen waar hooggeplaatste heren antwoord op eisten. Eén van die vragen was: Hoe ga je om met seksualiteit en wat betekent dit voor jou? Mijn haren gingen rechtovereind staan. ‘Ja, ik heb seksuele gevoelens’, gromde ik. ‘En u? Hoe staat het met uw seksuele gevoelens?’ Niet een antwoord waar ze blij mee zouden zijn, dus besloot ik voor de brave variant te gaan, namelijk: mijn partner en ik hebben een hele normale relatie. Geen bevredigend antwoord, vind ik, maar ik heb tenminste iets van mijn privacy behouden en ben lief gebleven. Oscar zou trots op me zijn.

 

Week 329: Happy end

 

Soms zijn de spoken in ons hoofd enger dan de werkelijkheid. Toen Mathijs een auto-ongeluk had gekregen wilde ik direct naar hem toe, maar mocht het niet. En toen hij weer thuis was, durfde ik niet. Wat zou ik aantreffen? Een gebroken man in bed? Toen ik uiteindelijk voor zijn deur stond, deed Mathijs zelf voor mij open. Zittend in zijn rolstoel, breed grijnzend. ‘Fijn je weer te zien, Rob.’ Geen gebroken man, maar gewoon Mathijs. De duizend kilo die sinds zijn ongeluk op mijn schouders rustte, loste op. ‘Wil jij mij NOOIT meer zo laten schrikken?’ ‘Sorry. Koffie?’ We schoten in de lach. ‘Hoe gaat het schrijven?,’ vroeg Mathijs even later. ‘Goed. Totdat mijn beste vriend een auto-ongeluk kreeg.’ We vielen stil, terugdenkend aan die avond. De signeersessie, gevolgd door het ongeluk. Bizar. Ik zag ‘Zusters van de Zee’ op zijn bureau liggen. ‘Heb je hem al uit?’ ‘Nee, ik moet nog één hoofdstuk.’ ‘Zal ik die aan je voorlezen?’ Hij knikte en ik begon. Het voelde goed, als een afsluiting van een hele dubbele periode. ‘Mooi,’ zei Mathijs toen ik het boek dichtsloeg. Hij zuchtte. ‘Ik ben zo blij dat ik er nog ben.’ Ik glimlachte. ‘Anders ik wel.’ In de taxi op weg naar huis voelde ik me voor het eerst in tijden vederlicht. Bindi keek me aan en ik aaide haar kop. ‘Ik denk dat het schrijven vanaf nu weer veel makkelijker zal gaan, Bin. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een happy end.’ 


Week 328: Zijspoor

 

Als iets een succes is, wordt dat succes zoveel mogelijk uitgesmeerd. Paul van Loon heeft al talloze boeken over Dolfje Weerwolfje geschreven en de Hoe Overleef ik…?-serie blijft maar groeien. Daarom weigerde ik een vervolg op Zusters van de Zee te schrijven. Hetzelfde concept eindeloos uitmelken? Dat nooit! Maar toen las ik een recensie over Zusters van de Zee. De recessent schreef dat hij het jammer was dat ik bepaalde bijzondere karakters niet verder had uitgewerkt. Eén van die personages kon ik direct raden: Pjotter, de zeeman die de giek van het schip tegen zijn hoofd heeft gekregen en sindsdien anders praat, waardoor iedereen denkt dat hij gek is. Maar dat is hij niet, het is een wijs man die niet veel over zijn verleden prijsgeeft. Een verleden waar ik – na die opmerking- nieuwsgierig naar was geworden. Wie was Pjotter eigenlijk? Voordat ik het wist, was ik zijn verleden aan het uitwerken op papier. Gewoon voor mezelf, om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Maar wat begon als een klein projectje, begint grote vormen aan te nemen. Het eerste hoofdstuk is bijna af en ik kan niet meer stoppen. De uitgever weet waar ik mee bezig ben en is nieuwsgierig waar dit naartoe gaat. Ik ook, dus laat ik mijn verzet varen en blijf schrijven. Een vervolg is dus niet altijd een vooropgezet plan. Soms is hij er gewoon en kan je niets anders doen dan met je gevoel meegaan. Hoewel ik het verhaal van Pjotter geen vervolg vind, eerder een zijspoor. 

  

Week 327: Willy

 

Ik woon alweer bijna twee jaar op mezelf. Toen ik nog in Nieuwe Niedorp woonde, bracht ik nog veel weekendjes in Schoorl door, maar dat is niet meer zo. Dus toen ik afgelopen zaterdag mijn ouderlijk huis binnenreed om daar een nachtje te logeren, voelde dat vreemd. Huize Willy is verandert: de dwaasheid is vervangen door een nette inrichting. Leuk voor velen, maar ik vind het niks. Ook Sintjin merkte de veranderingen op. ‘Oh. Dit is… eh…’ ‘Anders? Ik weet het.’ Het voelde vertrouwd om Sintjins hand te pakken en samen naar de Disney-marathon te kijken, maar ik voelde me een vreemde tussen die basic-tinten. ‘En? Wat vind je ervan?,’ vroeg papa me. ‘Ik voel me meer thuis in mijn huis,’ antwoordde ik. En besefte dat ik het meende. Toen ik die avond in bed lag, staarde ik naar de lichtkoepel. Als kind had ik een hekel aan dat ding, maar nu was ik blij dat hij er nog was. Onveranderd. Sintjin deed het licht uit. ‘Ik was vergeten hoe donker het hier ’s nachts wordt,’ giechelde ik. ‘Weet je nog, de eerste keer dat je mijn hand vastpakte?’ Sintjin verstrengelde zijn vingers met de mijne. ‘Dat was in deze kamer.’ Ik glimlachte. ‘De eerste liefdesverklaring, de eerste kus, de eerste keer dat je bleef slapen. Zoveel eerste keren en allemaal hier.’ Sintjin grinnikte. ‘Ja, huize Willy is verandert, maar deze muren hebben alles gezien.’ ‘Dan is het maar goed dat Willy niet kan praten,’ zei ik en kuste hem.

 

Week 326: Euforie  

 

Dit is mijn laatste column van dit jaar. 2014 was een jaar vol emoties. Met als hoogtepunt de geboorte van mijn boek Zusters van de Zee. Ik zie mezelf nog zitten met mijn mobieltje in mijn bevende hand. ‘Als dit een grapje is Oscar, dan is het niet leuk…’ Dat was het niet: een paar maanden later was ik aan de laatste versie van de Zusters bezig. Het was keihard werken, maar ik weet nu zeker dat ik in dit vak verder wil. Een grotere kick bestaat er niet. Na de publicatie kwam de presentatie en signeersessie in boekhandel Thomas.  Ik heb me nog nooit zo euforisch gevoeld als toen. Iedereen die mij lief is was er, waaronder mijn goede vriend, Mathijs. Ik zie hem nog stralend ‘Goed gedaan, meid!’ zeggen. Diezelfde avond werden hij en zijn vader aangereden, waarbij Mathijs uit zijn rolstoel werd geslingerd. Weg euforie, hallo angst. Ik heb mijn longen schor geschreeuwd toen ik het hoorde. Gelukkig maken ze het naar omstandigheden goed: Mathijs’ vader is thuis en Mathijs zelf ligt nog in het ziekenhuis, maar krabbelt iedere dag weer ietsje op. Ik heb geen goede voornemens voor in het nieuwe jaar. Ik ben blij met hoe alles gaat en stel geen specifiek doel voor mezelf: ik zie wel hoe het loopt. Ik heb alleen de wens dat alles goedkomt met Mathijs en dat we elkaar snel weer zien. Met die woorden sluit ik mijn column en wens al mijn lezers, bovenal Mathijs, een gezond Nieuwjaar.

 

Week 325: Mist

 

Zusters van de Zee ligt nog maar net in de winkel, maar voor mij zijn Anna en De Ekster allang vertrokken. Ik wil aan een nieuw avontuur beginnen, maar dat is lastig. Ik heb wel ideeën, maar ze zijn vaag, alsof ik door dikke mist probeer te turen. Dat is frustrerend, vermoeiend en doet mijn humeur geen goed. Wanneer ik mijn probleem bespreek, krijg ik een standaard “komt wel goed.” Dat zal best, maar wat moet ik in de tussentijd? Ik heb mijn frustraties lang proberen te verbergen, maar mijn lontje word steeds korter. Sintjin merkt het. Ik ben een knuffelaar, maar kan het nu absoluut niet hebben. ‘Ga je me nog vertellen wat er is?,’ vroeg hij toen we in bed lagen. ‘Ik heb een writer’s block,’ zuchtte ik. ‘En als je gaat zeggen dat het wel weer goed komt, ga ik gillen.’ Dat deed Sintjin niet, hij trok mij tegen zich aan. ‘De Zusters kende ik al jaren, ik kan die verhaallijn dromen. Het is gewoon lastig om aan iets nieuws te beginnen,’ bekende ik. ‘Ik heb wel ideeën, maar…’ En die zijn?,’ vroeg Sintjin. Ik vertelde het hem, net zoals ik bij ZvdZ heb gedaan. ‘Ik vind het prachtig,’ zei Sintjin toen ik uitgesproken was. ‘Ik wou dat wij zulke avonturen konden beleven.’ Ik lachte. ‘Ik heb jouw familie ontmoet, dat vond ik een avontuur.’ Toen we gingen slapen, merkte ik dat de mist in mijn hoofd iets was opgetrokken. Ik kan weer een beetje vooruit kijken.

  

Week 324: Ijs

 

Sintjin kent mijn familie, maar ik de zijne niet. Zijn ouders zeiden hallo en dag tegen me. Verder ging onze relatie niet. Ik dacht dat zij me niet mochten, omdat ze mij niet goed genoeg vonden voor hun zoon, hoewel Sintjin dat ontkende. Ik besloot mijn twijfels te laten voor wat ze waren. Tot het afgelopen weekend. Zijn ouders en zus gingen gourmetten en Sintjin en ik zouden naar de film gaan. Maar de film ging niet door, dus kwam vriendlief met een spontane actie: ‘Zal ik vragen of we mee mogen gourmetten?’ Ik was in shock. Ik was nog nooit bij hem thuis geweest, had amper drie zinnen met zijn ouders gewisseld en nu kwam hij met dit voorstel? Hier was ik niet klaar voor! Maar hij had het zijn moeder al gevraagd. Haar antwoord: ‘Ja, natuurlijk!’ Mijn reactie: paniek. Ik was direct misselijk. Mensen inschatten lukt me aardig, maar ik zat er nu volledig naast. Sintjin heeft zijn ouders perfect omschreven: zijn moeder is een spraakwaterval, terwijl zijn vader en zus juist stille wateren zijn. Maar ik herken in hun alle drie de hulpvaardigheid en het sterke, goede karakter van Sintjin. Kortom, ik had me niet zo druk hoeven maken. Nu zal het kerstdiner vast een eitje zijn. Toch blijf ik de zeven jaar van stilzwijgen gek vinden. Van een ‘hallo’ naar een uitnodiging voor het kerstdiner is een gigantische stap. Maar misschien denk ik te veel na. Het ijs is gebroken en daar ben ik blij mee.

  

Week 323: Monique

 

Het wemelt tegenwoordig van de hulpprogramma’s op tv. Geef mij nu je angst, Verslaafd! en De Slechtste Chauffeur van Nederland, zijn de bekendste.  Vooral om dat laatste programma waarin belabberde chauffeurs weer rijles krijgen, wordt smakelijk gelachen. Het is ook heel komisch om die mensen te zien stuntelen. Ik lachte net zo hard mee. Totdat die piepschuime poppen die aan flarden werden gereden voor mij een gezicht kregen. Een gezicht dat ik kende. In De Slechtste Chauffeur van Nederland moeten de deelnemers bewijzen dat zij niet de aller slechtste zijn, maar daarnaast worden ze ook met hun neus op de feiten gedrukt. Er komt dan een verkeersslachtoffer langs om hun verhaal te vertellen. Ik kijk het programma al jaren en was stomverbaasd toen ik mijn oude buurvrouw Monique in beeld zag verschijnen. Monique leidde een normaal leven, totdat zij en haar vriend een auto-ongeluk kregen. Haar vriend kwam er nog redelijk vanaf, maar Moniques lichaam was ernstig beschadigd. Ik leerde haar kennen in De Roode Eenhoorn en nu deelde ze op tv met de rest van haar familie haar verhaal. Monique eindigde door doormiddel van haar spraakcomputer te zeggen: ik wilde jullie waarschuwen. Tranen stroomden over mijn wangen. Ik wilde jullie waarschuwen. Men ziet het programma over het algemeen als leedvermaak, maar het is als waarschuwing bedoelt. Lieve Monique, jij en jouw familie hebben mij diep geraakt. Ik vind het dapper en goed dat jullie op deze manier meer ongelukken proberen te voorkomen. Bij mij is de boodschap overgekomen. Respect. 


Week 322: Gezegend

 

Het is raar om een column te versturen en niet zeker te weten wat ermee gebeurt. Worden ze nog gelezen? Worden ze überhaupt nog wel geplaatst? Misschien een gekke gedachte, maar in Heerhugowaard zijn de Duinstreek noch de Niedorper te verkrijgen, dus zeker weten doe ik het niet. Dat werkte vooral bij mijn laatste column op mijn zenuwen. ‘Straks komt er niemand opdagen tijdens de boekpresentatie,’ piepte ik. ‘Dan zit ik daar in mijn eentje tussen stapels van mijn eigen boeken!’ Sintjin lachte. ‘Schat, dat gebeurt heus niet.’ Hij kreeg gelijk: zaterdag, nog voordat papa aan zijn welkomstwoord was begonnen, stroomde Boekhandel Thomas vol met mensen. Overal waar ik keek, zag ik bekende gezichten naar me glimlachen. De zin ‘Wat doe jij hier?!’ is talloze keren over mijn lippen gekomen. Een zee van mensen die  glunderend jouw kant op kijken, zie het dan maar een droog te houden. Dat mislukte dan ook grandioos. Ik heb tijdens mijn toespraak, alleen maar gesnotterd, maar was gelukkig wel goed verstaanbaar. Op dat moment dacht ik: kijk je goed om je heen, Robin? Deze mensen heffen allemaal het glas op jou. Je hebt het geflikt! Alle mensen die om mij gaven en in mij geloofden, waren aanwezig. Dat was zo mooi om te zien, dat ik er nog steeds geen woorden voor heb. Deze ervaring stop ik diep weg in mijn hart en zal ik voor altijd koesteren. Iedereen die er was of aan mij dacht: dank jullie wel. Ik ben een gezegend mens.

  

Week 321: Emo

 

Ik ben een emotioneel mens. Blijdschap, verdriet, woede: ik huil. Voordat mijn mentrix mij toesprak tijdens de diploma-uitreiking, zei ze: Robin, je gaat niet huilen. Ik schaamde me rot. Stond ik bekend als een jankerd? Sinds die opmerking hou ik me meer in. Dus toen ik hoorde dat Zusters van de Zee van de drukker kwam en ik hem de volgende dag thuis zou krijgen trilden mijn handen, maar mijn ogen bleven droog. Ik denk dat het een beschermingsmechanisme is: ik geloof pas dat het boek echt is, wanneer ik het in handen heb.  De volgende dag had ik die controle helaas niet. Mijn mond was kurkdroog en als ik iets at, dreigde dat er direct weer uit te komen. Bindi snapte mijn spanning niet, maar keek net als ik hoopvol naar buiten. De gordijnen waren net dichtgetrokken toen de deurbel klonk en een grote doos mijn huis binnenkwam. Mijn hart haperde toen verzorgster Marinka de doos opende. Ze grijnsde. ‘Gefeliciteerd, meissie.’ Ik sprong haast uit mijn stoel toen ik het eerste exemplaar van haar aannam en tegen mijn hart drukte. Toen ik de pagina’s door mijn vingers liet gaan, kwamen de tranen. Ik veegde ze weg. ‘Sorry.’ Marinka gaf me een zoen. ‘Nee, dat hoort.’ Ik glimlachte. Ja, ik ben een emo-type. Wie niet in deze situatie? Zaterdag 22 november om 16.00 uur wordt mijn boek gepresenteerd in boekhandel Thomas in Bergen. Ik ga signeren en een praatje houden. De kans is klein dat ik het dan droog houd.

 

Week 320: Smile!

 

Bij het schrijversvak komt meer kijken dan dat ik had gedacht. Het boek schrijven is een ding, maar daarna komt de publiciteit. Het eerste interview heb ik al gehad. Dat was makkelijk: praten kan ik wel. Maar bij het interview moest ook een foto komen. Dat was een heel ander verhaal. Je zou het misschien niet denken, maar ik ben redelijk camera-schuw. Reden daarvoor zijn pesterijen uit mijn verleden. Ik heb ondertussen al wat fotoshoots gehad, maar het lukt me nog niet om te ontspannen. Behalve bij Frank Nieuwenhuizen, die de foto’s voor mijn boek heeft gemaakt. Helaas stond hij dit keer niet voor mijn neus. Deze fotograaf leek het leuk om foto’s buiten te maken. Mijn reactie: ‘Het regent!’ Daar sta je dan, rillend in het park. Zie dan maar eens te glimlachen. Gelukkig werkte Bindi op mijn lachspieren. Na een kwartier moest de fotograaf toegeven dat het inderdaad regende en gingen we schuilen in een hanghok voor jongeren. We waren niet de enigen: tegenover ons zat een meisje. De fotograaf vond de met graffiti versierde muren geweldig en besloot hier ook wat foto’s te maken. De fiets van het meisje werd plompverloren aan de kant geschoven. Ik wierp haar een verontschuldigende blik toe. Ze haalde haar schouders op. Origineel was het zeker, maar ik was het zat. Ik voelde mijn tenen niet meer! ‘Dit weer past wel bij de sfeer van het boek, Bin,’ zei ik toen we naar huis gingen. ‘Mijn boek, daar doen we dit voor.’

 

Week 319: 12

 

Popidool Justin Bieber laat menig meisjeshart sneller slaan. Ze staan gillend voor hem achter dranghekken. Wanneer ik naar dat soort tafrelen kijk, schud ik niet-begrijpend mijn hoofd. Maar was ik vroeger niet net zo erg? Mijn idool was Harry Potter. Als de tovenaarsleerling echt had bestaan, was ik hem ongetwijfeld gaan stalken. Mam vond mijn fascinatie zorgelijk. ‘Harry bestaat niet echt, dat weet je. Toch, Robin? Dan knikte ik en reed naar mijn kamer om weer een dag tot het verschijnen van het volgende deel weg te strepen op mijn whiteboard. Dat vond ik het leukste van het wachtproces: het wegstrepen van de dagen tot de grote dag. Sinds het verschijnen van het laatste Potterboek heb ik nog één keer dagen weggestreept: de dagen tot de terugkomst van mijn vader uit Suriname. Dit deed ik niet op mijn whiteboard, maar in een klein boekje. Ik wilde dat mama het zou zien. Ik schaamde me. Ik had niet verwacht dat er daarna nog eens cijfers op mijn whiteboard zouden verschijnen, maar ze staan er: twaalf op een rij. 17 november is het zover, dan ligt Zusters van de Zee in de winkels! Zelfs nu ik dit schrijf heb ik last van zweethandjes. Het eerste interview is al gepland en er wordt gefluisterd over een signeersessie. Ik voel me weer twaalf, hyper van de spanning en ongeduld. Harry, ik hou van je, maar het is tijd om een stapje opzij te doen en plaats te maken voor een andere jongeman: De Ekster.



Week 318: Prototype

 

Ik heb last van een houten kont. Dat krijg je als je op een zitting van piepschuim zit. Mijn nieuwe stoel is er. Dat wil zeggen: het prototype. Aangezien een rolstoel bijna nooit direct perfect zit, moet hij eerst een tijdje worden uitgeprobeerd. Daar ben ik nu mee bezig. Een pluspunt is dat ik niet meer scheef hang. Fijn, maar de eerste paar dagen had ik het gevoel alsof ik in een korset was gesnoerd. Gelukkig is dat nu over. Wel is de zitting te lang, waardoor ik niet goed met mijn billen achterin kan gaan zitten. En ik heb iets nieuws over mezelf ontdekt: ik kan schoppen. Ik heb geen voetenbakjes meer, waardoor mijn voeten alle kanten op gaan. Dat komt door mijn spasme, ik druk mezelf nu bijna mijn stoel uit. Naar buiten gaan gaat ook nog niet echt soepel: mijn blad is te groot, waardoor ik niet goed kan zien wat er voor me gebeurt. De vering van mijn stoel werkt wel goed. Iets te goed, ontdekte ik toen ik van een verkeersdrempel af reed en alle kanten op werd geschud. Ach, al het begin is moeilijk en het pasproces blijft voor mij confronterend. Ik heb nu eenmaal een scheef lijf, dus een perfecte houding zit er voor mij niet in. Ik hoop dat we ook nu weer de vergulde middenweg zullen vinden. Toen ik mijn vader vroeg hoe hij mij eruit vond zien, zei hij: meisje wordt verslonden door rolstoel. Dat vind ik een goede omschrijving.

 

Week 317: Hallo

 

Ik zie mijn ouders regelmatig, maar bezoek Schoorl nog zelden overdag. In de herfstvakantie ging ik een dagje naar mijn vader. Zodra de taxi Schoorl binnenreedt hief Bindi haar kop en snoof de vertrouwde geuren op. Ik voelde mijn mondhoeken omhoog kruipen. Dit gebeurt altijd wanneer Bin en ik Schoorl weer betreden. Toen ik Bindi ging uitlaten, wist ik niet waar ik liever heen wilde: het Nollenbos of het centrum? Uiteindelijk besloot ik beiden te doen. In het bos wilde Bindi ieder blaadje besnuffelen. We kwamen daardoor traag vooruit, maar dat maakte mij niets uit. Eenmaal in het centrum werd mijn grijns nog breder. Een enorm verschil tussen Schoorl en Heerhugowaard is dat men in Schoorl hallo tegen elkaar zegt. Doe je dat in Heerhugowaard, wordt je raar aangekeken. Nu vlogen de hallo’s me om de oren. En toen iemand vroeg of hij Bindi mocht aaien, hoorde ik vanuit een winkel: ‘Nee, dat mag niet!’ De verkoopster kwam naar buiten. ‘Dag Robin en Bindi. Fijn jullie weer eens te zien.’ De blikken van herkenning en vriendelijke knikjes deden me goed. De buurman vroeg waarom ik nog steeds het liefst in Schoorl wil wonen. Vond ik Heerhugowaard stom? Nee, ik vind het er top, was mijn antwoord. De buurman keek mij aan. ‘Je bent in Schoorl opgegroeid, is het niet?’ Ik knikte. ‘Dat verklaart het,’ zei hij. Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik heb een heerlijk huis, ik ben gelukkig. Maar eens een Schoorlse, altijd een Schoorlse. Dat zal nooit veranderen.’

 

Week 316: Werkgroep

 

Van afstel komt uitstel. Maar niet altijd. Door als cliëntenraad een nietigheidsverklaring in te dienen, konden we ervoor zorgen dat de bedtijden van de nachtzorg niet doorgingen. Tijdelijk. De nachtzorg heeft medegedeeld dat naar bed gaan na middennacht er vanaf 1 november niet meer inzit. Ze kappen ermee. De cliëntenraad was bereid tot een compromis, maar al onze voorstellen ketsten af. En na een halfjaar klinkt deze mededeling. Pikken wij dit? Nee, maar de trukendoos van de cliëntenraad is leeg. Het werd tijd voor een werkgroep: een groepje mensen die zich verder in de zaak verdiept en tot het uiterste gaat om een goed resultaat te behalen. Er werden nog twee gegadigden gezocht. Wie wilde? Mijn hand schoot omhoog. Verbaasde reacties volgden: wist ik het zeker? En mijn boek dan? ‘Mijn manuscript is af,’ was mijn reactie. ‘Ik ben klaar voor een nieuwe uitdaging en denk dat ik in de werkgroep wel op mijn plaats ben. Ik kan schrijven.’ Ik verbaasde mezelf over mijn overtuigingskracht. Ik zeg zelden dat ik iets goed kan en zeker niet in een groep. Met de woorden ‘Daar heeft ze een punt’ was de zaak rond. Ik herken mezelf niet mee terug. Sinds ik in Heerhugowaard woon en Zusters van de Zee een feit is, is mijn zelfvertrouwen gigantisch gestegen. Ja, ik ben de jongste, de nieuwste bewoner van Belvedère en een groentje in dit soort zaken. Nou en? Ik schud mijn tegenstander glimlachend de hand en zeg: ‘Het is tijd voor de tweede ronde.’  

  

Week 315: Handreiking

 

Wie kent het fenomeen Idols nog? De talentenjacht waar iedereen voor thuisbleef. Afgelopen zaterdag werd er een documentaire uitgezonden waarin alle kandidaten uit het eerste seizoen weer bij elkaar kwamen. Ze vertelden over hun leven tijdens Idols en erna. Verhalen over het ontbreken van steun, niet meer buiten durven komen en vallen in zwarte gaten. Jim en Jamai (de finalisten van toen) waren er nog redelijk van af gekomen, maar bij de andere oud-kandidaten was de bitterheid te proeven. Hoe pak je je leven weer op na zoiets groots? Hoe houd je de roem die je hebt verkregen zelf in stand? Toen mijn manuscript werd afgewezen, viel ik in een diep dal. Voor de Idols-kandidaten was hun passie hun redding. Voor mij ook Maar wanneer er zich dan een nieuwe kans voordoet, is het doodeng om die te grijpen. Na de afwijzing heb ik het contact met mijn uitgever Oscar verbroken. Maar op mijn verjaardag stond hij plotseling voor me. Wat wil je van me?, dacht ik. Je hebt mijn diamant al verpulverd, van de Zusters blijf je af! Misschien zag Oscar het, want hij zei: ‘Ik heb jouw manuscript afgewezen, maar je hebt schrijftalent. Ik geloof in je. Stuur je nieuwe werk naar me op. Ik kan je helpen.’ Iets in zijn stem trok me over de streep, dus deed ik het. Met als resultaat dat Zusters van de Zee volgende maand verschijnt. De oud-Idolskandidaten hadden gelijk: soms heb je een handreiking nodig om verder te komen. Bedankt, Oscar.

 

Week 314: Glunder

 

Mijn familie ontmoette Sintjin op de verjaardag van mijn oma. God, wat was ik nerveus! Niet alleen vanwege de ontmoeting, maar haar verjaardag werd ook nog eens in een chic restaurant gevierd. Achteraf bleken de zenuwen volledig onnodig te zijn. Dat moment is alweer jaren geleden. Afgelopen weekend vierde oma haar negentigste verjaardag. Als verassing ging oma met de familie in een huifkar door de duinen rijden. Huifkarren zijn niet rolstoelvriendelijk, dus bleven papa, ik en Sintjin achter bij het restaurant waar we gingen eten. Hand in hand dachten Sintjin en ik terug aan die eerste ontmoeting met de familie. ‘We hebben het ver geschopt sinds toen,’ zei Sintjin. Ik knikte. ‘Jij hebt een goede baan en mijn tweede boek komt bijna uit. Wie had dat nou kunnen denken? Hij glimlachte en drukte mij tegen zich aan. Die avond hieven we allemaal het glas op oma die zat te glunderen tussen haar zussen. Ik heb haar zelden zo gelukkig gezien. En de volgende ochtend was het feest voor mij nog niet afgelopen: toen ik op bol.com tussen de te reserveren boeken snuffelde, zag ik een bekende titel. ‘Sintjin!, riep ik. Hij kwam achter me staan. ‘Het nieuwste werk van mevrouw Corbee, is vanaf nu te reserveren bij bol.com. Wouw.’ Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte een zoen op mijn slaap. Ik weet niet hoelang we naar mijn boek hebben staan staren. Ik glunder van top tot teen, Ik ben verschrikkelijk trots. Trots op mezelf. Trots op ons.

 

Week 313: Marathon

 

Het is me gelukt! Zusters van de Zee ligt weer bij de uitgever. Dit was inderdaad hele andere koek als met Het leven is Fanspastisch!. Toen uitgeverij Moon mij het te bewerken manuscript opstuurde, moest ik vijf keer heel erg slikken. Ik wist mezelf te kalmeren door mezelf ervan te overtuigen dat als ik een hoofdstuk per dag bewerkte, ik het ging redden. Nu ik erop terugkijk, vergelijk ik het proces met het lopen van een marathon. Wanneer je eraan begint en je lichaam is gewend aan het ritme, gaat het wel. Maar na een tijdje ga je het voelen: de pijn en de vermoeidheid. Na de eerste week was mijn typ-hand verkrampt en liepen de tranen over mijn wangen. Een verzorgster zag het en legde een hand op mijn schouder. ‘Jij kunt dit. Je zit er nu doorheen, maar over een week zal zo trots op jezelf zijn. Wij allemaal. Zet maar even harde muziek op. Je buurvrouw is er niet en ik leg het boven wel uit.’ Dat vond ik zo lief. Ik heb mijn hele leven volgens aangepaste schema’s gewerkt, omdat men dacht dat ik het anders niet ging redden. Nu rende ik op een normaal tempo. Op de avond voor de deadline, trok ik een eindsprint en liet de laatste pagina in de papierbak vallen. ‘Bindi, ik ben klaar!’ Bindi sprong op en rende door het huis. Haar versie van een ereronde. Daarna gaf ze mij een felicitatie-lik. Ik wist wel dat je het kon, baas!

 

Week 312: Dierenboel

 

Eerst liepen er alleen katten rond op het erf in Schoorl. Toen kwam Bindi erbij, gevolgd door gepensioneerde hulphond, Xamber. Een jaar later kwam daar nog een hond bij, Jimmy. Nu woont Bindi bij mij in Heerhugowaard, maar het aantal dieren in Schoorl is nog steeds gelijk, omdat kleine kater Carlos, erbij is gekomen. Een hele beestenboel dus. Gezellig, maar behoorlijk druk als alle dieren in één huis hebt. Dat gebeurde toen papa op Jimmy en Carlos moest passen en ik langskwam met Bindi. Papa moest uitkijken dat hij niet op een staart of poot ging staan en ik durfde me helemaal niet meer te bewegen. Carlos had een nieuwe speelplek gevonden: onder mijn rolstoel. Ook was het jongste lid van de roedel, Bindi aan het uitdagen. Bindi zelf, snapte er niets van. Probeerde ze mee te spelen, kreeg ze een tik op haar neus! Na uren stoeien, had ieder dier zijn plek gevonden en lagen ze te slapen. Maar toen het voor Bin en mij, tijd was om terug te gaan naar Heerhugowaard, was iedereen weer wakker. Wat niet echt handig was, want rustig vertrekken, was er niet meer bij. Steeds wanneer papa de deur achter ons dicht wilde doen, ontsnapte iemand naar buiten, waaronder Carlos. Zie een kleine kat, maar weer terug te vinden in het donker. Gelukkig is hij wit. ‘Lach niet’, hijgde papa, ‘dit is NIET grappig!’ Ach, wel een beetje. Ik denk dat met Bindi erbij, het dierenaantal op het erf, zijn maximum heeft bereikt.


Week 311: Róbin

 

De naam Robin was eind jaren 80 erg populair. Hoe ik dat weet? Omdat ik bijna mijn gehele schooltijd, met een andere Robin in de klas heb gezeten. Het begon op de basisschool, met Robbin van de Ster. Hoewel je zijn naam met twee b’s schreef en de mijne met één, was de uitspraak hetzelfde. Hoe gingen ze ons nu uit elkaar houden? De oplossing was snel gevonden: de o in mijn naam, werd een oo. Vanaf die dag moest iedereen mij Róbin noemen. De klank was anders, het klonk meisjesachtiger. Iedereen vond dat een prima oplossing, behalve ik. Zo heette ik verdorie niet! Op de middelbare school dacht ik eindelijk weer Robin te heten. Totdat mijn mentrix vroeg of Robin zijn hand wilde opsteken. Ik deed wat mij gevraagd werd. Een jongen tegenover me ook. Zucht.. Weer was ik gedoemd om nog drie jaar, als Róbin door het leven te gaan. Na die tijd kon mijn naam weer worden uitgesproken zoals is bedoelt. Alleen zijn mijn oudste vriendinnen zo gewend om mij Róbin te noemen, dat ze dat nu nog steeds doen! Het maakt niet uit hoe vaak ik hen corrigeer, het zit in hun systeem. Ik krijg het er niet uit, hoezeer mij dat ook irriteert. Accepteren, irriteren of negeren? Ik heb besloten om het bij sommige meiden, te negeren en gewoon te glimlachen. Lieve lezer, denk goed na over de naam van uw kind. Wees origineel. Daar doet u uzelf  en uw kind, een groot plezier mee.

  

Week 310: Kluizenaar

 

Ik verander even in een kluizenaar. Wanneer u deze column leest, zijn mijn deuren dicht en heb ik mij in mijn werkkamer opgesloten. Over twee weken moet ik het definitieve manuscript van ‘Zusters van de Zee’ inleveren. Het is lang geleden dat ik zo nerveus ben geweest. De laatste keer was toen ik naar Nieuwe Niedorp verhuisde. Ik heb het manuscript van ‘Het leven is Fanspastisch!’ ook met succes ingeleverd, maar dit is anders. Toen woonde ik nog thuis en hoewel ik het toen ook alleen moest doen, was mijn moeder in de buurt, om me af en toe bemoedigend toe te spreken. Bovendien was de columnbundeling een idee van de uitgever. Zij hadden alles al uitgedacht, ik had niet het idee dat ik veel kon verprutsen. Nu woon ik samen met Bindi. Alles is anders: ik zal hele hoofdstukken moeten bewerken in plaats van columns. Nog 70 pagina’s moeten toevoegen. En dat in twee weken. Dan is er de emotionele lading: ZvdZ is nog niet perfect, de verhaallijnen kunnen beter. Niemand kan het perfectioneren, behalve ik. Dat geeft best wel druk, vooral omdat ik hoop dat het goed wordt. Dat jullie net zoveel van deze personages gaan houden als ik. Het enige wat ik kan doen, is mijn best. Ik ben niet alleen: terwijl ik dit schrijf, zit Bindi naast me en kijkt geïnteresseerd toe. Af en toe geeft ze me een lik, alsof ze zeggen wil: komt wel goed baas. Mijn grootste fan zit naast me, dat scheelt.

 

Week 309: Succes

 

Zoveel mensen, zoveel meningen. Wat de één geweldig vindt, vindt de ander vreselijk. Harry Potter is daar een prima voorbeeld van: de tovenaarsleerling wordt door miljoenen aanbeden, maar de boeken worden ook verbrand,  omdat anderen een verband met de duivel leggen. Rowling moest eerst bij elf andere uitgeverijen aankloppen, voordat Bloomsbury de genialiteit van de Potter-boeken zag. Dat is het moeilijkste: jouw manuscript – personages van wie je bent gaan houden- naar een vreemde opsturen en hopen dat diegene er een boek in ziet. Met als risico dat hij jouw werk, de grond in ramt. Of je hoort helemaal niets, wat ook een afwijzing betekent. Toen mijn manuscript af was, heb ik het niet alleen naar Lebowski, maar naar nog een andere uitgever gestuurd. Lebowski is niet van de fantasy-boeken, ik had niet gedacht dat ze zouden happen. Maar dat deden ze wel, Ze zijn voor mijn boek zelfs een samenwerking met uitgeverij Moon aangegaan. Van die andere uitgeverij hoorde ik niets. Tot ik afgelopen vrijdag, een uitgebreide mail van hen ontving. Uitgebreid, maar over de inhoud kan ik kort zijn: het was een afwijzing. Alles wat Lebowski en Moon er goed aan vinden, vonden zij verschrikkelijk. Ik moest me niet verslagen voelen, schreven ze. Zo voel ik me ook niet: ik ben dankbaar. Dankbaar voor het feit dat Lebowski en Moon dit avontuur met mij aan gaan, ook al ben ik een groentje. Een afwijzing hoeft geen flop te betekenen. Kijk maar naar Harry Potter. Ik geloof wel in succes.

 

Week 308: Lezers

 

ik was vroeger “dat meisje in die rolstoel.” Of “dat meisje met een boek onder haar arm.” Later werd ik “het meisje van de Duinstreek.” En hier in Heerhugowaard? Hier ben ik gewoon Robin. In deze wijk wonen veel rolstoelers, waardoor ik niet opval. Als ik door het centrum rijd, spreekt niemand mij aan over mijn column van die week, omdat die hier niet gepubliceerd wordt. Dat was in het begin best wennen. Ik geef toe dat ik de spontane reacties op straat, soms mis. Ik heb hier te maken met een nieuw lezerspubliek dat mij niet kent. Dat merkte ik toen ik de najaarscatalogus van mijn uitgeverij binnen kreeg. Met een artikel over mijn nieuwe boek erin. Een stagiaire zag het en vroeg: ‘Is dat boek van jou? Heb je alles zelf bedacht en geschreven?’ Ik lachte: ‘Als dat niet zo was, had mijn naam niet op de kaft mogen staan.’ Later die week hielp ze mij bij het douchen en vroeg waarom ik zo stil was. 'Omdat ik net een goed boek uit heb', antwoordde ik. 'Jij kan ook goed schrijven', zei ze. 'Toen ik jou in die catalogus zag staan heb ik je website opgezocht en nu ben ik je columns aan het lezen. Je bent goed! Ik wou dat ik dat kon. Schrijf je de titel van je nieuwe boek op een briefje? Ik wil hem graag lezen.’ Ik heb lezers in Schoorl in Nieuwe Niedorp en nu ook eentje in Heerhugowaard. Het is een begin.

 

Week 307: 18+

 

Hoeveel mensen hebben u de laatste tijd naakt gezien? Een geliefde, goede vriend, een familielid? Ik ben nu 24 en ben wat dat betreft, de tel kwijtgeraakt Naakt worden gezien, is iets waar iemand in mijn situatie, zich bij neer moet leggen. Toch voel ik me soms nog erg ongemakkelijk. Misschien komt het doordat ik er niet mee ben opgegroeid. Voordat ik het huis uit ging, waren mijn ouders de enigen die mij volledig naakt zagen. Dus toen ik verhuisde, werd ik direct in het diepe gegooid. Ik dacht dat ik de hoogste drempel had gehad, toen ik het toeliet dat jongemannen mij verzorgen. Ik heb daar een column over geschreven, waarvan één zin mij nog goed bij staat: “Ik denk dat ik me nog ongemakkelijker ga voelen wanneer ik in de dertig ben en iemand van achttien mij uit bed helpt.” Ik ben nog geen dertig, maar heb nu wel kennisgemaakt me een vakantiehulpkracht: een meisje van achttien. Ik wou dat ik er geen moeite mee had wanneer zij mij verzorgt, maar dat is wel zo. Het is stom, maar ik vind het vreselijk afhankelijk te zijn van iemand die jonger is dan ik. Voor mijn gevoel klopt dat niet, hoor ik geen hulp nodig te hebben van zo’n jonge meid. Toch zal ik er aan moeten wennen dat ik ouder word en de zorg jonger. Ik hoop dat het me lukt. Tot die tijd glimlach ik en probeer mijn ongemak niet te laten blijken. Lach het maar weg. 

 

Week 306: Schatkist

 

Er viel deze week een dikke envelop bij mij op de mat. Ik ben een sloddervos met post: het belandt altijd overal en pas laat in het daarvoor bestemde bakje. Maar toen ik deze envelop zag, wist dat er niets met de inhoud mocht gebeuren. Zelfs het postbakje was hier niet goed genoeg voor. Hier had ik mijn schatkist voor. De schatkist was jaren geleden voor mij gemaakt. Met een sleutel, zodat ik mijn schatten veilig kon opbergen. Ik pakte hem in de veronderstelling dat hij leeg was. Dat was niet zo. Hij zat vol met foto’s: kleine Robin bij papa op schoot, foto’s van de bouw van het Potterhuis en foto’s van mijn eerste vakantie naar Ierland. De vuurtoren, toen ons vakantiehuis, sierde vele foto’s. Bindi keek nieuwsgierig toe. ‘Hiermee is het allemaal begonnen Bin’, vertelde ik. ‘Men denkt dat Schoorl mijn inspiratiebron was voor Zusters van de Zee, maar dat was Ierland.’ Ik keek naar een foto waar alle reisgenoten vrolijk op zwaaiden. ‘Ik ben hen nog steeds verschrikkelijk dankbaar.’ Ik legde de foto’s op stapeltjes, zodat er nog iets naast paste. Daarna opende ik de envelop, tekende de inhoud en legde een deel ervan, voorzichtig in de kist: het contract van de uitgever, voor Zusters van de Zee. Ik deed de kist weer op slot, borg de sleutel weer op en deed toen het tweede contract op de post. Het is officieel: in november ligt mijn boek in de winkels. Mede dankzij mijn reisgenoten naar de Wicklow-vuurtoren.

  

Column 305: Eerbetoon

 

Het verhaal van Anne Frank is nu te zien in het theater. Ik heb daar een column over geschreven, waarin ik mijn twijfels uitte. Maar dat was voordat ik het stuk had gezien. Ik ben samen met mijn vriend naar ANNE gegaan. Wat we zagen, was zeer indrukwekkend. We zaten vooraan en konden het nagebouwde achterhuis, tot in detail zien. Het prachtige decor, maar vooral de acteurs, sleurden het publiek mee terug in de tijd. We bevonden ons allemaal in het achterhuis en voelden de beklemming en angst. Vooral het einde, toen alle bewoners van het achterhuis roerloos in het concentratiekamp stonden, bezorgde mij de rillingen. De volgende dag hield het stuk ons nog steeds bezig. De tragedie van de Tweede Wereldoorlog, leek opeens veel dichterbij te zijn gekomen. Maar toen zagen we het nieuws: vlucht MH17 was neergehaald. Ik pakte Sintjin’s hand. Ik kon niet wegkijken van die verschrikkelijke beelden. Wat er gebeurt is, is nauwelijks te bevatten. Via deze weg, wil ik mijn medeleven betuigen aan alle nabestaanden van deze ramp. Ik en velen met mij, hebben vaak commentaar over hoe het er in Nederland aan toe gaat. Maar bij zo’n verschrikking als dit, zijn we er wel voor elkaar en tonen we respect. Wij Nederlanders doen dit goed, vind ik. Een eerbetoon, op welke manier dan ook, is belangrijk. Ook voor Anne Frank. Het respect voor alle slachtoffers van de oorlog, hing als een zachte fluistering in de zaal. Ik heb zelden zoiets moois en aangrijpends gezien. 

 Week 304: WK

 

De WK-gekte is voorbij. Ik ben geen voetbalfan, maar ik heb er met plezier naar gekeken. Voetbal kijken is leuker als je het met een groep doet, dus dat heb ik gedaan: samen met mijn buren. Ik woon hier heerlijk, maar merk dat ik de gezelligheid van De Roode Eenhoorn, soms best mis. Hier heeft iedereen zijn eigen leven. Levens die elkaar nauwelijks kruisen. Dus verraste het me toen de buurman mij uitnodigde om bij hem een wedstrijd van Oranje te bekijken. Hij had mijn buurvrouw ook uitgenodigd. Ik vond het heerlijk om een avondje niet alleen met Bindi achter de tv te zitten en juichte vrolijk. Bindi vond het ook leuk: ze mocht los rondlopen en besnuffelde geïnteresseerd iedere millimeter van het huis. En na de wedstrijd hoorde ik mezelf hen uitnodigen om de volgende wedstrijd bij me te komen kijken. Daar verraste ik hen en mezelf mee: ik ben erg op mijn privacy gesteld. Een paar dagen later had ik drie man extra in huis, allemaal op een rijtje voor de tv. Erg gezellig. De volgende dag nodigde de buurman van nummer 1 mij uit om bij hem Oranje te zien winnen. Natuurlijk wilde ik dat! Terwijl zij ons verlies zagen naderen, bekeek ik nieuwsgierig zijn huis. Leuk hoe dezelfde appartementen, er zo anders uit kunnen zien. Helaas hebben onze jongens het WK niet gewonnen, maar ze hebben het goed gedaan. Het WK is een bijzonder iets: het brengt mensen bij elkaar. Ook de bewoners van een appartementencomplex. 

 

Week 303: (On)geduld

 

Ik heb ooit gezegd dat ik engelengeduld heb. Dat blijkt niet helemaal te kloppen. Nog tien minuten extra wachten voordat ik onder de douche kan? Prima. Maar kan ik goed tegen de grillen van het schrijversbestaan? Absoluut niet. Ik vond het vreselijk om op uitsluitsel te wachten of mijn boek wel of niet gepubliceerd ging worden. Nu heb ik een ja, ik heb zelfs al het eerste ontwerp voor de kaft gezien. Maar verder is er nog niets gebeurt. Wat niet gek is: ik heb het manuscript op eigen gelegenheid opgestuurd en nu sta ik in de wachtrij om te horen wat ik er nog aan veranderd moet worden. De laatste keer dat ik checkte, waren er nog drie wachtenden voor mij. Ik snap het, ik begrijp het, maar vind het ook super irritant. Ik voel me een kind dat weet waar zijn verjaardagscadeautjes liggen, maar ze nog niet mag openscheuren. Nu ik een beeld heb van hoe mijn boek eruit komt te zien, wil ik hem ook echt vasthouden. Daar komt nog bij dat het bewerken van het manuscript, mij de vorige keer een enorme kick gaf. Oké, ik heb de redactrice vervloekt, maar ik heb in mijn leven nog nooit zoveel adrenaline door mijn lijf voelen stromen als toen. En het eindresultaat was geweldig. Het enige wat tegen de ergernis lijkt te helpen, is harde muziek. Geen idee of mijn buurvrouw dat zo leuk vindt, maar ik geef haar wel een gesigneerd exemplaar van mijn boek. Als verzoeningsoffer. 

 

Week 303: (On)geduld

 

Ik heb ooit gezegd dat ik engelengeduld heb. Dat blijkt niet helemaal te kloppen. Nog tien minuten extra wachten voordat ik onder de douche kan? Prima. Maar kan ik goed tegen de grillen van het schrijversbestaan? Absoluut niet. Ik vond het vreselijk om op uitsluitsel te wachten of mijn boek wel of niet gepubliceerd ging worden. Nu heb ik een ja, ik heb zelfs al het eerste ontwerp voor de kaft gezien. Maar verder is er nog niets gebeurt. Wat niet gek is: ik heb het manuscript op eigen gelegenheid opgestuurd en nu sta ik in de wachtrij om te horen wat ik er nog aan veranderd moet worden. De laatste keer dat ik checkte, waren er nog drie wachtenden voor mij. Ik snap het, ik begrijp het, maar vind het ook super irritant. Ik voel me een kind dat weet waar zijn verjaardagscadeautjes liggen, maar ze nog niet mag openscheuren. Nu ik een beeld heb van hoe mijn boek eruit komt te zien, wil ik hem ook echt vasthouden. Daar komt nog bij dat het bewerken van het manuscript, mij de vorige keer een enorme kick gaf. Oké, ik heb de redactrice vervloekt, maar ik heb in mijn leven nog nooit zoveel adrenaline door mijn lijf voelen stromen als toen. En het eindresultaat was geweldig. Het enige wat tegen de ergernis lijkt te helpen, is harde muziek. Geen idee of mijn buurvrouw dat zo leuk vindt, maar ik geef haar wel een gesigneerd exemplaar van mijn boek. Als verzoeningsoffer. 
 
Week 302: Vervloekt 


Ik wilde naar een film Stuk. Geen probleem, dacht ik, aangezien ik nu praktisch naast de bios woon. Mijn eerste poging liep stuk, omdat de zaal niet rolstoeltoegankelijk was. Poging twee en drie flopten om dezelfde reden. Poging vier: rolstoeltoegankelijkheid, check. Mijn portemonnee zat in mijn tas, ik kon gaan. Alleen mijn klok nog even opwinden. Dus ging ik met mijn zitting omhoog, om er beter bij te kunnen. Maar toen ik weer omlaag wilde, weigerde mijn stoel dienst. Stuk. Ik vertelde de monteur over mijn eigenlijke plannen voor die middag. ’Je stoel is stuk’, zei hij, ‘telt dat ook?’ Ik besloot woensdag te gaan, na op basisschool De Mient, over Bindi te hebben verteld. Maar die ochtend bleek mijn rolstoel niet te zijn opgeladen. Twee uur later stonden Bin en ik toch voor de klas. Aangesloten aan de lader. Toen voelde ik me echt gehandicapt. Het enthousiasme van de kinderen, maakte wel veel goed. Zou het me lukken om die middag naar Stuk te gaan? Nee. Eenmaal thuis, bleek ik een onverwachte afspraak te hebben, gevolgd door nog zo’n afspraak. Ik begon te denken dat die film vervloekt was. Ik besloot samen met Sintjin, nog één poging te wagen. Toen we bij de bios aankwamen leek die gesloten. Zucht… Maar de bios bleek pas om 13.00 uur open te gaan. We waren te vroeg. ‘Ik breng geluk’, grapte Sintjin, ‘je had gelijk samen met mij moeten gaan.’ Ik gaf hem een zoen. ‘Niet drie, maar zes keer is scheepsrecht.’ 

 
Week 301: Stout 


Nu is de inrichting van mijn vader’s huis rustig, maar dat was vroeger anders. Kleurrijke muren, kunst en opgezette dieren, domineerden het huis. Mijn vrienden vonden een tijgerkop en rendierenvel in de woonkamer raar. Voor mij was het thuis. Maar één dag voor mijn verjaardagsfeest, haalde mijn vader het beeld van een naakt, mannentorso, in huis. Dat vond ik minder leuk. ‘Pap, zet dat ding morgen alsjeblieft, ALSJEBLIEFT in de kelder!’ Nu ik op mezelf woon, kan ik niet ontkennen dat onze smaken redelijk overeen komen. De muren van mijn huis zijn mintgroen en behangen vol schilderijen en foto’s. Maar ik verzamel geen kunst, ik verzamel spreuken. In een jaar tijd, is er al een spreukenmuur ontstaan waar ik trots op ben. En ja, ook ik heb een stout randje. Op mijn voordeur staat de mededeling “De wereld is een gekkenhuis en dit is het hoofdkwartier” en daaronder heb ik nog een brievenbussticker. Geen standaardbrievenbussticker, maar eentje van Loesje, met de tekst: Als u geen reclamedrukwerk door mijn brievenbus gooit zal ik uw vingers niet afhakken. Dat, in combinatie met de sticker over het gekkenwerk, zorgde ervoor dat twee meisjes niet wisten wat ze met hun folders aan moesten. Ik hoorde mijn brievenbus een paar keer open en dichtgaan en hun nerveuze discussie: ‘Niet doen! Straks worden je vingers er echt afgehakt!’ Uiteindelijk durfden zij het er niet op te wagen en zijn ze weggegaan. Tranen van het lachen, stroomden over mijn wangen. Papa, ik lijk steeds meer op jou.  

 

Week 300: Dagboek

 

Hoe schrijf je een column? Na driehonderd weken, kan ik nog geen beter antwoord bedenken dan ‘gewoon.’ Mijn column is mijn dagboek, ik schrijf erin wat ik meemaak en voel. Spectaculairder kan ik het niet maken. Doordat ik dat al driehonderd weken doe en de columns ook online zet, is er een tijdslijn van mijn leven ontstaan. Mijn schooltijd, het begin van mijn schrijfcarrière, de verhuizingen, alles heb ik beschreven. Ik scrolde laatst langs al mijn columns op mijn website en dacht: wat is er de afgelopen jaren veel gebeurd! Dat realiseerde ik me nogmaals toen ik samen met Frank Nieuwenhuizen Schoorl doorkruiste, om foto’s voor mijn boek te maken. A trip down memory lane: ik glimlachte terwijl ik over de paden reed waar ik vroeger met mijn ouders en zus wandelde. ‘Mis je Schoorl?’, vroeg Frank. ‘Of is Heerhugowaard nu jou thuis?’’ In Heerhugowaard staat mijn huis’, antwoordde ik, ‘maar Schoorl is en blijft mijn thuis. Ooit kom ik terug. Misschien als een oud besje, misschien eerder.’ Mijn oud-lerares die de foto’s zag, zei dat ik straalde. Iemand vroeg of ik verliefd ben. De reden dat ik straal, is omdat ik happy ben. Ik ben geen leerling of student meer die worstelt voor erkenning, het verhuistijdperk ligt voorlopig achter me. Ik ben een jeugdromanschrijfster. Een jeugdromanschrijfster die in een prachtig huis woont met een lieve hond en mensen heeft die achter haar staan. Mijn dagboek is behoorlijk dik, maar ik hoop nog veel gebeurtenissen met jullie te kunnen delen. 

  

Week 299: Vriendjes

 

“Je mag je inschrijven voor een hulphond, maar jij moet hem uitlaten. Ook als het regent.” Dat was het antwoord van mijn ouders, toen ik over een hulphond begon. Dat is ook wat mensen af kan schrikken: een hulphond kan jou helpen, maar moet ook verzorgd worden. Die verantwoordelijkheid draag ik met liefde, Bindi is mijn alles. Ze helpt me in praktische en emotionele zin. Ze nam haar taak zelfs iets te serieus: wanneer ik niet lekker in mijn vel zat, zat zij dat ook niet. Vooral in het begin had Bindi last van gezondheidsproblemen waar wij de oorzaak niet van wisten. Nu we in Heerhugowaard wonen, denk ik eindelijk de oorzaak te hebben gevonden. Bij mijn vader had Bindi een speelkameraad: Xamber. Verder niet. In de polder renden er geen andere honden los en in Nieuwe Niedorp liet ik haar langs een fietspad rennen. In Heerhugowaard maakte ze kennis met iets nieuws: het park. Met andere honden. Toen er een hele roedel op haar afstormde, werd ze even onzeker. Mee spelen? Mocht dat? Pas toen ik haar aanspoorde, is Bindi met hen gaan stoeien. Ik heb haar lang niet meer zo gelukkig gezien. We wonen samen, Bin had niet veel contact met soortgenootjes. Ik denk dat ze dat gemist heeft. Bindi is mijn assistente, maar nu kan ik haar ook gewoon even hond laten zijn. Het is een feest om haar met vriendjes door het gras te zien racen. Ik weet nu ook wat haar lievelingskleur is: groen.

 

Week 298: Niedorp


I
k was weer even terug op het oude nest: Nieuwe Niedorp. De reden voor mijn bezoek, was de verjaardag van goede vriend en nieuwe bewoner van De Roode Eenhoorn: Mathijs Faber. Het voelde gek om na zoveel maanden weer terug te zijn. Ik was bang dat de bewoners mij weg zouden kijken. Ik vertelde mezelf dat ik dit voor Mathijs deed. Zodra de taxi het dorp binnenreed, voelde ik het warme gevoel van herkenning. Maar sommige dingen herinnerde ik me niet meteen meer. Dat verbaasde me. Zo lang was ik toch nog niet weggeweest? In de Eenhoorn, verdween mijn ongemak niet. Niet omdat ik terug was, maar een grote groep mensen in een kleine ruimte, heeft mij altijd benauwd. Dus ben ik even met Bindi naar buiten gegaan. Onze oude wandelroute, liet me glimlachen. Ik herinnerde me hoe onzeker ik in het begin was, wanneer ik alleen met Bin ging wandelen. Het dorp was niet veranderd, maar ik wel. Een fietser remde verbaasd. ‘Hé, jij woont hier toch niet meer?’ ‘Klopt, ik ben op bezoek.’ Ze knikte en reed door. Mijn angst was ongegrond: mijn ex-medebewoners dragen mij een warm hart toe. Het was heerlijk om met hen bij te kletsen en te lachen. Wanneer mijn boek uit is, kom ik terug en hef samen met hen het glas. Nieuwe Niedorp is nooit echt mijn thuis geweest, maar als u goed kijkt, ziet u naast mijn oude huisje, de omgewoelde aarde. Daar heb ik een stukje van mijn hart verstopt.

 

Week 297: Vuurtorenverhaal

 

Ooit hadden mijn ouders het idee om samen een boek te creëren. Mijn vader zou de tekst schrijven en mama zou de tekeningen erbij maken. Hun plan resulteerde uiteindelijk in twee prachtige tekeningen van mijn moeder en één velletje beschreven papier van mijn vader. Meer werd het niet, maar zij hebben die beginselen altijd bewaard. Ik weet nog dat ik op een stormachtige dag thuiskwam en papa naar die tekeningen zag kijken. Hij vertelde mij over hun vroegere plannen voor het vuurtorenverhaal.  ‘Kan jij het verhaal niet afmaken? Ik zou zo graag willen weten hoe het afloopt.’ Ik was 17 en ben die uitdaging enthousiast aangegaan. Toen ik versie één af had, speelde ik voor het eerst met het idee om het naar een uitgever te sturen. Maar een helse rugoperatie, gevolgd door een gecrashte laptop, gooide roet in het eten. Pas zeven jaar later, na de afwijzing van mijn eerste manuscript, blies ik het vuurtorenverhaal nieuw leven in. De personages waren oude vrienden die ik blij begroette. Ik was terug bij mijn eerste liefde: het fantasy-genre. De uitgever haalde me over om het naar hem te mailen. Ik deed het, maar had lage verwachtingen: fantasy leek mij niet zijn ding. Maar toen belde hij met een simpele boodschap: check je mail. Ik deed het en sloeg mijn handen voor mijn mond om mijn eigen gegil te smoren. Dit najaar of komend voorjaar, kan ik mijn ouders het resultaat overhandigen van wat ooit hun vuurtorenverhaal was. Met een kaft eromheen. 

  

Week 296: (On)zichtbaar

 

Tijd voor een bekentenis: ik wilde eerst niet in Heerhugowaard wonen. Als er een plaats is waar het wemelt van de woonprojecten voor mensen met een beperking, is het Heerhugowaard. Ik wilde niet in een dorp wonen dat daar om bekendstond. Ik wilde niet dat men mij aankeek met zo’n blik van “die zal wel in die wijk wonen.” Nu ik hier woon, moet ik bekennen dat het tegendeel waar is. Heerhugowaard heeft veel verschillende woonvormen, maar dat valt niet op. Dat heeft voor, maar ook nadelen. Ik was met Bindi in de Albert Heijn, toen er een vrouw achter ons opdook. ‘Ben je daar weer met die sneue hond van je? Heb je dat arme beest weer helemaal afgemat? DIERENBEUL, DIERENBEUL!’ Ik was perplex. Ik weet dat er tegenstanders van Hulphond Nederland zijn, maar deze vrouw leek bezeten. Ze keek mij met grote ogen aan en bleef krijsen. Bindi dook angstig achter me weg. ‘Dat is niet waar’, zei ik, ‘ik zou Bindi nooit iets laten doen wat ze niet wilde of haar pijn…’ Mijn tegenstand hielp niet, de vrouw brulde nog steeds de winkel bij elkaar. Ik ben naar huis gegaan, waar ik mijn gezicht huilend in Bindi’s vacht verborg. De vrouw woont waarschijnlijk in één van de woonvormen hier in de buurt. Ik weet dat ze onzin uitkraamde en toch deed het pijn. Mijn handicap is zichtbaar, maar dat zijn niet alle beperkingen. Soms wilde ik dat het wel zo was, dat zou een stuk makkelijker zijn. 


Week 295: Spel

 

Woorden hebben macht. Ik verbaas me nog steeds over hoeveel macht ze kunnen hebben. Een paar woorden van één persoon, kunnen ervoor zorgen dat ik op tijd naar mijn bedje moet. Maar woorden hoeven niet definitief te zijn, wanneer de tegenaanval wordt ingezet. Ik zal die glimlach van het hoofd van de nachtzorg nooit vergeten toen diegene ons over onze nieuwe bedtijden vertelde. Ze had een vuil spelletje gespeeld door eerst de hoge piefen om toestemming te vragen en ons daarna over de nieuwe regels te vertellen. Maar een spel heeft ook spelregels. En daar had zij zich niet aan gehouden. Dus besloten wij van de cliëntenraad, om nog hogere bazen, over de spelbreuk in te lichten en te hopen op een respons. Antwoord bleef uit en dus besloot ik een column te schrijven en die niet alleen naar de redactie, maar ook op Facebook te verspreiden. Ik ben Facebook-verslaafd, maar geloofde niet in die deelacties, waarbij mensen jouw artikel op hun pagina zetten en hun vrienden aanmoedigen om hetzelfde te doen. Tot nu. Iedereen deelde mijn column, ik zag hem overal opduiken. De reacties van de lezers waren overduidelijk: iedereen stond pal achter ons. Terwijl ik verbluft naar de kettingreactie keek, kwam eindelijk het bericht: het besluit over de bedtijden is tot nader orde van de baan. Woorden zijn machtig, maar ze betekenen niets als er geen gehoor aan wordt gegeven. We hebben de strijd nog niet gewonnen, maar deze slag is voor ons. Alle medestrijdets, heel erg bedankt.

  

Week 294: Anne

 

Het tragische verhaal van Anne Frank. Na het succes van Soldaat van Oranje, had het me niet moeten verbazen dat haar dagboek ook een musical is veranderd. De media heeft hier gemengd op gereageerd, dat snap ik wel. Tegenwoordig worden er van veel beroemde films, boeken en historische gebeurtenissen, musicals gemaakt. Dat trekt publiek. Maar om dit met Anne’s dagboek te doen... Bij Soldaat van Oranje is het anders: Erik Hazelhoff overleefd de oorlog, de musical heeft een goed einde. Anne heeft geen goed einde gekend. Aan de andere kant vind ik het goed dat er een musical over Anne is gemaakt. Men ziet musicals als vrolijke voorstellingen met zang en dans. Dat is niet helemaal waar. Er is ook een musical over de watersnoodramp uit 1953 gemaakt. Verschillende zware onderwerpen hebben in de musicalwereld de revue gepasseerd. Ik vind dat Anne’s verhaal niet minder gruwelijk moet worden gemaakt dan dat het is, maar dit is wel een manier om haar geschiedenis levend te houden. Het feit is dat mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, steeds meer wegvallen. Op deze manier kunnen ook de jongere generaties, zien hoe het was in die tijd. En wat zou Anne hiervan hebben gevonden? Ik denk dat ze het goed had gevonden. Ze wilde dat mensen haar verhaal kenden en hoewel dit niet in boekvorm is, blijft haar verhaal hetzelfde. Ik denk dat Anne tijdens de première mee zal kijken en zal glimlachen. Dit is gewoon een nieuwe manier om haar leven te eren. 


Week 293: Bedtijd

 

Kinderen moeten op tijd naar bed, dat is voor hun eigen bestwil. Daar heb ik altijd een hekel aan gehad. Ik was als kind al een nachtvlinder, ik haatte het om in bed te liggen en geen kant op te kunnen. Dat was één van de redenen waarom ik naar Heerhugowaard ben verhuisd: geen bedtijden meer! Ik heb  vijf maanden van die vrijheid kunnen genieten. Vanaf 1 mei moet ik op donderdag en zaterdag om 22.00 uur in bed liggen. De rest van de week wordt mij een halfuurtje langer gegund. De nachtzorg heeft te weinig mankracht om het allemaal nog te kunnen bolwerken, vandaar deze nieuwe regel. Wij schijnen één van de laatste woonvormen te zijn waarbij de bewoner zelf kon bepalen wanneer hij naar bed wilde. Er wordt over het algemeen verontwaardigd gereageerd wanneer ik over mijn bedtijden vertel, maar sommigen halen hun schouders op. “Zo werken woonvormen al jaren. Jullie waren bevoorrecht. Zeur niet.” Dus omdat de hele meute dezelfde kant op loopt, moeten wij dat ook doen zonder te zeiken? Flikker op! Gehandicapt of niet, u wilt toch ook naar een feestje zonder op de klok te hoeven kijken? Of een vriend bijstaan die u nodig heeft? Ik vecht met de rest van de cliëntenraad voor onze vrijheid, maar ik ben bang dat we met te weinig zijn om het verschil te kunnen maken. Lezers, als jullie achter ons staan, laat u dan horen. Misschien vechten we een verloren strijd, maar zwijgen is geen optie.

 

Week 292: 50%

 

Je werkt in de supermarkt als vakkenvuller, maar ondertussen heb je gesolliciteerd bij een groot bedrijf. Wanneer je de vakken vult, denk je: zien zij mij zitten? Ga ik die baan krijgen? Terwijl je piekert, stop je alles in de verkeerde schappen. In zo’n soort situatie zit ik nu. Een vrouw schijnt verschillende dingen tegelijkertijd te kunnen, maar ik begin daar aan te twijfelen. Mijn tweede manuscript is af, en dus heb ik die naar de uitgever gestuurd. Terwijl ik op antwoord wacht, probeer ik normaal te doen. Niet duimen draaiend achter mijn laptop te zitten, zoals de vorige keer. Maar dat is lastig. Ik ben al aan een nieuw project begonnen, puur om mezelf bezig te houden. Maar het voelt alsof ik alles maar voor vijftig procent kan doen. Ik schrijf, doe boodschappen, laat Bindi uit en verken Heerhugowaard, maar het is niet genoeg. Ik blijf mijn mailbox in de gaten houden. Zou hij al iets van zich hebben laten horen? Nu dan? Nu?! Het is erg irritant en bovendien vermoeiend, maar ik heb tot nu toe nog geen manier gevonden om het te stoppen. Ik heb geprobeerd te ontkennen dat ik nerveus ben voor nog een afwijzing, maar dat helpt niet. Ik beken, ik ben nerveus. Ik wil niet dat dit boek ook afgewezen wordt, maar ik weet dat die kans er wel in zit. Aan de andere kant moet ik niet zeuren, dit hoort bij het vak. Dus haal diep adem, tel tot tien en weer door.


Week 291: Groupie

 

Iedereen bewondert wel iets of iemand, De extreme fans worden groupies genoemd. Op handtekeningen jagen, per se samen met jouw idool op de foto willen. Dat is niets voor mij. Ik heb wel een idool: Frank Groothof. De meeste mensen kennen hem van Sesamstraat, maar ik ben dol op zijn opera’s. Ik beluister ze dagelijks. Ik heb veel opera’s in het theater gezien. Eén van de leukste herinneringen die ik heb, is dat Frank mij hielp om naast zijn geluidstechnicus te gaan zitten, zodat ik het toneel beter kon zien. (‘Wilt u opstaan mevrouw? Dan kan ik deze VIP-gast naar haar plaats begeleiden. Niet zo chagrijnig kijken, des te sneller kunnen we beginnen.’). Die ervaring is in een column veranderd, een column die in mijn columnbundeling staat. Ik was nerveus toen Frank mij naar mijn plaats begeleidde, maar nog nerveuzer toen ik hem mijn boek wilde geven. Moest ik dit wel doen? Wat als hij mij als een obsessieve fan ging zien? Toch heb ik het gedaan, omdat ik hem wilde laten weten hoezeer ik zijn opera’s waardeer. Ik heb vaker met Frank gepraat, maar nog nooit zoveel gezweet en gestotterd als toen ik hem mijn boek gaf. Ik voelde me een groupie. Hoewel ik me nog steeds wat ongemakkelijk voel, probeer ik mezelf voor te houden dat ik niet voor heer Groothof kan denken. Misschien vindt hij het wel een mooi gebaar. Want dat is het: een simpel gebaar. En als mij dat een groupie maakt, so be it. 

 

Week 290: Boekendief

 

De Tweede Wereldoorlog heeft menig filmmaker geïnspireerd. Mijzelf ook, een gedeelte van mijn nieuwe manuscript, speelt zich in die tijd af. Omdat ik geen onzin wilde schrijven, heb ik me nog meer in die tijd verdiept. Volgens een vriendin ontbrak er dan nog één boek in mijn assortiment: De Boekendief. Ik had het boek gezien, maar niet gekocht. Ik had moeten weten welke het was, toen mijn vriend Sintjin zei dat hij een boekverfilming voor mij had gedownload. Dat doet hij zelden, tenzij hij weet dat de film voor mijn spasme te heftig is om in de bioscoop te kunnen zien. De Boekendief. Ik had ‘stop!’ moeten zeggen toen ik dat doorhad. Ik verbrak mijn eigen gouden regel: eerst het boek lezen, daarna de film kijken. Maar dat deed ik niet, ik liet me meevoeren door Lissel, een meisje dat door een Duits echtpaar wordt opgevangen en in het begin nog geen woord kan lezen. Haar “vader” leert het haar en ze ontwikkelt een liefde voor boeken. Haar liefde gaat zo ver, dat ze in beslag genomen boeken redt van de brandstapel. Aan het einde waren Sintjin en ik allebei stil. ‘Als wij in die tijd hadden geleefd’, begon hij, ‘waren we vermoordt’, maakte ik zijn zin af. We pakten elkaars hand stevig vast. Men klaagt tegenwoordig veel. Deze film helpt ons eraan herinneren dat we het zo slecht nog niet hebben. Lieve lezer, ik raad u aan deze prachtige film te gaan bekijken. Dan ga ik het boek lezen. 


Week 289: Nachtvlinder

 

Weet u wat het stomste is van gehandicapt zijn? De afhankelijkheid. Ik dacht dat ik in Heerhugowaard mijn vrijheid had gevonden, maar toen bereikte mij donderdag het volgende bericht: vanaf 1 mei moet ik iedere dag, braaf voor middennacht in mijn bedje liggen. De cliëntenraad en ik kwamen direct in opstand, maar het besluit was al genomen. Hoe hard we ook protesteerden, we ramden tegen een deur die allang was vergrendeld. Nu komt de afhankelijkheid om de hoek kijken: ik kan wel gaan weigeren om voor twaalven naar bed te gaan, maar zonder hulp, kom ik er niet in Het woord ‘verhuizen’ is weer gevallen, maar ik weiger. Mijn naambordje hangt net naast de deur en die blijft hier nog heel lang hangen. Op zulke momenten, dat ik schreeuw, maar niemand luistert, wil ik naar Schoorl. Even de vertrouwdheid in me opsnuiven en met mijn ouders praten om te kijken wat zij ervan vinden. Maar dat gaat niet, want de hele Damweg ligt open. Zelfmedelijden is niet een woord dat in mijn woordenboek voorkomt, ik haat het. Wat ik wel kan zeggen, is dat ik me erg onthand voel. Ik dacht dat ik dit makkelijker kon accepteren, aangezien mijn leven in Nieuwe Niedorp niet veel anders was: daar moest ik ook op tijd naar bed en kon ik eerst ook niet makkelijk naar Schoorl. Maar ik heb aan deze vrijheid geroken en die geur bevalt me. Ik weet nog niet hoe, maar deze nachtvlinder geeft haar vleugels niet zomaar op.

 

Week 288: Dorpeling

 

Is Heerhugowaard nou een dorp of een stad? Voor iemand die in een klein dorp als Schoorl is opgegroeid, is het zeker een stad. Ik voel me hier meer op mijn plaats als in Nieuwe Niedorp, maar ik kan niet ontkennen dat ik nog steeds een dorpeling ben. Ik ben al die op- en afritjes, gigantische fietspaden en drukte, niet gewend. En nog iets nieuws: verkiezingsoorlog. De gemeenteraadsverkiezingen staan voor de deur. Daar stond ik niet zo bij stil, totdat ik met een vriendin ging winkelen in Middenwaard.  We waren het winkelcentrum nog niet binnen of er kwam een zwerm partijvertegenwoordigers op ons af. ‘Wilt u een flyer?’ ‘Nee, neemt u toch onze ballon!’ ‘Mevrouw, wij van de SP, bieden u dit appelvormige sponsje aan. Als u op ons stemt, zullen we Heerhugowaard schoonpoetsen…’ Ik was totaal overdonderd. De politiek heeft mij altijd geïnteresseerd, maar war moest ik met dit opdringerige, hyperactieve gedoe? Geef mij de aanpak in Schoorl maar, waar een man je een roos aanbiedt en rustig over de standpunten van zijn partij vertelt. Ik ben gelukkig in Heerhugowaard, maar dat neemt niet weg dat ik Schoorl nog steeds mis. Waar mijn vader op de lijst voor het CDA staat, wist u dat? In een kennismakingsinterview vertelde hij hoe jammer hij het vond dat er in Schoorl niet meer mogelijkheden voor mensen met een lichamelijke beperking. Het was een interview dat mij raakte. Ik weet op wie ik zou willen stemmen, maar helaas kan dat niet. Succes papa.

 
Week 287: Buurtjes

 

Buren. Ik wist altijd dat ik ze had en wie het waren, maar dat was het dan ook. In Schoorl ging ons contact niet verder dan een vriendelijk hallo. In Nieuwe Niedorp had ik twee buurvrouwen. We mochten elkaar, maar hadden geen raakvlakken. Een gezellig bezoekje is er nooit van gekomen. Nu woon ik in een flat en hoor vaak hakken boven mijn hoofd heen en weer lopen. Het kantoor van de zorg zit pal boven mijn huis. Het stoort me niet. Bovendien weet ik dat ze na middennacht weggaan. Verder heb ik een buurman en buurvrouw. Mijn buurman ken ik toevallig nog van de basisschool. Hij is een vriendelijke, gereserveerde jongeman met het hart op de tong. Ik mag hem graag. Mijn buurvrouw stormde tijdens mijn werk op mij af. ‘Hallo! Jij bent de nieuwe van nummer 6 hè? Ik ben jouw buurvrouw! Pracht hond trouwens! Zal ik morgen een bakkie komen doen? Uurtje of vier?’ Ik knikte overdonderd. ‘Eh, prima.’ We zijn bij elkaar op bezoek geweest en onze smaak blijkt overeen te komen: de salontafel waar ik verliefd op was geworden, blijkt nu bij haar te staan. Hetzelfde heeft zij met mijn kast. Ook delen wij onze liefde voor cavia’s. En harde muziek. Of we wel eens last van elkaar hebben? Welnee! Dat blijkt niet helemaal te kloppen: ik kreeg een paar dagen geleden het vriendelijke verzoek of het ietsje zachter kon. Sorry buuf, ik ben nog niet zo goed in het burenconcept, maar ik leer snel. 

  

Week 286: Bijzaak

 

Waar staat u bekend om? Uw persoonlijkheid, talent of een uiterlijkkenmerk? Ik blijf hopen dat als iemand naar mij vraagt, men zegt: ‘Ah, Robin Corbee, de columniste.’ Maar hoogstwaarschijnlijk is hun antwoord: ‘Robin Corbee, de vrouw in die rolstoel, de columniste.’ Dat is geen fout antwoord, want ik zit inderdaad in een rolstoel. Ik zou alleen willen dat mijn rolstoel niet het eerste was wat men van mij ziet. Dat mijn rode haar mijn uiterlijke kenmerk is, in plaats van die stoel. Ik wil mijn beperking niet ontkennen, want die zit nou eenmaal in mijn pakket, maar het zou fijn zijn als eerst ik, en daarna mijn rolstoel gezien zou worden. Dus waarom, als ik wil dat mijn beperking van hoofdzaak in een bijzaak verandert, sta ik toe dat mijn dagelijks leven weer op tape is gezet? Beantwoord ik weer vragen over hoe het leven in een rolstoel is? Door daar ja op te zeggen, haal ik mijn eigen wens onderuit. Maar als iemand kan laten zien dat mensen met een beperking geen hoopjes ellende zijn, ben ik het. En als ik dat iemand anders kan laten inzien, ben ik een tevreden mens. Als ik dat kan laten zien, vragen moet beantwoorden, zal ik dat blijven doen. Mijn beperking valt op, maar ik hoop dat als iemand naar mij vraagt, iemand ooit zegt: ‘Robin Corbee? Dat is de schrijfster van dat geweldige boek!’ Het zal nog wel even duren voordat die dag komt, maar ik wacht wel. Ik heb geduld.

  

Week 285: Zusje

 

Ik weet nog dat toen mijn zus Luca naar het Zuiderlicht ging verhuizen, ik samen met mijn ouders, tijdens de verbouwing, alvast mocht komen kijken. Tijdens de bezichtiging van het gebouw, kwam er een vrouw naar me toe. ‘Fijn dat jullie hier komen wonen hè?’, kirde ze. ‘Vind je het mooi?’ Ze sprak tegen me alsof ik vier was. ‘Sorry, ik kom hier niet te wonen, maar mijn zus.’ Ik zag haar schrikken, ze had mij duidelijk voor Luca aangezien. Nu, vier jaar later, woon ik één straat bij Luca vandaan. Luca en ik worden nu ook door dezelfde nachtzorg geholpen. Ik dacht daar niet verder bij na, totdat er iemand bij mij binnenkwam die zei: ‘Zo, dan gaan we nu jouw kleertjes uittrekken en dan ga ik jouw lekker in jouw bedje stoppen.’ Ik keek hem stomverbaasd aan. ‘Hoe oud denkt u dat ik ben? Houdt die verkleinwoordjes alstublieft achterwegen.’ Oh, maar jij bent de zus van Luca, dus ik dacht…’, hij viel stil. Omdat wij een tweeling zijn, dacht hij dat ik even beperkt was als zij. Ik vind het fijn om dichterbij mijn zus te wonen, maar deze bijwerking had ik niet verwacht. Meerdere medewerkers maakten die fout, maar dat heb ik snel weten te corrigeren. Iedereen kent Luca hier en is dol op haar. Ik word liefkozend haar ´zusje´ genoemd. Ook daar moet ik aan wennen, ik heb mezelf altijd voorgedaan als de oudste van de twee. Tja, tweeling zijn heeft duidelijk zijn voor en nadelen. 

 

Week 284: Tatoeage

 

Ik woon nu een jaar op mezelf. Ik hou ervan om mijlpalen op papier te laten vloeien. Tastbare herinneringen uit die tijd te hebben. Misschien komen ze van pas in een nieuw schrijfproject. Toen ik zes maanden het huis uit was, vierde ik die mijlpaal door een nieuw bedeltje aan mijn armband te laten zetten: een sleutel. Later kwam daar nog eentje bij: een eenhoorn, als herinnering aan mijn allereerste huisje. Nu het eerste jaar voorbij is, wil ik een stapje verder gaan: een tatoeage. Ik denk dat men dat niet van mij hadden verwacht. Begrijpelijk, ik heb het vaak op veilig gespeeld wat mijn uiterlijk en kledingstijl betreft. Maar ik begin te veranderen, meer kleur in de mix te gooien. En misschien was dit wel te verwachten, in mijn familie brult het van de familie-tatoeages. Vooral aan de Duif-kant, waar veel vogeltatoeages de rondte doen. Als ik het doe, wil ik drie vogels op mijn bovenarm: een raaf (Corbee is een verbastering van corbo, wat raaf betekent) voor mijn vader, een duif voor mijn moeder en een roodborstje (oftewel: een robin) voor mezelf. Zo zullen mijn ouders altijd over mij waken, dat vind ik een mooie symboliek. Ik zou het geweldig vinden als mama hem zou ontwerpen. Dat heeft ze vaker gedaan, dus ik weet dat ze het kan. Idee: check. Ontwerp: check. Er mist nog één ding: durf. Tatoeëren als je spastisch bent, het kan. Alleen zal ik dan wel vastgesnoerd moeten worden… Ach, het heeft geen haast. 


Week 283: Eenlingen


In mijn columns maskeer ik mijn onzekerheid met mooie woorden, maar in het dagelijks leven gaat dat niet. Zeker niet wanneer je iemand een week lang in jouw leven toelaat. Ik vond het daarom leuk, maar ook spannend, toen mijn vriend Sintjin een week bij mij kwam logeren. Dit was nieuw en ik wilde dat alles perfect verliep. Wat natuurlijk averechts werkte: door de stress kon ik niet naar de wc. En toen ik uiteindelijk wel moest, waren we niet thuis en besloot de taxichauffeur drie kwartier te laat te komen. Ik was instaat om hem een verbale draai om zijn oren te verkopen, maar Sintjin hield me tegen. Pas na middernacht was het drama voorbij en lag ik beschaamt in bed. ‘Je moet dit allemaal niet zo serieus nemen, ontspan’, zei Sintjin. Het kostte hem veel kusjes, maar hij kreeg me weer aan het lachen. Ik volgde zijn raad op en genoot van onze tijd samen en van onze uitjes. Bijvoorbeeld voor het eerst samen uiteten gaan. We waren niet constant met elkaar bezig. We zaten ook achter onze laptops, onze eigen ding te doen. Zo verstreek de week. Ik besefte me dat ik nog steeds een eenling was, net zoals hij, maar dat deze twee eenlingen samen, een mooi duo vormden. ‘Ik ga je missen.’ Toen hij zich naar mij omdraaide, zag ik de tranen over zijn wangen stromen. De kilometers tussen ons voelen nu nog pijnlijker, maar daar gaan deze twee eenlingen wel een oplossing voor vinden.


Week 282: Kwetsbaar

 

Sintjin en ik zijn al zes jaar bij elkaar. Hij ziet mijn beperking niet, hij ziet mij zoals ik zou willen dat iedereen mij zou zien. Gewoon normaal. Daarom hou ik ook zo van hem. Toch kent hij niet alle kanten van me, daar zorg ik voor. Ik douche en ga naar het toilet, voordat hij er is. Dat ritueel duurt lang en dan is echt duidelijk hoeveel hulp ik nodig heb. Ik ben dan op mijn kwetsbaarst en ik loop niet graag met die kant te koop. Dat is ook één van de redenen dat Sintjin en ik nooit langer dan anderhalve dag samen zijn geweest. Een week samen in Schoorl had mijn vader niet getrokken en het huis in Niedorp was daar te klein voor. Maar langer dan anderhalve dag, had best gekund. Degene die dat afhield, was ikzelf. Sintjin kent bijna alle kanten van me, maar die kwetsbaarste kant, heeft hij nog niet gezien. Maar daar gaat verandering in komen: Sintjin komt een week bij mij logeren. Ik kijk ernaar uit, maar zie er ook tegenop. Misschien vechten we elkaar na een paar dagen wel de tent uit, hoewel ik dat betwijfel. De verzorging is voor mij de grootste drempel. Ik houd mezelf voor dat al het begin moeilijk is, maar het zal vanzelf wel normaal worden. Ik zal eraan toe moeten geven. Zeg nou zelf, iedereen moet douchen en naar de wc. Sintjin heeft me altijd genomen zoals ik ben. Dat zal hij nu ook doen.


Wee 281: Vertrouwd

 

De tv staat bij mij vaak aan. Niet dat ik er constant naar kijk, ik doe het voor het geluid. Maar soms is er iets op tv wat mijn aandacht trekt. Zoals een meisje dat net uit huis is en bij haar vriend is ingetrokken. Ze huilde en zei: ‘Steeds wanneer ik mijn ouders en zus zie, denk ik: ik hoor daar niet meer bij.’ Die opmerking verraste me: ik heb me ook heel lang zo gevoeld. Papa’s huis is onveranderd, vertrouwd, terwijl mama alles had verbouwd. Wanneer ik bij haar kwam, voelde ik me ongemakkelijk. Het was alsof ik op het ene eiland zat en mama en Jona op het andere. Ik keek toe en hoorde ze praten over dingen waar ik niets van wist. Dat deed pijn. Ik voelde me alleen met dat gevoel, wat nergens op slaat: iedereen die het huis uit is gegaan, zal dit waarschijnlijk herkennen. Het maakte het voor mij lastig om bij mijn moeder te eten. Ik wilde niet constateren dat er nog meer veranderd was. Maar toen ik het uiteindelijk toch deed, was ik blij. Het was fijn om bij te kletsen. Maar het thee-moment heb ik het meest gemist, wanneer mama breit en ik tv kijk. Naast elkaar. We hoeven niets te zeggen, maar het kan, als we dat willen. Het is rustgevend te weten dat dat nog steeds kan, ook nu ik niet meer thuis woon. Dus aan iedereen die zich ongemakkelijk voelt in zijn ouderlijk huis: het gaat over. 

  

Week 280: Scheef

 

Ik heb drie stoelen in mijn woonkamer staan, meer heb ik er niet nodig. Waarom zou ik? Ik kan er zelf toch niet op zitten en als ik een feestje ga geven, kan ik altijd klapstoelen regelen. Ik heb twee rieten, beschilderde stoelen bij mijn tafel staan. Prachtig, maar de zittingen zien er erg gammel uit en kraken wanneer je erop gaat zitten, dus durft niemand het meer aan. Nu fungeren ze als decoratie en kapstok voor mijn tassen. De luie stoel in de hoek, is de enige die intensief gebruikt wordt. Iedereen zit erop, inclusief Xamber, de hond van mijn vader. De enige stoel waar mijn zitvlak ervaring mee heeft, is de zitting van mijn rolstoel. Ik zit al zeven jaar lag, zestien uur per dag, in dezelfde stoel. En nu zit die niet goed meer. De vulling is zacht geworden waardoor ik niet meer goed ondersteund word en constant scheef zak. Ik voel me weer tien, toen gebeurde dat ook. Mijn schoolfoto is toen zelfs schuin genomen. Tijd voor een nieuwe stoel. Maar ik heb dat proces altijd verschrikkelijk gevonden. Door mijn scheve rug zit ik altijd een beetje scheef en door mijn spasme zak ik standaard onderuit. Geen ergotherapeut kan dat veranderen, hoe graag ze dat ook willen geloven. Helaas heb ik dat nog geen één duidelijk weten te maken. Maar een nieuwe gemeente, nieuwe, kansen: misschien luistert deze dame wel. Zoals Sintjin tegen mij heeft gezegd: scheef of recht, je bent en blijft een prachtig mens.


Week 279: Robot

 

Ik ben erg veranderd. Vooral wat de zorg betreft. Ik was toen ik in De Roode Eenhoorn kwam wonen, erg onzeker. Ik wilde niet teveel van de verzorgers vragen en nam daardoor nauwelijks het initiatief. Wanneer er werd gevraagd ‘Wat wil je vandaag aan?’ schoot ik al in de stress en antwoorde: ‘Maakt niets uit, kijk maar.’ Nu hoor ik soms van verzorgers dat het andersom is: ik ben te direct of te kortaf. Ja, ik kan direct zijn, maar dat doe ik om te voorkomen dat er dingen misgaan tijdens de zorg. En het zit in mijn karakter. Dus je kunt het ook als een compliment zien: wanneer ik direct ben, betekent het dat ik me bij diegene op mijn gemak voel en daarom mezelf kan zijn. Helaas wordt dat vaak niet zo gezien, wat ik ook wel begrijp. En ik kan kortaf zijn, maar wees eerlijk: wie is dat niet om zeven uur ’s ochtends, wanneer je wordt gewekt door de deurbel? Dan ben ik niet zo’n prater. Het blijft soms lastig, de verzorging. Ik trap niet graag op iemands tenen, zeker net iemand die me helpt, maar soms gebeurt het, zonder dat ik het wil. Ik ben een mensenmens, maar zou verzorging door een robot, niet gek vinden. Die is stil in de ochtend en als ik toch zin heb om te snauwen, heeft hij daar geen last van. Misschien komt die er wel in 2014. Als dat zo is, meld ik me aan voor het testteam.

 


Week 278: Traditie

Tradities veranderen en verdwijnen soms, of we dat willen of niet. Zoals onze familiedag: dan haalde papa mijn zus Luca op en was het hele gezin weer even bij elkaar. Een dag vol warmte, muziek en eten. Maar na jaren wilden mijn ouders deze dag allebei anders indelen. De traditie veranderde en begon toen langzaam te vervagen. Ik denk dat ik het daar het moeilijkste mee had: ik kon niet meer bij papa muziek voor Luca draaien. Wel bij mijn moeder, maar dat was niet hetzelfde. Ik was boos. Nu, jaren later, was er nog iets veranderd: ik vierde tweede kerstdag niet in Schoorl, maar bij mij thuis in Heerhugowaard, met papa, Sintjin en Luca. Ik maakte me zorgen om Luca: ze houdt er niet van als dingen anders lopen dan anders, ze raakt ervan in paniek. Maar zodra Luca bij me thuis was, verscheen er een grote grijns op haar gezicht. Behalve toen de muziek haar niet beviel. Die blik herkende ik. ‘Ik zet wel iets anders op.’ Het was een tijd geleden was, bleek ik de smaak van mijn zus nog goed te kennen: haar grijns keerde direct terug. Ze had de muziek en mijn huis, duidelijk goedgekeurd. Er werd gelachen, gezongen en gegeten. De sfeer voelde even gezellig en warm als dat ik me herinnerde van vroeger. Ik veegde een traan weg toen papa niet keek. Sintjin zag het en gaf een kneepje in mijn hand. Tradities veranderen, maar vaak krijg je er iets moois voor terug                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       

  

Week 277: 2014

 

De kalender van 2013 is bijna op zijn einde. Ik herinner me nog dat ik vorig jaar schreef: Nu ben ik bang, maar ik ben benieuwd hoe ik me zal voelen als ik in 2014, de kalender van 2013 bekijk. Nu is het kerst, het huis is versierd en de kerstboom staat. Mijn kerstboom in mijn versierde huis. Vorig jaar vierde ik nog kerst bij pap en mam in Schoorl, nu logeert papa bij mij. Ik had veel scenario’s voor dit jaar in mijn hoofd (de ene nog enger dan de andere) maar deze dan weer net niet. Papa slaapt bij mij, maar hoeft mij niet te verzorgen. Dat is voor ons allebei, een hele nieuwe gewaarwording. Mijn ouders zijn gewoon weer mijn ouders, niet meer mijn verzorgers. Dat is wel de grootste verandering van dit jaar. En ook één van de beste. De druk is voor ons allemaal van de ketel en dat is een enorme opluchting. Ook heb ik het idee dat alles sinds een jaar, weer helemaal klopt. Begrijp me niet verkeerd, ik had het Eenhoorn-avontuur voor geen goud willen missen, maar k hoor in Belverdere thuis. In mijn mooie appartement, waar ik weer druk aan het tikken ben. Tikken aan mijn nieuwe boek, waarvan ik de eerste versie, 15 februari af wil hebben. Wanneer ik een jaar op mezelf. Kortom, 2014 is hopelijk een jaar zonder angsten, maar met veel kansen. Ik wens al mijn lezers, een gezond, gelukkig en vrolijk 2014 

  

Week 276: Drempel

 

Thuis, dit woord heb ik het afgelopen jaar, talloze keren gebruikt in mijn columns Maar wanneer weet je zeker dat je losgekomen bent van het ene huis en geland bent in het andere? Ik heb voor De Roode Eenhoorn gestaan, maar heb niet aangebeld. Ik durfde het niet. Niet omdat ik het miste, maar omdat ik bang was dat ik het ging missen, zodra ik binnen was. Toch heb ik het gedaan: afgelopen week ben ik naar binnen gereden. Beheerdersechtpaar Jaap en Carla ontvingen mij met open armen. Ongemakkelijk reed ik de nog even vertrouwde openbare ruimte binnen en ging aan de eettafel zitten. Niet in “mijn” hoekje, maar aan de kop. Het was leuk om bij te kletsen, maar ik wist dat de grootste hobbel, nog moest komen: mijn eerste huisje bezoeken. Mathijs opende opgetogen zijn deur voor mij. Mijn mond viel open toen ik binnen was: alles was veranderd. Van licht naar donker, van vrouwelijk, naar mannelijk. Ik voelde een lichte steek, toen ik besefte dat mijn identiteit, uit het appartement was weggepoetst. Toen zag ik het: het tegelwerk van mijn vader. Het was er nog. Maar dit huis was niet meer van mij., zo voelde het ook niet. ‘Je voelt je hier thuis, hè Mathijs?’ Hij knikte. Zijn grijns spiegelde die van mij. Even later zat ik in de taxi en zag hoe Jaap het gordijn dichttrok. ‘Veel geluk jongens.’ Ik aaide Bindi, terwijl de taxi Nieuwe Niedorp uitreed. ‘Dat hebben we gehad mop. Op naar huis.’

  

Week 275: Zwijgen

 

Debatteren en discussiëren, ik vind het heerlijk! Zeker als ik voel dat ik aan de winnende hand ben, geeft dat een enorme kick. Maar als ik ergens niet goed in ben, is het ruziemaken. Dat ga ik dan ook het liefst uit de weg, vooral bij mensen die ik lief vind. Helaas is een verbale knokpartij, niet altijd te ontwijken. Soms kan het geruzie zelfs zo hoog oplopen, dat alle communicatiekanalen, dichtgegooid worden. Dan is he stil. En als je mij gek wilt krijgen, moet je dat doen: zwijgen. Schreeuw, scheld, maar alsjeblieft niet zwijgen. Er is mij geleerd dat stilte goed kan zijn: het geeft beiden partijen de tijd om rustig na te denken. Ik snap het, ik kan er alleen niet tegen. Gelukkig overkomt deze “radiostilte” mij niet vaak, maar als het gebeurt, ben ik net een poema in een te kleine kooi. Onrustig heen en weer ijsberend. ‘Waarom hoor ik nog steeds niets van diegene? Moet ik bellen, sms’en of afwachten? WAAH!’ Dit gedrag vertoonde ik ook toen ik mijn ex had gemeld dat hij in mijn boek voorkwam. Hij reageerde niet en ik maakte mezelf gek met allerlei doemscenario’s. Totdat ik doorkreeg hoe belachelijk ik me gedroeg, toen ben ik gestopt. Irritant genoeg is dat een stuk lastiger wanner het om je beste vriendin gaat. Wat doe je in zo’n geval? Zwijgen of proberen de stilte te verbreken? Er is nog een derde optie. Je trots inslikken en drie woorden zeggen. Namelijk: het spijt me

 


Week 274: 24

 

Ik ben 24 geworden, een mooi getal, misschien omdat er 24 uur in een dag zitten. Daarna begint er weer een nieuwe dag. Zo voel ik het ook, alsof er een nieuw hoofdstuk in mijn leven begonnen is. Vorig jaar woonde ik nog thuis en was ik doodsbang voor verandering. De grootste verandering kwam nog: de verhuizing naar Nieuwe Niedorp. Ik wilde niet, ik wilde echt niet! Nu ik eraan terugdenk, kan ik eerlijk zeggen: het viel me alles mee. Ik zie mijn ouders nog regelmatig, terwijl ik bang was dat zij uit mijn leven zouden verdwijnen. Nu lach ik daar om. Ik ben heel blij dat De Roode Eenhoorn mijn eerste zelfstandige woonplek was, maar ik had niet het idee dat ik op mezelf woonde. Nu ik in Heerhugowaard woon, heb ik dat gevoel wel. Ik vind het heerlijk dat ik nu in een flat woon. Een flat waar mensen met en zonder beperking wonen. Ik val niet meer op, ik voel me normaal, gemiddeld. And I love it! Ik heb nu een kans om weer opnieuw te beginnen: als een onbeschreven pagina. Mijn manuscript is afgewezen en eerlijk gezegd ben ik daar nu blij om. Het was te bitter, ik ben er klaar voor om dat gedeelte van mijn leven achter me te laten Wanneer een deur sluit, opent een andere. Op mijn verjaardag kreeg ik bezoek: van mijn uitgever. Om met me te praten over een mogelijk nieuw boek. Er staat weer een deur op een kier.


Week 273: Gêne

 

Ik dacht dat ik geen gêne meer had: zoveel mensen hebben mij in mijn blote kont gezien, dat moest  wel verdampt zijn.  Zowel vrouwen als mannen hebben mij verzorgd. Hoewel de heren in de minderheid zijn. Veel mensen hebben aan mijn bed gestaan, maar nauwelijks jongemannen van mijn eigen leeftijd. Ik geef toe dat toen Koen (19) naast mijn bed stond en me uitkleedde om mij te wassen, ik me erg bewust was van mijn naaktheid. Ik heb dat één keer eerder meegemaakt: op een vakantie in Frankrijk, toen ik voor het eerst door andere mensen dan mijn ouders, gedoucht werd. De vrouw die het eigenlijk ging doen, moest weg en toen stond er opeens een jongen voor mijn neus. Ik zag direct dat de vrouw hem niet had gezegd dat “Robin” een meisje was. We vroegen naar elkaars leeftijd: ik was zestien en hij was net zeventien. Oeps… Toen heeft hij de douche aangezet en hebben we uiterst ongemakkelijk over mobieltjes gepraat. Nu zeg ik het als ik me ongemakkelijk voel. Dat scheelt veel gedoe en weten beiden partijen waar ze aan toe zijn. En na de eerste wasbeurt in combinatie met een praatje over alledaagse dingen, is het ongemak verdwenen. Toen een paar dagen later jongeman nummer twee (27) voor me stond, had ik nergens last meer van. Toch denk dat het ongemak bij mij wel even terugkomt wanneer ik in de dertig ben en iemand van achttien mij uit bed helpt. Maar alles went. Ook een vent. 

 

Week 272: Duel

 

De crisis treft ons allemaal. Ik wil ook best iets inleveren, maar niet mijn vrijheid. In Heerhugowaard wordt gebruik gemaakt van de OV-taxi-pas, waar ik ook gebruik van maakte toen ik nog in Schoorl woonde. Destijds kon ik hem gewoon aanvragen. Nu? No way. Voordat ik het wist, stond er een vrouw van de gemeente voor mijn deur, om te kijken of ik die pas wel echt nodig had. Haar blik ging direct naar de taxi-klem achterop mijn rolstoel. ‘Uw ouders hebben een rolstoelbus?’ Dit had ze vaker gedaan. Maar als ze een duel wilde, kon ze die krijgen. ‘Ja, maar die is op sterven na dood.’ Ze knikte. ‘Maar uw ouders kunnen u nu nog wel vervoeren?’ Ik laat mezelf niet snel onder tafel lullen, maar dit was een zwaardgevecht met woorden: voor ieder argument die ik had, had zij een tegenargument en andersom. Na een uur vechten en pareren, was ik het zat. ‘Mevrouw, mijn ouders hebben 23 jaar voor mij gezorgd. Ze konden in het weekend niet weg, vanwege mij. Doordeweeks werken ze allebei, dus nee, dan kunnen ze niet voor chauffeurtje gaan spelen. En als u denkt dat ik hen hun vrijheid in het weekend weer ga ontnemen, vergist u zich. Ik vertik het!’ Toen viel het stil en het bleef stil. De vrouw vertrok met de woorden dat ze nog contact met mij op zou nemen. Dat heeft ze gedaan. Haar telefoontje bracht een grijns op mijn gezicht: ik heb mijn taxi-pas weer terug. Touché! 

 

Week 271: Home

 

Terwijl ik dit schrijf, kijkt Bindi nieuwsgierig toe. Al mijn spullen hebben hun plek gevonden. Niets wijst erop dat ik hier nog maar amper een week woon. Bindi voelt zich hier prima, ik ook. Alleen buiten schuilt gevaar. In de vorm van voor mij haast onzichtbare stoeprandjes en wijken die exact op elkaar lijken. Tijdens mijn zoektocht naar de Albert Hein, gebeurde dan ook het onvermijdelijke: ik verdwaalde. En het werd al bijna donker. Gelukkig schoot een aardige dame mij te hulp: samen gingen we op zoek naar de Ronnie Biermantuin. Helaas wist zij niets van mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht en lette ik door de spanning, niet meer op de duidelijke waarschuwingstekens. Dus viel ik. Voorover, van een hele hoge stoep. Ik brak niets, maar mijn rug kreeg een behoorlijke optater. Ik wilde keihard vloeken, maar zag toen de twee jochies die mij bezorgd aankeken en hield mijn kaken op elkaar. Uiteindelijk ben ik toch thuis gekomen. Trillend en huilend, maar ik kwam er. Nee, ik ben niet meer in Niedorp, waar ik alles kende en de verzorging een stuk minder zakelijk was. Heb ik spijt? Nee. Ik heb mijn vrijheid terug: ik kan doen wat ik wil, wanneer ik het wil. Ik zal mijn weg hier buiten ook wel vinden. Het belangrijkste is: ik voel me thuis in mijn eigen huis. Een gevoel dat ik in Niedorp gemist heb. En op mijn voordeur staat: de wereld is een gekkenhuis en dit is het hoofdkwartier. Welkom in huize Corbee. 

 

Week 270: Typmiep

 

Denken dat je iets kan en weten dat je iets kan, zijn twee heel verschillende dingen. Ik kan schrijven, dat weet ik. En telefoonwerk is op mijn lijf geschreven. Dacht ik. Maar had ik enige ervaring op dat gebied? Nee. Ik heb jarenlang thuis aan mijn boek gewerkt. Ik wilde wel iets buitenshuis doen, met collega’s, maar heb er nooit actief naar gezocht. Ik durfde het niet. Ik weet wat ik fysiek niet kan en dus klampte ik me krampachtig aan mijn sterke kanten vast. Het gevaar daarvan is, dat als je daadwerkelijk in het bedrijfsleven terecht komt, je genadeloos door de mand valt. Toen ik bij het Trainingscentrum Arbeid begon, was ik zelfverzekerd. Totdat de telefoon ging en ik hem op moest nemen. Opeens was ik een en al spasme. Wat moest ik doen? Op welk knopje moest ik drukken? Ik liet de telefoon vallen en mijn collega moest het van me overnemen. Weg zelfvertrouwen. Ik leerde dat over iets lezen, heel wat makkelijker is dan iets in praktijk brengen. Ik heb voor secretarieel medewerker geleerd, maar vond er niets aan. Eitje, niets voor mij. Nu ik durfde ik de telefoon niet eens meer aan te raken. Maar toen was collega vrij. Toen moest ik wel. Ik werd gedwongen om te multitasken en kreeg er lol in. “Met Robin Corbee, Trainingscentrum Arbeid” klinkt nu heel natuurlijk. Ik neem mensen nu klusjes uit handen en geniet daar van. Op dinsdag en vrijdag ben ik een typmiep. And proud of it.

 

Week 269: Adieu

 

Het is zover: wanneer jullie dit lezen, verhuis ik naar Heerhugowaard. Niet iedereen begrijpt mijn keuze: waarom ga ik bij zo’n uniek, knus, woonproject weg? Antwoord: ik heb daar nooit echt kunnen aarden. Bovendien ben ik sinds mijn achttiende al verliefd op Belverdere.  En het klinkt misschien gek, maar ik heb behoefte aan een nieuwe start. Toen ik naar De Roode Eenhoorn verhuisde, deed ik dat voornamelijk voor mijn ouders, omdat zij de lange verzorging, niet goed meer aankonden. Begrijp mij alsjeblieft niet verkeerd lieve lezers, ik dank God op mijn blote knieën dat ik in De Roode Eenhoorn terecht kon. Ik wil niet weten wat er was gebeurd als dat niet had gekund… De Roode Eenhoorn is een warm nest. Ik voel me vereerd dat ik bij de eerste acht heb mogen horen. Ik vermoed dat als ik direct in Belverdere was gestart, ik was verpieterd. In Niedorp heb ik aan het op mezelf wonen kunnen wennen, waardoor deze stap veel kleiner is. Het is heerlijk om nu te verhuizen omdat ik dat wil, niet omdat ik het gevoel heb dat het moet. Maar ik zal niet liegen: wanneer ik de voordeur van mijn huisje voor de laatste keer in het slot zal horen vallen met het geluid alsof een trein het station verlaat, zal ik huilen. Een laatste boodschap voor de medewerkers en de restende 7 van De Roode Eenhoorn: jongens, bedankt voor alles, ik zal jullie missen. En dan nog de nieuwe nummer 8: Mathijs, veel geluk.

 

Week 268: Hype

 

Op de basisschool is het belangrijk of je verkering hebt en met wie. Nu zijn die vragen verandert in: heb je een lover? Wonen jullie samen? Zijn jullie verloofd of getrouwd?’ Ik weet niet precies wanneer die verandering heeft plaatsgevonden, maar opeens vliegen de verlovingen mij om de oren. Men kijkt ook anders naar de oude verlovingsring van mijn moeder. Nee, ik ben niet verloofd. Nog niet. Mijn mening over trouwen was altijd heel duidelijk: no way. Maar nu begin ik te twijfelen. Misschien ga ik wel trouwen. Ooit. Om daarover na te kunnen denken, zullen Sintjin en ik eerst moeten samenwonen. We hebben het er wel eens over gehad. Speels, maar met een serieuze ondertoon. Wie weet, mijn nieuwe huis is er groot genoeg voor, zoals Sintjin verklaarde. Toen hij dat zei, gaf ik hem een duw, gevolgd met een zoen. Ik vind dat hij eerst zelf op zichzelf moet wonen, voordat we daar over na kunnen denken. Samenwonen, verloven, veel mensen in mijn sociale kring doen daar aan. Maar het gaat vaak ook net zo snel weer mis. Ik denk dat het een hype is: omdat het cool klinkt, omdat iedereen vindt dat het bij onze leeftijd hoort, doen we het. Niet omdat we voelen dat we er klaar voor zijn. Dat is mijn observatie, mijn mening. Ik geef toe dat ik over veel dingen – huisje, boompje, beestje – anders denk dan een jaar geleden, maar ik laat me er niet door meeslepen. Ik ben jong. Come what may.

  

Column 267: Bed-arrest

 

Ik schrijf dit liggend, met mijn laptop balancerend op mijn knie. Niet vanwege luiheid, niet vanwege ziekte, maar omdat het niet anders kan. Mijn rolstoel is kapot. Het begon vorige week maandag, tijdens de ochtendwandeling met Bindi. Ik was bezig de straat over te steken, toen ik opeens stilstond. Midden op straat. Er kwam een auto aan en ik dacht: we gaan dood. Goddank zag de bestuurder mijn schrik en wist ons te ontwijken, net als de auto’s die volgden. Bindi begon paniekerig te janken. Ik probeerde haar te kalmeren en deed het enige wat ik kon doen: De Roode Eenhoorn bellen. Beheerder Jaap kreeg mijn stoel weer op gang, maar twee uur later stond ik weer stil. De monteur vond een losse kabel, maar dacht niet dat het de enige oorzaak was. Dat klopte. De dagen die volgden, bestonden uit rijden en stilstaan. Ik denk dat ik die week één volle dag probleemloos in mijn rolstoel heb gereden. Vrijdag kapte hij er weer mee. Op mijn werk. Daar stond ik, met het toetsenbord op mijn blad, op een plek waardoor bijna niemand er langs kon. Dan voel je je lullig. Gelukkig heeft Sintjin mij dit weekend wel kunnen opvrolijken. Oké, ik geef toe dat in bed liggen ook zijn knusse, gezellige kanten heeft. Maar nu ik weer alleen ben – Bin logeert in Schoorl – bid ik dat ik mijn vrijheid snel weer terugkrijg. Geniet van jullie vrijheid lezers. Je weet pas wat dat is als je het niet meer hebt. 

 

Column 266: Skotwal

 

Skotwal is een Fries gerecht, bestaande uit witte bonen, vet en piepers. Dat wist niet. Ik ken Skotwal als een band, een driemansduo  Wigert, de vriend van mijn moeder, vormt dat driemansduo  met zijn broer Theo en Theo de Jong. Samen steken ze bekende nummers van onder andere Bob Dylan, Johnny Cash en de Rolling Stones, in een nieuw, West-Fries jasje. Ik heb niet veel met country, maar van hun muziek word ik vrolijk. 30 september ging hun documentaire ‘As ik zegge zou’ in première in Cinemagnus in Schagen en ik was erbij. De documentaire vertelt hoe Skotwal is ontstaan. Zoals de mannen zelf vertellen, zat het in hun carrière niet altijd mee. Daarom vind ik het geweldig dat ze Skotwal begonnen zijn: je moet doen waar je van houdt en waar je in gelooft. Vroeg of laat wordt dan je werk erkend: nu heeft Skotwal behoorlijk wat fans. Ik heb respect voor de heren. De muziek is geen makkelijke branche om in te werken, net als het schrijversvak. Dat zij nu succes hebben met Skotwal, geeft mij hoop. Binnenkort gaan de heren zelfs naar Amerika! Als het hun lukt om te doen waar zij van dromen, komt mijn roman er ook wel. Ik wens Wigert en de twee Theo’s, veel succes, maar bovenal plezier in Amerika. Wanneer Skotwal zijn grote doorbraak heeft zal ik zeggen:, die mannen ken ik! Ik was erbij vanaf het begin.’ Ik hoop dat jullie met mij een feestje willen bouwen wanneer mijn roman verschijnt. 
  

Column 265: (T)huis

 

De blaadjes van de eik voor mijn huisje, veranderen van kleur: de herfst is gekomen. Ik heb de herfstkleuren altijd prachtig gevonden. Toen ik als klein meisje door het bos reed en er een blaadje op mijn blad viel, fantaseerde ik dat het een briefkaart van boven was. Aan dat blad vertrouwde ik een wens toe en liet hem weer meevoeren door de wind. Wie weet las de grote baas boven, mijn wens en liet hem in vervulling gaan. Tegenwoordig heb ik heel weinig wensen: ik ben gelukkig. Sintjin en ik houden na bijna zes jaar nog steeds van elkaar, Bindi is vrolijk en gezond en mijn ouders staan achter mijn verhuizing. Wat wil een mens nog meer? Bovendien is het duidelijk wie de nieuwe bewoner van mijn huis wordt: Mathijs. Ik ben blij voor hem en hoop dat hij zijn plek hier vindt. Iedereen heeft het recht om zich ergens thuis te gaan voelen. Dat is een gevoel wat ik nu mis: me ergens thuis voelen. Mijn huis is mijn huis, maar niet mijn thuis, zo heb ik het nooit kunnen noemen. De wil om dat te doen, was er wel, maar er mist een stukje gevoel. Een gevoel dat ik niet kan omschrijven, maar dat aan me knaagt sinds ik het huis uit ben. Dus wanneer er een blaadje op mijn blad belandt, en ik hem weer meegeef aan de wind, is dat de wens die ik eraan toevertrouw: dat ik en Mathijs, een fijn thuis zullen vinden. 

 

Column 264: Kroelen

 

Gezellig met je liefje kroelen in bed. Ik ben al jaren samen met mijn vriend, maar het blijft een hele toer om bij elkaar te slapen. Mijn hoog-laagbed is te smal voor ons beiden, dus slaapt Sintjin naast mij op een kampeerbed. Hoewel het geheel met een paar matrassen is verhoogd, blijft het voor hem een lastige klim om bij mij te kunnen komen. En dan moet hij nog terug, waarbij de kans behoorlijk groot is dat hij tussen mijn bed en het zijne dondert. Niet echt romantisch dus. De oplossing kwam nadat er huurders in mijn vader’s huis hadden verbleven. Na hun vertrek, had mijn vader een klein eenpersoonsbed over. Ik kwam uit Niedorp naar Schoorl voor een experiment: een tweepersoonsbed creëren. En inderdaad, toen de twee bedden tegen elkaar stonden en er een extra matras (in plaats van een hoge berg) was er geen hoogteverschil meer. Sintjin en ik konden zonder moeite neus aan neus liggen. Er ging een hele nieuwe wereld voor ons open. Vol leuke, maar ook mindere dingen. Ja, we konden nu ongehinderd knuffelen, maar we kregen ook ruzie. Om het dekbed. Doordat we altijd apart hadden geslapen, heb ik nooit gemerkt hoeveel Sintjin draaide in zijn slaap. Totdat hij naast me lag en steeds het dekbed van me af trok. Die hij wel weer aan me teruggaf, wanneer ik slaperig ‘Geef terug, geef terug!’, riep. Tja, alles heeft zijn voor en nadelen, maar om in zijn armen te kunnen slapen, was mij alles waard. 

  

Week 263: Jellema

 

Veel mensen zijn bang voor de tandarts. Ik niet. Nooit een reden voor gehad. Tot nu toe heb ik nog nooit (afkloppen) een gaatje gehad. Wat tandsteen weghalen en dat is het. En terwijl Jellema dat doet, vertelt hij altijd hetzelfde verhaal: ‘Ik heb ook eens in een elektrische rolstoel gereden. In een supermarkt, waar ik vervolgens een piramide van conservenblikjes omver heb gereden, haha!’ Ik Heb dat verhaal al zo vaak gehoord, dat ik het kan dromen. Irritant? Een beetje, maar Jellema is altijd zo vriendelijk, dat ik het hart niet had om het hem te zeggen. Dat is ook de reden waarom ik ondanks mijn verhuizing, bij hem gebleven ben. Maar de tijd kan veel veranderen. In de tijd dat ik uit Schoorl weg ben, heb ik een nieuwe rolstoel gekregen. Een langere rolstoel, waarmee ik niet meer de tandartspraktijk mee in kon. Alleen kwam ik daar pas achter toen ik al voor de praktijk stond. Klaar voor mijn halfjaarlijkse afspraak. Tja, wat doe je dan? Jellema wist het wel: als het niet binnen kon, dan maar buiten. Daar stond ik dan: met de voorkant van mijn stoel binnen en de achterkant buiten. Degenen die na mij aan de beurt waren, bleven geamuseerd buiten wachten. Lang duurde het niet, Jellema was zo klaar. Niets aan de hand, ik kon weer naar huis. Of ik hier geen column over wilde schrijven, dat was geen goede publiciteit. Ik denk van wel. Tandartspraktijk Jellema voor al uw tandheelkundige behandelingen. Ook buiten. 

  

Week 262: Foppe

 

Ik was vroeger een angsthaas: bang in het donker, bang voor monsters  onder mijn bed en in mijn kast. Ik was ook doodsbang voor skeletten. Zodra er eentje in een film verscheen, wilde ik direct niet verder meer kijken. Nu woon ik tegenover een kerkhof en heb twee doodshoofden Japie en Kees genoemd. Maar Bin en ik zijn niet alleen: we hebben ook een huisgeest. De eerste keer dat hij zich aan ons kenbaar maakte, schrokken Bin en ik ons rot. Plotseling stond ‘Kikker en zijn vriendjes’ aan, terwijl ik aan de andere kant van mijn appartement, zat te lezen. En de geest houdt van drummen op mijn prullenbak. Alleen jammer dat hij dat ’s nachts doet. Maar als ik zeg dat hij moet kappen, doet hij dat ook. Hij heeft geen kwaad in de zin, hij houdt gewoon van een geintje. Net zoals de klopgeest Foppe, uit de Harry Potter-boeken. Maar niet iedereen gelooft in geesten, waaronder mijn fysiotherapeut. Toen mijn lamp begon te knipperen, vroeg hij of ik problemen had met de elektriciteit. ‘Nee’, zei ik, ‘maar ik woon niet voor niets tegenover een kerkhof.’ ‘Geloof jij in geesten?’, vroeg hij. ‘Ja, sinds ik hier woon zeker.’ De lamp hield direct op met flikkeren. ‘Ik denk dat hij je gehoord heeft’, zei mijn fysiotherapeut verbaasd. Ik lachte. Spoken bestaan niet, zongen Bassie en Adriaan ooit. Nou, wees daar maar niet zo zeker van, vriendjes en vriendinnetjes. Maar ze zijn niet allemaal boos of gemeen, sommigen hebben ook humor.

  

Week 261: Traantje

 

Een huis is pas een huis wanneer erin geleefd wordt. Wanneer erin gelachen, geschreeuwd en gehuild wordt. Ik heb gelachen in mijn huisje, zo hard dat ik geen lucht meer kreeg. Ik heb ook gehuild en geschreeuwd. Ik heb als een hond gejankt toen ik hoorde dat mijn boek niet doorging en mijn knokkels vuurrood geslagen tegen de muur. Al deze emoties hebben de muren stilzwijgend gadegeslagen. Hoe moeilijk ik al het nieuws dat op me af kwam soms ook vond, in mijn huisje vond ik altijd rust. Maar binnenkort is dit huisje mijn huisje niet meer, maar van iemand anders en woon ik in Heerhugowaard. Het drong niet tot me door hoe gek ik dat idee vond, totdat er iets heel logisch gebeurde: er kwam een kijker voor mijn huis. En niet zomaar een kijker, maar mijn jeugdvriend Mathijs. Mijn keel kneep dicht toen hem hoorde zeggen hoe mooi hij het vond. Ik ging naar buiten en pas weer naar binnen toen hij weg was. ‘Het is niets persoonlijks’, zei ik tegen mijn huisje. ‘Nieuwe Niedorp is mijn plek niet, maar als ik jou met me mee had kunnen nemen, had ik dat gedaan.’ Er gleed een traan langs mijn wang. Bindi zag het en gaf me een lik. ‘Ik hoop dat de volgende bewoner net zo veel van dit huis gaat houden als wij Bin.’ Ik veegde mijn ogen droog. Muren zijn beschermers, maar ze zeggen weinig terug. Dus pakte ik mijn mobieltje. ‘Hoi Jona. Is mama thuis?’

 

Week 260: Spijt!

 

Ik ben geen Carry Slee-fan, maar mijn vriend was nieuwsgierig naar de verfilming van haar boek ‘Spijt!.’  Ik liet me overhalen, maar houdt mij voordat ik naar een boekverfilming ga, altijd aan één belangrijke regel: eerst het boek lezen. ‘Spijt!’ gaat over Jochem, die op school erg gepest wordt. David ziet het, maar durft er niets van te zeggen. Tijdens het lezen ergerde ik me aan de voorspelbaarheden in het verhaal, maar het boek heeft een harde kern: pesten kan fataal zijn. En aan het einde van het boek, gebeurde er iets wat ik totaal niet had verwacht: ik moest huilen. Zo hard, dat Bindi ongerust bij me op bed sprong om mij te troosten. Ik heb ook een periode gehad waarin ik gepest werd. Ik werd daar zo ongelukkig door, dat toen ik langs een sloot reed, ik dacht: als ik nu nog iets meer naar links stuur, val ik en dan heb ik nergens meer last van. Van die gedachte schrok ik zo, dat ik met een noodgang naar huis reed. Ik ben ongeschonden door deze periode gekomen, maar er zijn kinderen bij wie dat niet lukt, die echt een einde aan hun leven maken. Daar is dit boek een goede waarschuwing voor. De film heb ik door een probleem met de taxi, moeten missen, maar het boek heet echt indruk op mij gemaakt. Daarom zeg ik tegen alle leraren en ouders: let op. Sommige kinderen kunnen niet om hulp vragen. Grijp in voordat het te laat is.

 
Wreek 259: Zondag
 
Zondag is een rustdag. Een dag om uit te slapen, laat te ontbijten en een warm bad. Ik ben bekend met al die onderdelen, behalve het laatste: het bed. Vroeger legde mijn moeder mij in bad. Ik vond het heerlijk, maar des te ouder ik werd, des te moeilijker het was om mij weer uit het water te krijgen. Dus zei ik die luxe vaarwel. Totdat het nieuwe appartement van mijn zus klaar was, want in haar badkamer stond: een speciaal aangepast bad. Haar verzorgers zagen mij verlekkerd naar de badkuip staren en zeiden glimlachend dat ik er wel eens gebruik van mocht maken als ik dat wilde. Toch stelde ik die vraag nooit. Je gaat niet in iemand anders zijn badkuip liggen. Bovendien kan ik Luca omdat ze niet kan praten, moeilijk om toestemming vragen. Uiteindelijk hakte haar verzorgster de knoop door. ‘Waarom neem je geen lekker bad? Het is immers zondag. Of hebben jullie haast?’ Dat hadden we niet, maar het voelde raar om op haar voorstel in te gaan. Degene die me over de streep trok, was: mijn zus. Ze lag te swingen op haar waterbed, waarom zou ik niet ook mogen genieten? Vijf minuten later lag ik in het water. Het was wel even wennen, maar na nog eens tien minuten, was ik zo slap als een vaatdoek. Helaas heb ik in mijn toekomstige huis geen grote badkuip. Maar Luca en ik worden praktisch buren, dus misschien kan ik een dealtje met haar verzorgers sluiten.
 
Week 258: Golf


Het leven is net zoals de zee: alles kabbelt rustig voort, totdat een golf de kalmte verstoort. Vervolgens komt alles in een stroomversnelling. De golf die de kalmte uit mijn leven joeg, arriveerde toen ik iemand mijn huisje liet zien. In de vorm van een telefoontje: ‘Dag Robin, je spreekt met Christa Mooij, van Belverdere. Ik bel je om je te melden dat we een woning voor jou beschikbaar hebben.’ Woesjj! Het gevoel dat ik eindelijk mijn ritme in een nieuw leven, in een nieuwe woonplaats begon te vinden: weg. Het enige wat ik uit kon brengen toen deze vloedgolf aan nieuwe informatie over mij heen was geslagen, was: ‘Had u daar niet even zeven maanden eerder mee kunnen komen? Ik ben net verhuisd!’ Voor mijn lezers uit Schoorl, is Belverdere niet onbekend: het is het woonproject waar ik op mijn achttiende ben gaan kijken en direct verliefd op werd. En nog steeds ben, realiseerde ik me toen ik naar de woning ging kijken. Blijven of gaan? Ik wist niets zeker, alleen dit: Nieuwe Niedorp is een warm dorp, waar ik al even warm ben ontvangen. Maar gevoelsmatig, heb ik het nooit echt mijn thuis kunnen noemen. In zeven maanden heb ik ontdekt dat ik behoefte heb aan meer vrijheid. Ik wil bij mijn vrienden zijn en bovendien kom ik dichterbij mijn zus te wonen. Het was me een eer om één van de eerste inwoners van De Roode Eenhoorn te zijn, maar ik moet mijn hart volgen: ik vertrek  

  

Week 257: Jager

 

Sommige mensen doen er alles aan om hun droom te bereiken. Ik heb respect voor die mensen. Ik ben zelf ook een jager: ik jaag mijn roman achterna. Meer dan twee jaar lang, dacht ik die in het vizier te hebben. Zeker toen ik klaar was met het schrijven van mijn manuscript, dacht ik: ik ben er bijna. Nog één eindsprint en ik heb mijn roman in mijn handen. Maar soms gaat jouw prooi er op het laatste moment vandoor. Dat is mij overkomen: mijn prooi is mij ontglipt. Mijn roman gaat er de eerst komende tijd, niet komen. De uitgever heeft nee gezegd. En dat terwijl mij wel was beloofd, dat zij het boek zouden publiceren. Meer dan twee jaar heb ik ergens naartoe geleefd, wat nu weg is. Poef. Ik weet niet welk gevoel nu de boventoon voert. Het ene moment ben ik boos, dan weer verdrietig en soms voel ik me vreemd gevoelloos. Het zal er wel bij horen, ik laat het gewoon over me heen komen. Gelukkig bieden mijn vrienden, familie en huisgenoten, mij veel steun, daar ben ik heel blij mee. Veel mensen zijn bang dat ik door deze tegenslag, zal stoppen met schrijven. Hierover kan ik kort zijn: ik kan niet stoppen met schrijven, al zou ik het willen. Het zit in mijn bloed. Mijn sterrenbeeld is een boogschutter. Ik zal altijd mijn roman blijven najagen. De volgende keer dat ik de pijl op mijn boog leg richt en schiet, zal het raak zijn.

 

Week 256: Bedeltjes

 

Een bedeltjesarmband is een armband vol herinneringen. Ieder bedeltje, symboliseert een stukje van jou. Mijn eerste bedeltjesarmband heb ik van mijn oma gekregen. Ik was zo jong, dat ik me die nauwelijks herinner. Behalve dat ik hem kwijtraakte tijdens het zwemmen. Mijn tweede bedeltjesarmband kreeg ik op mijn vijftiende verjaardag, van mijn moeder. Die draag ik nu nog steeds. Ik denk dat het leuk is om zo’n armband op latere leeftijd te krijgen: dan kan je je nog goed herinneren wanneer en van wie je een bedeltje gekregen hebt. Ik moet toegeven dat oma haar best heeft gedaan om de hele armband te vullen: de meesten heb ik van haar. Toch vind ik de bedeltjes die ik van mijn moeder heb, het mooist: zij heeft echt nagedacht over welke bedeltjes er bij mij passen. De muzieknoot: voor mijn liefde voor muziek. Een klavertjevier voor geluk en natuurlijk de symbolen voor hoop, geloof en liefde. Jarenlang is mijn armband hetzelfde gebleven en is er geen nieuwe bij gekomen. Maar nu ik een halfjaar in Nieuwe Niedorp woon, besloot ik mezelf een cadeautje te geven: een nieuw bedeltje. En niet zomaar één: een sleutel. Niet de sleutel naar mijn hart, maar de sleutel van mijn eerste eigen huisje. Nu mijn armband bijna vol is, wil ik er nog twee dingen aan veranderen: mijn molentje laten repareren. En er mist nog één bedeltje: een pen. Maar die komt er pas, wanneer mijn eerste roman verschijnt. Eind juli weet ik meer. Duimen jullie mee? 
 

Week 255: Bezoek

 

Ik hou van mijn zus, maar ben nog nooit alleen bij haar op bezoek geweest. Luca is vaak vrolijk, maar haar humeur kan ook zo omslaan. Wanneer dat gebeurt, wanneer ze boos en verdrietig wordt, weet ik niet wat ik moet doen. Dan voel ik haar frustratie en wil ik maar één ding: weg. Waar ik ook tegenop zie, zijn de stiltes die er kunnen vallen wanneer ik met haar alleen ben. Toen ik nog thuis woonde, draaide ik muziek voor Luca in mijn kamer. Dan was ik alleen met haar, maar dat was toch anders. Mijn ouders waren altijd in de buurt, dus helemaal stil was het nooit. Het liefst wilde ik dan ook met één van hun naar haar toe, maar aangezien zij het allebei druk hadden, viel die optie af. Tatjana, een werkneemster bij De Roode Eenhoorn, kwam met een voorstel: dan gaan wij toch samen? Ik was er een beetje huiverig voor: Luca heeft het niet zo op vreemden. Maar toen Tatjana zich aan haar voorstelde en aan Luca vroeg of ze koffie mocht zetten, zag ik dat het goed zat. Luca kreeg door dat ik naast haar zat en greep met een grote grijns, mijn hand beet. Ik hou van die grijns, er bestaat niets wat ik mooier vind. Ik genoot van mijn bezoek en ik kon zien dat Luca dat ook deed. Ik denk dat ik de volgende keer alleen heen ga. Het was veel minder eng dan dat ik had gedacht. Bedankt Tatjana. 

  

Week 254: Ariël

 

Er zijn altijd dingen die jouw jeugd symboliseren. Bij mij is dat Harry Potter. Maar als ik verder terugga, moet ik toegeven dat die plaats eerst aan een zeemeermin toebehoorde. De dappere Ariël, die haar vissenstaart verruilde voor een stel benen. Ik deelde haar wens, dus voelde ik me verbonden met haar. Daarom zette ik, toen ik hoorde dat de Kleine Zeemeermin de Musical naar Nederland kwam, mijn hakken in het zand. Daar MOEST ik heen! Dus wat doe je dan als dochter met een dunne portemonnee? Je gaat je vader lief aankijken. Helaas speelde hij de ‘je bent al naar de Villagers geweest’-kaart en zat ik klem. Goddank, besloot de belastingdienst om juist nu mijn achterstallige huurtoeslag te betalen en veranderde ‘ik wil’ in ‘we gaan!.’ Dus belde ik mede-musicalgek Wendy op en vertrokken we naar Utrecht. We hadden mazzel: bijna de hele originele kast speelde. Het is vreemd om jouw favoriete film, na jaren in het theater te zien. Ik voelde me weer een klein kind toen ik toekeek hoe Ariël haar prins uit de golven redde. Bij sommige nummers moest ik zelfs een traantje wegpinken: het bewijs dat een musical echt goed in elkaar zit. Lieve Tommie en Tessa: jullie hebben mij waarschijnlijk niet gezien, verstopt achter al die staande klappende mensen. Maar ik heb geklapt, gejuicht en gejoeld. Bedankt voor het mij te laten herbeleven van een stukje jeugdsentiment jullie waren top! Alleen dat confettikanon aan het einde, dat was wat minder. Ach ja, spastisch, fantastisch! 

  

Week 253: Update

 

Heb je al iets gehoord over jouw boek?  Het antwoord op die vraag is: nee. Ik weet nog niets en weet niet of dat iets positiefs of negatiefs is. Mijn columnbundeling was een idee van de uitgever, om het publiek warm te maken voor wat komen ging. We  zijn ondertussen twee jaar verder en is er veel verandert. Ook in de uitgeverswereld. Ik wist  zeker dat mijn boek er ging komen. Nu niet meer. Het is heel uitzonderlijk dat er direct wordt besloten om jouw werk te publiceren. Ik realiseerde me toen niet dat ik een vipbehandeling kreeg. De eerste keer dat ik de uitgever sprak, was ik behoorlijk recht door zee: ‘Ik vind het een eer dat u gekomen bent. Maar als u mijn werk wilt publiceren omdat het concept van “het spastische meisje dat een boek geschreven heeft” goed verkoopt, dan  ik dank u voor uw komst, maar dan kunt u weer gaan. Ik wil dat mijn boek er komt vanwege mijn talent en om niets anders. Ik wil GEEN speciale behandeling!’ Nu ik al maanden zit te wachten op uitsluitsel of mijn boek er komt of niet, denk ik: waarom heb ik dat in godsnaam gezegd? Ik wil geen gelijke behandeling meer, ik wil het weten. Nu! Maar mijn geduld werd beloond: een paar dagen geleden kreeg ik bericht van de uitgever: eind juli krijg ik te horen wat het lot van mijn boek zal zijn. Nu kan ik eindelijk de obsessieve relatie met mijn mailbox, verbreken. 

  

Week 252: ABC

 

Hebt u er wel eens bij stilgestaan hoeveel letters de zin bevat die u uitspreekt? Welke spieren u moet aanspannen om te kunnen praten? Kletsen gaat mij zo makkelijk af dat ik dat nooit deed, totdat ik mijn huisgenote Lot ontmoette. Lot kan niet praten, haar communicatiemiddelen zijn haar ogen en de letters op haar werkblad. Ze wijst de letters aan met haar ogen en vormt zo een woord. Helaas voor mij, zit ik te laag om dat te kunnen zien en moet er daarom een tolk bij komen. Maar die is er niet altijd en dus moesten we iets anders verzinnen om te kunnen communiceren. De oplossing was simpel: pen papier. Ik kan de letters op haar blad niet zien, maar weet wel wat ja en nee betekent. Dus ga ik het hele alfabet af, totdat ze ja zegt. Dan schrijf ik die letter op en begin weer opnieuw. Ik heb het idee dat Lot zich dood ergert aan mijn methode. Toegegeven, het duurt dik twintig minuten voordat de tekst “Ik wil een brutale vraag stellen. Mag ik een zakje chips?” op papier staat. Haar methode is effectiever, maar dit kan ik alleen af en dus hebben we geen hulp nodig. Oefening baart kunst, zegt men en dat klopt. Met haar eerste vraag “Waar is Natalja?” waren we een halfuur bezig. Dus we gaan vooruit! Nu kan Lot mij tenminste om een zakje chips of een kopje suiker vragen. Nooit gedacht dat ik de ABC-lessen zo zou gaan waarderen. 

  

Week 251: Foto

 

Foto’s, een uitvinding om een bijzonder moment, voor eeuwig vast te leggen. Ik leg ook iedere vakantie herinneringen vast, maar laat ze nooit ontwikkelen. Of ze belanden achterin de kast. Ik wil ze wel inplakken, maar ben daar niet goed in en diegenen die dat wel kunnen, hebben vaak geen tijd, Als je dan maar lang genoeg wacht, raken de foto’s vanzelf in die vergetelheid. Maar één van de voordelen van verhuizen, is dat ze vanzelf weer bovenwater komen. Zo bracht mama mij fotoalbums, gevuld met herinneringen over mijn vakantie naar Ierland, de bouw en opening van het Potter-huis en de Voorleeswedstrijd 2002. Tussen losse, gekreukte foto’s, vond ik er eentje waar ik mijn broertje op schoot had. We keken allebei lachend in de camera. Niet veel later dook er ook een foto van mijn zus op en eentje met huize Willy, met een dak bedekt met sneeuw. Ik heb ze laten inlijsten. Nu staan ze in mijn vensterbank. Mijn grootste pronkstuk is een foto waar ik samen met mijn favoriete band, de Villagers op sta. Die foto hangt in een grote lijst, tussen mijn twee boekenkasten in. Wanneer ik daar naar die foto kijk, ben ik weer terug bij dat geweldige moment en kan ik niets anders doen dan grijnzen. Ik heb iemand ooit horen zeggen dat een huis pas een thuis wordt, wanneer al jouw foto’s een plaatsje hebben gekregen. Nu weet ik dat diegene gelijk heeft. Wie zou zich niet thuis voelen tussen zijn dierbaarste herinneringen? 

  

Week 250: Huismus

 

Ik sta er niet zo vaak bij stil dat ik nu al bijna vier maanden in Nieuwe Niedorp woon. Het gekke is dat de dingen waar ik vreselijk tegenop heb gezien, zoals de verzorging en het alleen zijn, mij alles meevallen. Ik geniet er zelfs van Wanneer ik een kop koffie voor mezelf heb gezet, er een zacht muziekje speelt en Bindi tevreden in haar mand ligt, denk ik: ik ben gelukkig. Dat betekent helaas niet dat alles even soepel gaat: vooral wanneer ik belangrijke zaken moet regelen, bekruipt de onzekerheid me. En ik mis dingen van mijn oude leven waarvan ik niet verwacht had dat ik ze zou missen: stoeiend met mijn vader onder de douche of gewoon tv kijkend, terwijl mijn moeder zit te tekenen. De herrie die broerlief Jona kon maken, ik ergerde me daar dood aan en nu merk ik dat ik het mis. Dat ik me afvraag wat ze daar in Schoorl aan het doen zijn en of zij ook aan mij denken. Soms denk ik: ga eens leuk doen met je huisgenoten, je woont immers wel met elkaar in hetzelfde gebouw! Ik vind het ook wel leuk om iets samen te doen, maar die behoefte is veel minder groot dan dat ik in eerste instantie had verwacht. Soms ben ik bang dat mijn huisgenoten mij daarom ongezellig en stom gaan vinden. Maar dan denk ik: iedereen is anders, iedereen ontwikkelt zich op zijn eigen manier en dit is de mijne. Oost west, thuis best.


Week 249: Knuffels

 

Ik was vroeger dol op knuffels. Zo dol dat ik een knuffelberg op mijn kamer had. Alle knuffels lagen op en over elkaar heen, maar ik kende ze allemaal bij naam. Ook nam ik jarenlang knuffels mee naar school en op kamp. Ik voelde me veilig tussen mijn vriendjes. Het ging goed, totdat mijn ouders de berg te hoog vonden worden en besloten een deel te verkopen. Dat pikte ik niet, dus plande ik samen met een vriendin, een reddingsactie. Wat inhield: zij liep naar boven en haalde ze weer naar beneden. Missie geslaagd. Maar toen begon ik te puberen en werden mijn pluche vrienden alsnog naar de zolder verbannen. Waar ze jaren hebben gelegen, totdat de hond van mijn vader, Xamber, hen vond. Hij sleepte ze één voor één naar beneden en zorgde er zo voor dat ik mijn oude maatjes weer zag. Maar nooit voor lang, want ze werden ook één voor één door hem gesloopt. Allemaal, behalve één. Eén dag voordat ik naar Nieuwe Niedorp verhuisde, kreeg hij Beppie te pakken, de hond die ik tijdens mijn vuurtorenvakantie in Ierland heb gekregen. De mooiste vakantie van mijn leven. ‘Nee, niet Beppie!’, riep ik. ‘Je mag al mijn knuffels hebben, behalve Beppie!’ Bindi hoorde de paniek in mijn stem, pakte Bep van Xamber af en gaf haar aan mij. Nu ligt Beppie veilig bij mij op bed in Nieuwe Niedorp en hebben mijn andere knuffels ook een nieuw doel gekregen: ze fungeren nu als Xamber’s prooi. Iedereen happy.   

  

Week 248: Sigaretje

 

“Ik ga even een pakje sigaretten kopen.” Is dat niet het meest beruchte excuus om ergens weg te komen? Ik rook niet, dus kan ik die niet gebruiken. Dat hoeft ook niet: ik heb een hond. Wanneer de spanning bij mij te hoog oploopt, is mijn standaardzin: ik moet de hond uitlaten. Ik heb die smoes dikwijls gebruikt wanneer mijn vriend zonder enige verklaring, een uur te laat kwam. Je hoofd laten schoon waaien door de wind, kost een stuk minder energie dan een potje schelden. Zeer effectief, maar Bindi snapt er vaak niets van. Moet ik er nou weer uit?, zie ik haar dan denken. Ik ben net geweest! Meestal luister ik niet naar haar stille protest en sleep haar gewoon met me mee. Ik geef eerlijk toe dat ik vaker van deze methode gebruik maak, sinds ik op mezelf woon. De bewoners van De Roode Eenhoorn hebben niet veel met elkaar te maken, maar we eten wel gezamenlijk. Wat meestal wel gezellig is, maar één misplaatste opmerking kan de sfeer flink verpesten. Waarvan eentje tegen mijn zere been was, maar voordat ik kwaad kon worden, sprong Bin op en gaf een lik over mijn mond. Ze hield haar kop schuin en kwispelde zachtjes met haar staart. Relax baas, leek ze te willen zeggen, het is het niet waard. Ik knikte en reed weg met de woorden: ‘Ik ga mijn hond eten geven.’ Bindi is een hulphond in hart en nieren: ze is mijn rechterhand, mijn kalmeringsmiddel, mijn sigaretje.

  

Week 247: Play

 

Ik ben gewend om te wachten. Het gebeurt dikwijls dat ik moet wachten tot iemand iets voor mij opruimt, mij uit bed haalt of op het toilet zet. Ik heb het ook nooit heel erg gevonden om te wachten. Tot nu. Zoals jullie weten beste lezers, heb ik mijn manuscript naar de uitgever gestuurd. Nu is het enige wat ik kan doen: wachten. Ik probeer mezelf bezig te houden, door weer aan een nieuw project te beginnen, maar het haalt de onrust niet weg. Ik betrap mezelf erop dat ik constant met een half oog in mijn mailbox gluur. Hebben ze al gereageerd? Wat zullen ze zeggen? Wat als ze het niks vinden? Dat zijn niet de enige gedachten die door mijn hoofd spoken: de mensen die in mijn boek voorkomen, bestaan echt. Ik heb geschreven wat ik wilde schrijven, maar wat zullen zij ervan vinden? Ik word gek van mezelf. Ik voel de drang om te ijsberen, maar kan daar niets mee. Ik heb het gevoel alsof iemand mijn leven op pauze heeft gezet en ik angstvallig afwacht totdat er weer op ‘Play’ wordt gedrukt. Ergens ben ik bang voor de reacties die mijn boek zal losmaken, want die zullen komen. Gegarandeerd. Aan de andere kant denk ik: ik heb hier jaren naartoe geleefd. Ik woon nu op mezelf en begin mijn draai al aardig te vinden. Kortom, het wordt weer tijd voor een nieuw avontuur. Laat die reacties maar komen, ik ben er klaar voor. Kom maar op!


Week 246: Koopjes

 

Ik ben geen financieel genie: ik heb nog nooit echt gespaard. Ik pinde iedere maand een klein bedrag en gaf dat uit aan boeken of schriften. Waarom niet? Mijn ouders deden boodschappen en betaalden de vaste lasten. Het was niet zo dat ik niet mee wilde betalen, het kwam gewoon niet in me op. Nu ik op mezelf woon, schaam ik me daar eigenlijk wel voor. Opeens moet ik zelf mijn portemonnee trekken en besef: shit, het leven is best duur! Aangezien ik nog geen huursubsidie heb, houd ik iedere maand niet veel geld over, waarmee ik alles moet betalen. Dat zorgde in het begin voor wat paniek, maar nu heb ik kennis gemaakt met een voor mij nieuw fenomeen: koopjes. Ik ontdekte dat je hetzelfde product, voor verschillende prijzen kunt krijgen. De koopjeszoektocht duurt lang, maar ik vind ze altijd, waardoor ik trots de winkel verlaat. Het enige waar ik moeite heb, is mijn eeuwige zwakte: boeken. Ik probeer boekwinkels te vermijden, bang dat ik mijn zelfbeheersing verlies. Het is lastig, maar ik merk dat mijn koopgedrag begint te veranderen. Gelukkig heb ik een boekenvriendin die mij af en toe uit de brand helpt en mijn ouders zijn er ook nog. Om het weekend ga ik naar huis en word dan flink verwend. Laatst heb ik een dvd-serie voor mijn moeder gekocht. Gewoon omdat ik daar zin in had. Tegen iedereen die nog thuis woont, wil ik zeggen: klaag minder, geef je ouders eens een zoen. Ze verdienen het. 

 

Week 245: Punt

 

Heb je het recht om jezelf een schrijver te noemen wanneer je nog geen boek op eigen kracht afgerond hebt? Ik schrijf al heel mijn leven, maar had moeite met één ding: de afronding. Dat had ik vroeger al. Wanneer meester Jan ons vroeg om een verhaal op een vel papier te schrijven, kwam ik met drie vellen aan. En zelfs dan moest hij mij dwingen om er een eind aan te breien. Bovendien verloor ik, tegen de afronding van weer een project, altijd mijn zelfvertrouwen en delete alles. Totdat ik besloot om een boek over mijn schoolleven te schrijven. Gewoon voor mezelf, misschien kon ik er dan ooit om lachen. In een opwelling schreef ik daar een column over, geen idee hebbende hoeveel dat mijn leven zou veranderen. Uitgeverij Lebowski nam contact met me op en voordat ik het wist, was mijn boek geen gewoon projectje meer, maar mijn geplande eerste roman. Toegegeven, ik heb het schrijvers-vak onderschat. De tranen hebben over mijn wangen gestroomd terwijl ik zat te schrijven, ik heb zitten trillen, was soms misselijk van ellende. Maar toch kan ik na ruim twee jaar ploeteren, zeggen: ik ben klaar. De eerste versie van mijn roman is af. Ik ben trots op mijn columnbundeling, maar dit boek is zelfs in zijn ruwe vorm, mijn pareltje. Het boek dat sowieso geschreven moest worden, met of zonder uitgever. Ik ben gepest, bedolven onder de vooroordelen, maar dit heb ik maar wel mooi geflikt. Ik ben Robin Corbee, schrijfster. Punt. 

 

Week 244: Indicatie

 

Neem twee vellen op papier: op de ene schrijf je je sterke, en op de andere je zwakke kanten op. Je zult merken dat vel ‘Positief’ veel sneller vol is dan vel ‘Negatief.’ En kunnen wij eerlijk zijn over onze negatieve kanten? Ik denk het niet, daarvoor is nog iemand nodig. Iemand die jou kent als zijn eigen broekzak. De dingen die tijdens zo’n onderzoek naar boven komen, zijn niet altijd even leuk om te erkennen. Ik had een nieuwe zorgindicatie nodig. Voor de leek komt dat op het volgende neer: des te beperkter je bent, des te hoger de indicatie, des te meer geld er binnenkomt om jou een menswaardig bestaan te bezorgen. Om de hoogte te bepalen, moet eerst je hele hebben en houden op papier worden gezet. Daar zat ik dan, in een kantoortje met mijn ouders en een vrouw van stichting MEE. Ik ben spastisch, waardoor ik een hoop dingen niet kan. Punt. Tenminste, daar wil ik altijd een punt zetten, maar er hoort een dubbele punt: ik heb geen oriëntatievermogen, rij soms in het midden van de weg en mijn rekenvaardigheid is nou niet bepaald ontwikkeld. Mijn mond bleef gesloten, maar mijn ouders vulden heel soepel de lege plekken in, tot het punt dat ik dacht: zal ik maar even weggaan? Dan kunnen jullie fijn verder roddelen! Maar ik weet dat moet. Daarom bleef ik zitten en dacht: ik kan misschien heel veel dingen niet, maar mijn boek ligt wel in de winkels. Lekker puh!

   

Week 243: Try-out

 

Wat doe je als de stroom uitvalt? In De Roode Eenhoorn zaten we om 23.00 uur in het donker. Ik was de enige van de bewoners die nog niet in bed lag. Afgezien van de lampen op mijn stoel, had ik geen verlichting, dus verhuisde ik naar de gang, waar de noodverlichting brandde Kaarsen werden uitgedeeld en ik hoorde iemand zeggen dat ik het volgende ‘project’ was, want de tilliften werkten op stroom en dat hadden we niet. Hoe gingen ze mij dan in bed krijgen? Het antwoord was simpel: tillen. Daar hadden we geen van allen zin in, maar we hadden weinig keus. Het was tillen of de nacht in mijn stoel doorbrengen. ‘Wedden dat wanneer ik lig, de stroom spontaan weer aan gaat?’, mopperde ik terwijl vier man mijn tilzak vastpakten en zich klaarmaakten om mij te tillen. 1, 2, 3, en ik lag. Ik zuchtte opgelucht en staarde naar de tillift. ‘Jongens, als we geen stroom hebben, waarom brandt dat lampje dan?’ Iedereen keek perplex naar het groene lampje op de tillift. We kwamen tegelijkertijd tot dezelfde conclusie: tilliften werken op een accu en wanneer die goed is opgeladen, kan je hem altijd gebruiken. Ook wanneer er geen stroom was. En inderdaad, toen Jaap de afstandsbediening indrukte, ging hij gewoon omhoog. ‘We weten nu tenminste wat we moeten doen als de tillift het echt niet meer doet. Laten we dit een try-out noemen.’ We schoten in de lach en tegelijkertijd floepten alle lampen weer aan. Einde try-out. 

  

Week 242: Domein

 

Terwijl ik dit schrijf, staar ik naar de kerk tegenover mijn huisje. De eerste keer dat ik uit ditzelfde raam keek, was bloednerveus, maar dacht: dit uitzicht pakt niemand mij meer af. Dat moment lijkt al zo lang geleden, terwijl het nog amper drie maanden terug is. Drie maanden waarin er heel wat is veranderd. Vooral mijn zelfvertrouwen is met sprongen vooruit gegaan. Ik kan veel meer dan dat ik dacht. Bovendien is de rust teruggekeerd in mijn lijf en dat was niet meer zo sinds mijn bijna-verhuizing naar Purmerend. Maar bovenal is mijn huisje echt mijn plek geworden. Dat merkte ik toen De Roode Eenhoorn officieel werd geopend. Toen ik nog thuis woonde, vond ik het vreselijk als mensen mijn kamer binnen kwamen. Dat was mijn domein, de plek waar ik mezelf kon zijn en dat hield ik liever voor mezelf alleen. Dus toen ik mijn huis openstelde voor publiek, voelde ik tot mijn verbazing ergernis. Hoewel het mijn eigen keuze was om alles open te stellen, had ik er direct spijt van. Het enige wat ik kon denken was: ga mijn huis uit! Ik schaamde me voor die gedachte, dus bleef ik vriendelijk glimlachen, maar nu weet ik weer dat zo’n poppenkast niets voor mij is. Toch is mijn ergernis een groot compliment voor iedereen die De Roode Eenhoorn gemaakt heeft tot wat het nu is. Dit is mijn domein en van mij alleen. Ik dank iedereen voor hun komst, maar nu gaat mijn deur definitief op slot.

 

 

Week 241: Heimwee

 

Kent u hem nog, de plek waar u graag kwam als kind? Waar u speelde met vriendjes of gewoon een boek las? Die plek had ik in Schoorl ook: aan het begin van de Houtjeslaan is een meer, daar kwam ik om na te denken of rustig te worden. Voordat ik in Nieuwe Niedorp woonde, was ik in de veronderstelling dat het erg op Schoorl leek, maar dat is niet zo. Het grootste verschil zijn de auto’s, ik woonde langs een snelweg, maar was niet gewend dat je constant voor een auto aan de kant moest. En in Schoorl is per definitie meer groen te vinden dan hier. Het is er wel, maar het is even zoeken. De verandering van omgeving valt mij daarom soms zwaar. Zwaarder dan dat ik laat blijken. Daarom ben ik ook zo blij dat ik tijdens één van mijn wandelingen met Bindi langs een replica van mijn favoriete plekje reed: een meer met wuivend riet. Daar heb ik mijn stoel geparkeerd en heb samen met Bindi over het water zitten staren. Nu ik die plek ontdekt heb, ga ik er vaker heen, gewoon om de vertrouwdheid in me op te snuiven. Soms loopt er iemand langs die me vraagt of hij kan helpen, dan haal ik mijn schouders op en zeg: ‘Nee, ik verjaag gewoon de heimwee.’ Dan glimlacht diegene en loopt door. Na enige tijd volg ik zijn voorbeeld en ga naar huis. Weer opgeladen en klaar om een nieuwe uitdaging aan te gaan.   

 

Week 240: Communicatie

 

Mensen die staren, mensen die fluisteren. Als ik ergens een hekel aan heb, is dat het wel. Ik zou  willen zeggen dat ik dat niet doe, omdat ik weet hoe het voelt, maar dan zou ik liegen. Toen ik maanden geleden, mijn verhuizing naar De Roode Eenhoorn besprak, ontmoette ik de dochter van de bedenkers,  Lot. Lot zit ook in een rolstoel en is door haar beperking erg  beweeglijk. Toegegeven, bij aankomst trok mijn blik direct naar haar toe en schrok ik. Dat zag ze en haar blik was duidelijk: waag het niet om nu al over mij te oordelen. Praten kan ze niet, haar communicatiemiddel zijn haar ogen. Nu zijn we buren en weet ik wat ja en nee betekent, voor de langere gesprekken hebben we een tolk nodig. Niet op De Zilvermeeuw, daar heeft Lot een computer waar ze met haar ogen op kan typen. Dat wist ik niet, totdat ze mij mee had geloodst en de eerste woorden op het beeldscherm verschenen. ‘Hé, we kunnen kletsen!’ Een brede grijns was haar antwoord. Tegenwoordig heb ik genoeg aan één beweging of blik om haar te begrijpen en samen met haar te lachen.  Communicatie is op allerlei manieren mogelijk: met de stem, handen en de ogen, dat heeft Lot mij geleerd. En dat brengt mij weer bij mijn favoriete uitspraak: beoordeel een boek nooit op de kaft. Ik dacht dat ik dat weinig deed, maar ik moet er toch meer op letten. Een vrolijk Pasen lieve lezers.

  

Week 239: Flatscreen

 

Een tv was iets voor in de woonkamer, niet de slaapkamer. Dat is tegenwoordig wel anders. Bijna ieder kind heeft er nu wel één op zijn kamer. Ik was acht toen ik mijn vader zover kreeg om er eentje voor mij te regelen. Het had voor hem ook voordelen, zei ik, dan hoefde hij er zondag niet meer zo vroeg op, zodat ik Villa Achterwerk kon kijken. Pap was om. Alleen kreeg ik geen modern kleurentoestel, maar een ouderwetse zwart-witte. Het was een klein ding die hij op zondagochtend op een trolley zette en die naast mijn bed parkeerde. Vond ik het erg dat ik zo’n oud ding had? Nee, ik vond het wel schattig. Maar in de brugklas, ging ik toch over op een kleuren-tv die ik zelf kon bedienen. Toen kwamen de flatscreens en ik dacht: handig, ruimtebesparend. Maar pap had het nooit zo op dat moderne spul: alle tv’s die hij kocht, waren tweedehands. Ze bromden en het beeldscherm was soms enigszins verkleurd, maar hij was er blij mee. Nu ik op mezelf woon, heb ik hem eindelijk: mijn eigen flatscreen. Ik weet niet of het kwam doordat papa de flatscreen in mijn appartement zag hangen, maar hij is van zijn geloof gevallen: de oude, logge tv uit de woonkamer is vervangen door een plat exemplaar. Een beetje zorgwekkend vind ik het wel. Ik had het niet van mijn vader, die een gigantische platencollectie heeft, verwacht. Maar het is geen breedbeeld, dat is dan wel weer geruststellend. 

  

Week 238: Zweven

 

Ik heb het gevoel alsof ik zweef. Zweef tussen het leven dat ik kende en het leven dat ik nu heb. Het gevolg daarvan is dat ik me nu nergens echt thuis voel. Nieuwe Niedorp is voor mij nog redelijk onbekend, dus is mijn gevoel logisch. Ik had alleen niet gedacht dat ik mij in Schoorl ook als een vreemde kon gaan voelen. Dingen veranderen, ook als jij er niet bent om dat te zien gebeuren. Mijn broertje werd 9, dus kwam ik naar Schoorl om hem te feliciteren. Toen hij de deur voor mij opendeed, was mijn eerste constatering dat hij minstens twee koppen groter was dan de laatste keer dat ik hem had gezien. Daarna wierp ik een blik in mijn oude slaapkamer en kreeg nog een schok te verduren: alles was kaal gestript. De douchebrancard stond buiten en ook mijn bed gaat verdwijnen. Dat was wel even slikken. Bij mijn vader begint alles ook te veranderen. Daar zijn de veranderingen subtieler, maar toch duidelijk zichtbaar. Verandering is goed zegt men, maar op dat moment deed het me alleen maar pijn. Geen één van de twee huizen voelt meer als thuis, hoewel ik weet dat ik er altijd welkom zal zijn. Bindi heeft daar geen last van. Zij voelt zich overal thuis, zolang ik maar bij haar ben. De momenten dat zij tegen mijn stoel aan ligt, zijn ook de momenten waarop ik het rustigst ben. Wij zijn elkaars veilige haven en voorlopig ben ik daar tevreden mee.

  

Week 237: Rechts

 

Ik ben links. Ik schrijf links, ik stem links en rijd ook vaak aan de linkerkant van de weg. Dat laatste is niet mijn bedoeling. Ik weet wel dat ik aan de rechterkant van de weg thuishoor, maar toch beland ik steeds weer aan de linkerkant, geen idee waarom. Mijn afwijking naar links, was in Schoorl nooit echt een probleem. Men wist het en hield er rekening me. Pas toen ik met Bindi op hulphond-trainingskamp moest, kreeg ik door dat mijn afwijking wel eens voor problemen kon zorgen. Mijn gebrek aan oriëntatievermogen, plus mijn ‘links’ probleempje, maakte mij een gevaar op de weg. Van de eerste trainings-dag, kan ik me weinig meer herinneren, behalve dat de instructrice ‘Rechts, naar RECHTS!’ bleef roepen. Het is me sindsdien gelukt om mijn probleem iets onder controle te krijgen, toch blijft mijn lijf naar links trekken. Maar nu ik in Nieuwe Niedorp woon, is de therapie om van mijn probleem af te komen, definitief begonnen. Hier moet ik wel rechts blijven rijden, anders komen Bin en ik allebei onder een auto terecht. Het is een shocktherapie, maar hij werkt. Na twee weken van training hoef ik niet meer ‘rechts, rechts, rechts’ te zeggen om te zorgen dat ik daar ook blijf. Toegegeven, de neiging om naar de linkerkant te gaan, is er nog steeds, maar langzaam maar zeker wordt die minder. Misschien, als ik mijn best doe, schrijf ik over een maand nog steeds met links, stem ik links, maar rijd ik keurig rechts. 

 

Week 236: Migrant

 

Ken je het gevoel dat duizenden ogen op jou gericht zijn? Men kijkt naar je en denkt: die is zeker nieuw hier. Schoorl was mijn basis, daar kende ik iedere wandelroute, kuil en hobbel. Dat is in Nieuwe Niedorp wel anders. Ik denk dat ik tien keer door dezelfde kuil gereden ben, tot groot amusement van toevallige passanten. Op zulke momenten wilde ik me het liefst in mijn huisje verstoppen en er niet meer uit komen. Maar dat gaat nou eenmaal niet wanneer je een hond hebt, dus deed ik wat ik moest doen en verlegde mijn grens zo steeds iets verder. Halverwege mijn eerste week daar, had ik twee wandelroutes gevonden en besloot om nog een angst van mij aan te gaan: zelf naar het winkelcentrum rijden. Zonder te verdwalen. Een hele uitdaging voor iemand met zulk belabberd oriëntatievermogen als ik. Mijn hart hamerde ik mijn keel toen ik langs de drukke weg reed. Ging ik echt de goede kant op? Ik bleef maar “Het komt wel goed” mompelen, terwijl ik me steeds verder van de Roode Eenhoorn waagde. Ik was nog nooit zo blij om die gele, bekende vlaggen te zien. Hallo Jumbo! ‘We zijn er Bindi, het is ons gelukt!’ Men keek mij bevreemd aan toen zij mij zagen juichen. Dit keer kon het me niets schelen. Voor mij voelde het alsof ik de Mount Everest had beklommen. Ik voel me een migrant in een vreemd dorp, a legal alien. Maar uiteindelijk vind ik mijn weg wel  


 Week 235: Villager


Misschien komt het doordat ik aan een nieuw hoofdstuk in mijn leven begin, maar ik heb me nog nooit zo anders gevoeld dan de rest.  Iedereen probeert mij te helpen met het verhuisgedoe, maar het enige wat ik kan denken is: hoe weet jij nou wat er in mijn hoofd omgaat? Stom, iedereen gaat een keer het huis uit, dat weet ik, maar  ervaar ik het zo. Op het activiteitencentrum voel ik me  een vreemde. De mensen daar zijn lief en doen er alles aan om mij nuttig te doen voelen. Het lukt alleen niet, ik vind geen aansluiting. Over het algemeen voel ik me een vreemde eend in de bijt en dat is een rotgevoel. Maar een vreemde eend is nooit alleen. Ik maakte kennis met vijf vreemde eenden, een Ierse band,: the Villagers. Hun stijl is zo uniek, dat radio-dj’s niet weten wat ze ermee moeten. Is dit mooi of gestoord? Maar ik voel mij thuis in hun muziek: alsof zij mij wel verstaan en begrijpen hoe ik me voel. Daarom was ik ook zo blij toen zij een paar weken geleden gingen optreden in Hedon in Zwolle, en ik daar bij kon zijn. Het publiek dat op het concert afkwam, was heel divers: van tieners, getrouwde stellen, tot 60+’ers. Maar het voelde me alsof ik mij tussen vrienden bevond. Wanneer ik nu naar hun muziek luister en hoor hoe deze vreemde eenden elkaar hebben gevonden, denk ik: dat moet mij ook lukken. Ik ben een Villager.

  

Week 234: Melba

 

Het schrijver zijn zit in mijn bloed, ik zal nooit zonder het schrijven kunnen. Toch wil ik er iets naast gaan doen, omdat ik tussen de mensen wil zijn. Maar wat dat precies zal zijn, ik heb geen idee. Ik zeg het niet graag, maar op dat punt zit mijn handicap mij in de weg. Ik weet dat ik een vlotte babbel heb en kan schrijven, maar wanneer ik probeer te bedenken in welke vakken ik dat kan toepassen, klap ik dicht. Waarom? Omdat ik dan vooral de struikelblokken zie die ik dan tegen zal komen. Ik had een eerlijke en nuchtere kijk op mijn opties nodig en dus besloot ik een Melba te doen: een test om te bepalen waar mijn arbeidscapaciteiten liggen. Zodra ik had besloten om dat te doen, dacht ik terug aan mijn Cito-toets, die ik verknald heb. Stap 1 van de Melba, was echter simpel: vragen beantwoorden met Waar of Niet Waar. Daarna moest ik een paar vage plaatjes ontcijferen. Oké, dacht ik, dit kan ik wel. Maar toen kwamen de praktijkopdrachten: dozen vouwen, inpakken en kaarten op volgorde leggen. Het frustrerende is dat ik wel weet wat ik moet doen, maar mijn handen moeite hebben met de uitvoering. Toch sloeg ik mij er doorheen. De  uitslag heb ik nog niet, maar één ding is duidelijk: als je mijn beperking niet meerekent, heb ik dezelfde capaciteiten als iedere gemiddelde werknemer. Niet beter, maar zeker niet slechter. Gewoon gemiddeld en daar ben ik heel blij mee. 


 Week 233: Niedorper

 

Je kunt het weer voorspellen, een gokje wagen in het casino of je aandelen  vol zelfvertrouwen inzetten op de beurs, maar de waarheid is dat je nooit exact weet hoe het gaat lopen in het leven. Toen ik voor het eerst mijn appartement in Nieuwe Niedorp binnenreed, dacht ik: help, dit is veel te klein! Ook dacht ik dat de spullen die ik gekocht had, nooit een geheel konden vormen. Maar toen het tijd was voor de verhuizing en ik mijn woning betrad, kon ik alleen maar stomverbaasd roepen: ‘Dit is mijn huis, dit is MIJN huis!’ Geen idee hoe mijn ouders het geflikt hebben, maar alles zag eruit alsof het er al jaren stond. Ik heb nooit een heel helder idee over mijn inrichting gehad, maar dit was duidelijk mijn plek. Na mijn eerste nacht daar, was ik er klaar voor om aan mijn integratie in Nieuwe Niedorp te beginnen. Oké, ik kon nog niet douchen of zelfstandig het appartementencomplex uit, maar dat kwam nog wel. Maar die middag kreeg ik mijn eigen deur niet eens meer open of dicht. Nu begon mijn zelfvertrouwen wel erg te wankelen en dat van mijn ouders ook. Uiteindelijk hakten zij de knoop door: ik blijf nog even in Schoorl, totdat alles echt helemaal in orde is Dus maakte ik, 24 uur na mijn aankomst, een pirouetje in mijn huis, glimlachte en deed alle lichten weer uit. Gek, maar ik begon nu al van deze plek te houden. Dag lief huis, tot snel. 


 Week 232: Schoorlse

 

De tijd staat nooit stil, hoe graag we dat soms ook zouden willen. Een halfjaar terug zag ik al op tegen mijn verhuizing, maar kon ik nog tegen mezelf zeggen: het is nog niet zover, relax. Dat kan nu niet meer. Afgelopen zaterdag ochtend, lag ik in bed en dacht: shit, dit is mijn laatste week als Schoorlse, vanaf volgende week ben ik officieel een Niedorper. Ik kon niet meer slapen, in plaats daarvan staarde ik uit mijn dakraam. Ik heb altijd een hekel gehad aan dat dakraam, het zorgde er steeds voor dat ik extreem vroeg wakker werd. Nu denk ik dat ik het ga missen. Zachte voetstappen kwamen mijn kant op. ‘Hé Bin, ben jij ook al wakker?’ Soepel sprong zij op mijn bed. Eigenlijk moest ik haar eraf sturen, ze mocht niet zonder mijn toestemming mijn bed op. Maar ik deed het niet, ik klampte me aan haar vast. ‘Ben jij bang? Ik wel hoor. Ik ken daar nog geen één uitlaatroute uit mijn hoofd. Ik weet over zoveel dingen nog niet hoe ik het aan moet pakken.’ Bindi gaf een lik op mijn wang. Ik lachte. ‘Je hebt gelijk, samen redden we het wel. We doen alles stap voor stap.’ Bindi is opgekruld aan mijn voeten, in slaap gevallen. Dat gaf mij een geruststellend gevoel, waardoor ik uiteindelijk toch weer in slaap ben gevallen. Ik ben bang, maar weet dat er geen tijd meer is voor getwijfel. Het is tijd om in het diepe te springen. 

 
Week 231: Stijl

 

 Ik denk wel eens dat ik niet in deze tijd thuishoor. Ik houd van alles wat nostalgie uitademt. Toen ik klein was, vond ik niets leuker dan op mijn opa’s oude typmachine te typen, ook al hadden we een computer. Ik was (ben nog steeds) een enorme Disney-fan. De kroonluchter uit Belle en het Beest, vond ik geweldig. Zo een wilde ik ook! Het is een gekke combinatie, want als klein meisje wilde ik altijd in een huisje in het Nollenbos wonen. Lekker knus, tussen mijn boeken. Maar helaas, in de kleine, knusse huisjes die ik voor ogen heb, passen niet de aanpassingen die ik nodig heb. Want hoe oud mijn ziel ook mag zijn, zonder een tillift, douchestretcher of hoog-laagbed, kom ik niet ver. Een moderne, aangepaste woning is de oplossing, maar ik zag mezelf niet in een nieuwbouwwoning zitten. Daarom vind ik het woonproject in Nieuwe Niedorp leuk: wie wil er niet in een café uit 1700 wonen? Nostalgie, check. De vloer zit er bij mij in en hoewel hij rolstoelbestendig is, lijkt het alsof ik over oude planken rijd. De rest van de inrichting, vond ik op markten en kringloopwinkels, waaronder een lamp en.. en kroonluchter! Verder is het een bijeengeraapt zooitje van allerlei tijdperken, precies zoals ik het wil hebben. Toch ben ik blij dat ik nu geboren ben, ik had niet in de negentiende eeuw kunnen leven, wegens het gebrek aan aanpassingen. En toegegeven, ik kan me geen leven zonder mijn iPod of Facebook voorstellen.                                      
  

Week 230: Mongool

 

Theo Maassen maakte een grap over de cafébrand in Volendam. Men vond die grap te ver gaan, terwijl één van de slachtoffers er juist grappig vond. Waar ligt de grens? De makers van het BNN-programma “De week van Filemon” op Nederland 3, gingen dat onderzoeken. Er werden blinden, homo’s, doven ‘blondje en een ‘neger’ uitgenodigd om een cabaretvoorstelling bij te wonen. Ook ik, als spast en rolstoeler zijnde, was daarbij. We moesten naar de voorstelling kijken en een bordje omhoog steken als we een grap te ver vonden gaan. Het moet voor de cabaretiers best intimiderend geweest zijn om op het podium te staan. Iedereen was er klaar voor: zet ons maar voor lul, maar wat jij kan, kunnen wij ook. Scherpe opmerkingen vlogen heen en weer, gezichten werden gefilmd, maar de bordjes bleven laag. We waren wel ergere grappen gewend. Alleen toen een cabaretier zei dat ons gebrek aan enthousiasme aan ons verstandelijk vermogen lag, kwam een dove man in opstand. Zijn grappen waren gewoon slecht, gebaarde hij. Daar had ons intellect niets mee te maken Mijn bordje ging omhoog toen het woord ‘mongool’ voor de zoveelste keer viel. Ik heb altijd een hekel gehad aan dat woord en bovendien wordt het voor iedereen die anders is, gebruikt. Alsof we één grote roedel zijn in plaats van allemaal individuen. Niet iedereen was het met mij eens,: voor iedereen ligt de grens ergens anders, er valt geen rekening mee te houden. Wilt u het programma zien? Kijk dan op programmagemist.nl                                                                                                                                                                 

  

Week 229: Hand

 

Ik vind iemands hand vasthouden, één van de meest romantische dingen die je kunt doen. Ik denk dat het komt door mijn eerdere ervaringen in de romantiek: zoenen ging me niet zo goed af, omdat ik bang was te moeten spugen. Knuffelen is ook geen succes. Tenzij diegene bereidt is om te bukken, kan ik alleen zijn middel te knuffelen. Of nog erger: zijn kont. Iemands hand vasthouden, veroorzaakt geen problemen. De eerste keer dat ik de hand van een vriendje vasthield, was tijdens de Engelse les. Ik vond het spannend om zijn duim over de rug van mijn hand te voelen strijken. Vooral omdat de juf het niet zag. Mijn vriend Sintjin is daar niet zo van. Het punt als we hand in hand zitten, is dat hij nooit stil kan zitten, dus geef ik het al snel op. Maar Sintjin is er altijd voor me: toen ik de sleutel van mijn huis in ontvangst nam, stond hij achter me, zijn hand op mijn schouder. Daarna was het tijd om met alle toekomstige bewoners, op de foto te gaan Gek hoor, om alleen tussen allemaal vreemden te staan. Sintjin zag mijn ongemak en bood mij zijn hand aan. Die greep ik gretig vast. ‘Ik ben bang.’ ‘Dat weet ik’, zei hij, ‘maar ik ben één belletje van je verwijderd, dat weet je.’ De rest van de middag hebben we hand in hand gezeten. En toen we daar de kans voor zagen, hebben wij mijn huisje ingewijd met een kus.

 

Week 228: Opties

 

Ik zou me geen leven zonder mijn hulphond Bindi, meer kunnen voorstellen. Voor ik haar had, durfde ik nooit lang  alleen thuis te zijn. Bang dat ik mijn mobieltje liet vallen en dan volledig hulpeloos zou zijn. Nu is die angst verleden tijd. Bindi kan niet alle problemen voor me oplossen, maar wel veel en ze schenkt mij daardoor het belangrijkste van alles: zelfvertrouwen. Maar wat als je niet alleen in een rolstoel zit maar ook je armen niet goed kan gebruiken? Dan is een hulphond niet de oplossing, maar een mechanische arm wel. Een vriend van mij heeft er één en kan nu veel meer zelf: zelfstandig drinken, bijvoorbeeld. Arm of hond, welke van de twee is beter? Zo’n arm hoef je nooit uit te laten en heeft nooit geen zin om zijn werk te doen. Maar zo’n ding duikt niet even  onder tafel om een pen te pakken of trekt je jas voor je uit, wat Bindi wel doet. En een stuk metaal kan je niet troosten, zoals honden dat kunnen. Er zijn zoveel manieren verzonnen om ons leven te vergemakkelijken, dat de verschillen nauwelijks meer zichtbaar zijn. Ik denk dat  je moet gaan voor de keuze die het beste bij jou past en voor mij is die keuze makkelijk: Bindi. Ja, ze verhaart, is af en toe humeurig en soms ziek, maar voor mij wegen de voordelen ruin op tegen de nadelen. Bin is mijn meisje en ik hoop dat ze nog heel lang bij me blijft.

  

Week 227: Yoga

 

Door wat er nu allemaal in mijn leven speelt, ben ik soms een enorme stresskip. Wat erg vermoeiend is. Gelukkig heb ik daar nu een oplossing  voor gevonden: yoga. Ik had altijd iets heel zweverigs in gedachten wanneer ik aan yoga dacht. En dan al die ingewikkelde houdingen, daar had ik toch niets aan? Maar ik had ongelijk. Ik ga sinds een paar maanden, twee dagen in de week, naar een activiteitencentrum zodat ik even tussen de mensen ben. Daar maakte ik kennis met yoga en leerde dat het niet om ingewikkelde houdingen gaat, maar om ontspanning. Het is wel wennen dat je je ogen moet sluiten en dat iemand jou vertelt hoe je moet ademen, maar het werkt. Wanneer je ontspannen genoeg bent, lijkt het echt alsof je je ergens anders bevindt. Sterker nog, toen de yoga instructrice zei dat ik naar mijn ‘warme’ plek moest gaan, kreeg ik het echt warm. Alleen kwam dat door mijn maandverband, die scheef bleek te zitten. De rest van de sessie voelde ik me een stuk minder ontspannen. Ach, dat soort dingen gebeuren. Wanneer alles goed gaat, voel ik me aan het einde altijd lekker uitgerust en ontspannen. Wanneer ik aan een activiteitencentrum dacht, dacht ik er redelijk negatief over, maar nu weet ik dat je er veel dingen kunt leren, waaronder yoga. Zo zie je maar weer, een mens is nooit te oud om te leren. Iedere dag is een nieuw leerproces. Maar goed ook, anders zou het leven saai zijn. 

 
Week 226: Lach

 

Moeder en dochter zijn gezellig aan het winkelen. De verkoopster vraagt aan de moeder: ‘Vindt zij die kleren mooi?’ Voor mensen met een beperking, moet dit een bekend verhaal zijn, dat er over je hoofd heen over jou gepraat wordt, alsof je zelf te stom bent om antwoord te geven. Als klein meisje kon ik daar woest om worden, moest ik huilen wanneer ik aangestaard of uitgelachen werd. Gelukkig had ik mijn ouders, die het altijd voor me op namen. Ik herinner me dat mama drie jochies bijna een draai om hun oren gaf, omdat ze me uitlachten toen ik mijn lekkende ijsje haast niet meer vast kon houden. Nu heb ik hen daar niet meer voor nodig, ik kan prima voor mezelf op komen. Ik ga zelf op pad en samen met mijn vriend naar de film. Toen we na het zien van een kostuumdrama de zaal uit kwamen, hij liep achter me, zoals altijd, sprak een vrouw hem aan: ‘Zo, dat zijn heel wat kilootjes die je daar voortduwt.’ ‘Valt mee’, zei hij luchtig, ‘Zij rijdt zelf.’ ‘Oh, kan dat tegenwoordig ook?’ ‘Al zo’n twintig jaar mevrouw’, mengde ik me in het gesprek. De dame keek me met grote ogen aan. God, het kan praten!, zag ik haar denken. ‘Dat is mooi’, haperde ze. ‘Ik ga maar eens de kerstboom optuigen.’ En weg was ze. Sintjin en ik keken haar na en schoten in de lach. Dat is het enige wat je kunt doen in zo’n situatie: lachen.

 
Week 225: Huisje

 

Er is een eerste keer voor alles: de eerste verliefdheid, de eerste kus, de eerste keer weg van huis. Of, in mijn geval, de eerste keer kijken in mijn appartement. Het is gek om door een lege ruimte te rijden en te beseffen dat het jouw ruimte is, dat jij daar gaat wonen. Mijn appartement is kleiner dan dat ik in eerste instantie verwacht had, daar schrok ik wel even van. Maar mijn vriend Sintjin zegt dat ik het als het Potter-huis moet zien, het Potter-huis 2.0. Hij heeft wel een punt: deze ruimte kan dezelfde knusse sfeer krijgen als dat er altijd in mijn boomhut heeft gehangen. Om dat gevoel te versterken, heb ik een vloer met houtmotief gekozen. Ik heb een vloer, weet welke kleur de wanden krijgen en binnenkort wordt mijn keuken geplaatst. Alles begint bij elkaar te komen. Vind ik dat leuk? Jawel, maar angst voert de boventoon. De vraag ‘hoe moet ik het allemaal aan gaan pakken?’ spookt constant door mijn hoofd. Ik moet blijven onthouden dat ik veel vrienden heb die mij allemaal willen helpen. En iedereen in Nieuwe Niedorp is zo begaan met het project, dat het wel goed moet komen. Bovendien klaag ik vaak dat ik weinig inspiratie heb, daar zal ik vast geen last meer van hebben, nu ik tegenover het kerkhof ga wonen. Wanneer ik uit het raam kijk zie ik de kerk. Daar zie ik mezelf al helemaal zitten Een meer inspirerend uitzicht, kan een schrijver zich niet wensen 

  

Week 224: Duikplank  

 

Ik ben bijna jarig en voor het eerst in mijn leven wist ik niet wat ik op mijn verlanglijstje wilde zetten. Ik heb niet veel wensen dit jaar en de wensen die ik heb, zijn niet te realiseren. Nog niet. Ik wil in mijn appartement kijken, zodat ik een beeld heb bij wat komen gaat Maar dat kan niet, want de vloer van de Roode Eenhoorn, ligt er nog niet in. Uiteindelijk heb ik toch een lijstje omdat de vraag ‘Wat wil je voor je verjaardag?’, maar bleef komen. Boeken, cd’s en onderaan de aantekening: kleine dingen voor in mijn appartement. Een lastige opdracht: iedereen heeft een andere smaak en bovendien heeft niemand mij appartement nog gezien, inclusief ikzelf niet. Dat is het irritantste van alles: het niet weten. Ik heb al maanden de bibbers voor wat er in februari gaat gebeuren. Het lijkt wel alsof ik op een duikplank sta. Ik kan niet voor of achteruit, het enige wat ik kon doen, is de diepte in staren. Dat is zo frustrerend. Na mijn verjaardag duurt het nog twee maanden voordat ik verhuis, maar ergens wil ik dat iemand mij nu van die duikplank af duwt, dan weet ik tenminste welke angsten reëel zijn en welke niet. Dat is mijn verjaardag wens, maar die kan ook niet vervuld worden, dus vraag ik iets anders: ik vraag heel veel mokken. Allemaal verschillenden, zodat hoe mijn appartement er vanbinnen ook uitziet, ik zeker weet dat er eentje bij het interieur zal passen. 


 Week 223: Chaoot

 

Mijn vader is een echte chaoot. Wanneer ik aan hem vraag ‘Wil je me helpen?’ zegt hij ja, maar dat betekent niet dat hij dat ook per direct gaat doen. Of hij helpt me en gaat tijdens die handeling, iets heel anders doen. Het gebeurt vaak dat ik op de douchebrancard lip, pa mij heeft uitgekleed om te douchen en dat hij dan naar de keuken loopt om de vaatwasser uit te ruimen. Soms vind ik het heel irritant, maar ik ben er ondertussen wel aan gewend. De truc is om iets vaker ‘papa!’ te roepen, dan komt het wel goed. Ik vind het ook wel grappig, dat multitasken van hem. Maar om halfeen ’s nachts is daar niets grappigs meer aan. De nacht is bedoeld om te slapen, niet om mijn kamer op te gaan ruimen. Maar in het vreemde brein van mijn vader, werkt het anders. Als hij iets in zijn kop heeft, moet het gebeuren, ongeacht hoe laat het is of hoe hard zijn dochter ook zucht. Soms haalt hij met dat soort buien, het bloed onder mijn nagels vandaan. Ik heb zelfs een keer geschreeuwd: ‘Doe nou wat ik vraag, je wordt ervoor betaald!’ Daar schaam ik me achteraf altijd voor. . Ik hou van mijn vader. Hij is een chaoot, dat kan ik niet veranderen en dat wil ik ook niet. Op zulke momenten besef ik dat het voor mij tijd word om te verhuizen, dan heb ik de regie zelf in de hand.


 Week 222: Twilight


Het is zover: de laatste Twilight-film draait in de bioscoop. Dit zal velen van u niets zeggen, maar jongeren, en dan vooral meisjes, staan te trappelen om deze film te zien. De Twilight Saga vertelt het verhaal van Bella die verliefd wordt op Edward, een vampier. Vampiers zijn hot op dit moment en dan vooral Twilight. Eerst snapte ik niet waarom, totdat ik de boeken zelf ging lezen. Het is het aspect van onvoorwaardelijke liefde, wat de boeken zo populair maakt. Dat is ook de reden dat huisvrouwen het boek zijn gaan lezen. Wie wil nou niet aan de heftigheid van je eerste grote liefde herinnerd worden? Toch zit er ook een nadeel aan: er is een Twilight-gekte ontstaan. Schrijfster Stephenie Meyer heeft een hartstochtelijke liefde beschreven, haast tegen het obsessieve aan. Heerlijk om over te lezen, maar het is niet de realiteit en dat verliezen jongeren vaak uit het oog. Op Youtube heb ik een jongedame gezien die hysterisch werd, alleen al bij het zien van de trailer. Ik kreeg spontaan last van plaatsvervangende schaamte, want volgens mij was zij van mijn leeftijd. Ik geef toe, ik ben ook een fan, maar niet zo extreem dat ik achter een webcam ga zitten huilen. En nu komt de grootste schok: dit zal de laatste Twilight-film zijn! Even zullen de tranen rijkelijk vloeien, maar dan zakt Twilight weg in de vergetelheid, net als alle andere trends. We hebben tovenaars gehad en nu ook vampiers. Mijn vraag is: wat komt er hierna?


 Week 221: Boeman


Er zijn altijd dingen waar je als mens tegenop ziet. Een bezoekje naar de tandarts, is daar een voorbeeld van. Wat zal hij gaan zeggen? Zou er geboord moeten worden? Hetgeen waar ik steeds weer tegenop zie, is het bezoek van mijn hulphond-begeleider, Kitty. Nadat Bindi en ik van het trainingscentrum terugkwamen, kregen wij een persoonlijke begeleider toegewezen. Die begeleider komt eens in de zoveel tijd langs om te kijken hoe het gaat en om te helpen waar nodig. Dit klinkt misschien heel normaal, niets om bang voor te zijn. Maar Kitty kan meer doen dan helpen en begeleiden: ze kan ook besluiten dat Bindi met pensioen gaat. Kitty heeft me al talloze malen gezegd dat dat nooit haar intentie is, dat ze het beste uit Bin en mij wil halen. Ik weet dat ze het meent, maar toch… ze is en blijft de boeman. Ik weet dat de dag dat Bindi met pensioen gaat, onvermijdelijk is. En degene die mij zal vertellen dat zij niet meer kan werken, Kitty zal zijn. Toen ik dat aan Kitty vertelde, glimlachte en zei dat ze het wel begreep. ‘Dat is ook het gedeelte van mijn baan dat ik niet leuk vind’, vertelde ze. ‘Maar geloof me, wanneer Bindi op is, is het voor jullie allebei beter als ze met pensioen gaat.’ Ik weet dat ze gelijk heeft. Het is net als bij de tandarts: de bezoekjes zijn eng en wat hij in je mond doet kan pijn doen, maar is wel noodzakelijk


Week 220: Tovertruc

Na twee jaar van zwoegen, kan ik eindelijk zeggen: mijn boek is bijna af. Ik weet niet welk gevoel de overhand heeft: blijdschap of angst. Blijdschap omdat het dan eindelijk achter de rug is. Het was veel zwaarder om deuren naar het verleden te openen en om alles mooi op te schrijven, dan dat ik van tevoren had gedacht. Maar het is ook eng, omdat ik hierna aan een heel ander boek ga beginnen. Een boek dat niet over mezelf en over mijn leven zal gaan. Dat maakt me best angstig, aangezien schrijven over mezelf, mij in het schrijverswereldje heeft gebracht. Het is moeilijk om een bepaalde schrijfwijze los te laten, als je weet dat die goed werkt. De bekendste schrijfster ter wereld, J.K. Rowling, zal die angst ook wel gevoeld hebben. Het heeft vijf jaar geduurd, maar haar roman ligt eindelijk in de winkel. Een roman, in plaats van een nieuw boek over de bekende tovenaarsleerling Harry Potter. Ik moet erg wennen aan haar nieuwe stijl, maar ik begrijp haar keuze. Ze wil niet bekend zijn en blijven door een en dezelfde tovertruc. Dat getuigt van grote moed, als je het mij vraagt. Moed die ik nog bezig ben te verzamelen. Ergens hoopte ik nog met min boek bezig te zijn wanneer ik naar Nieuwe Niedorp verhuisde, maar misschien is dit beter. Het ene hoofdstuk eindigt en het andere begint. Ik weet niet wat de toekomst mij brengen zal. Het is net een blanco pagina: mooi en mysterieus tegelijkertijd.


Week 219: Rebellie


De dood is een beladen onderwerp voor velen. Het is daarom ook niet gek dat ik niemand kon vinden die met mij naar de film ‘Voor ik doodga’ wilde. Een film over Tessa, die leukemie heeft en weet dat ze nooit zeventien zal worden. Daarom maakt ze een lijst met de tien dingen die ze nog wil doen voordat ze sterft (seks, drugs, diefstal). Kortom: de grenzen opzoeken. Ik besloot hetzelfde te doen: als niemand met mij mee wilde, ging ik wel solo. De bioscoop is een plek dat mij angst aanjaagt. Het begint al bij de draaideur, ik ben altijd bang dat ik erin vast kom te zitten. Het ding bleef nu ook een paar keer stilstaan en achter me hoorde ik het bekende gegniffel uit leedvermaak. Gewoon negeren, dacht ik, Zet door, dit kan je! En inderdaad, vijf minuten later zat ik in de zaal. Op de eerste rij, de plek waar ik sinds mijn zesde niet meer durfde te zitten, van de film te genieten. In de pauze kroop een meisje via de trap naar beneden, het was duidelijk dat ze haar benen niet kon gebruiken. ‘Er is dus wel een rolstoelplek!’, hijgde ze. ‘Eigenlijk niet’, antwoordde ik, ‘maar ik kan erg overtuigend zijn als ik wil.’ We grijnsden, de rebel in elkaar herkennend. Dat is denk ik ook wat Jenny Downham, de schrijfster van ‘Voor ik doodga’ ons wil leren: doe eens gek, zoek je grenzen op. Je weet nooit welke dag je laatste zal zijn. 


Week 218:Verhalen

 Iedereen maakt iets mee in zijn of haar leven wat hen vormt tot wie zij nu zijn. Een verhaal dat het waard is om opgeschreven te worden. Nu het verhaal over mijn schoolleven bijna af is, is dat ook wat ik wil gaan doen: bijzondere verhalen van anderen opschrijven. Maar hoe pak je zoiets aan? Ik weet nu hoe moeilijk het is om een gedeelte van je leven op papier te zetten. Ik heb meer dan eens met trillende handen achter mijn laptop gezeten, omdat ik een deurtje in mijn hoofd had geopend, waar een pijnlijke herinnering achter schuilde. Waren er wel mensen die hun persoonlijke belevenissen met mij wilde delen? Uiteindelijk vroeg ik aan mijn oma naar een gebeurtenis wat haar kijk op het leven veranderde. Zij vertelde mij hoe zij de Tweede Wereldoorlog beleefde, een heel mooi en aangrijpend verhaal. Na afloop gaf zij mij zelfs een dubbeltjesarmband, gemaakt door onderduikers, tijdens de oorlog. Binnen twee dagen had ik haar verhaal op papier gezet en ben heel trots op het resultaat. Oma vond het ook prachtig en liet het direct aan iedereen lezen. Nu ik dit een keer heb gedaan, besef ik hoe leuk ik het vind en ermee door wil gaan. En die kans krijg ik, Historisch Egmond heeft mij gevraagd om verhalen van bijzondere mensen op te schrijven. Ik wil het ook graag voor mensen privé doen. Dus hebt u een verhaal dat u graag op papier wilt zien? Laar dan een berichtje achter in mijn gastenboek.


Week 217: Kalender

Een kalender vertelt over heden, maar ook over het verleden. Aan het begin van dit jaar zou ik nog naar Purmerend verhuizen. Nu ga ik naar Nieuwe Niedorp en ook ditmaal liegt mijn kalender niet: over vijf maanden kan het project af zijn. De planning is 1 februari. Het gaat heel snel: ik heb al even in de Roode Eenhoorn rondgeneusd, heb mijn andere huisgenoten ontmoet en heb ik zelfs al een keuken besteld! Ook weet ik welke van de benedenwoningen van mij wordt: de achterste, met uitzicht op… het kerkhof. Het is een redelijk kleine ruimte, maar ik denk dat ik mij er wel thuis ga voelen. Dat is denk ik ook het grootste verschil met Purmerend: het thuis voelen. Wanneer ik in Nieuwe Niedorp ben, voel ik de warmte van het dorpsleven, net als in Schoorl. Iedereen kent elkaar en zegt hallo. Purmerend was een stad, groot en chaotisch. Te chaotisch voor mij. En ik was er ook niet klaar voor om op mezelf te gaan. Of ik er nu klaar voor ben? Geen idee, maar ik zal de sprong toch moeten wagen. Tijdens een bijeenkomst voor de toekomstige bewoners, trilde ik soms als een rietje. Moeder en dochter zaten hand in hand te luisteren naar wat komen gaat. Ook Bindi legde haar poot op mijn arm. ‘Het komt goed baas, ik blijf bij je.’ Nu ben ik bang, maar ik ben ook benieuwd hoe ik me zal voelen als ik in 2014, de kalender van 2013 bekijk.

Week 216: Link

 Twitter, Hyves en LinkedIn, allemaal voorbeelde van social media. De bekendste is Facebook. Ik weet niet precies wat er leuk is aan social media, het is een platform waar je al je gedachten, plaatjes en filmpjes op kan plaatsen. Het klinkt heel simpel en gek dat mensen zoiets leuk vinden om te doen en toch doen miljoenen het. Ikzelf ben lid van Facebook en Hyves. Omdat ik vaak alleen thuis zit, is dat mijn manier om in contact te blijven met mijn vrienden en om te kunnen zien wat zij doen. Zoals ik het nu uitleg, klinkt zoiets als Facebook, heel onschuldig, maar dat is het niet, het kan heel gevaarlijk zijn. Wie heeft er niet van de Facebookmoord gehoord? Twee vriendinnen krijgen via Facebook zulke erge ruzie, dat één van hen wordt vermoord. En deze week het drama in Haren, omdat een meisje mensen via Facebook uitnodigde voor haar verjaardag. Ze drukte per ongeluk op de verkeerde knop, waardoor duizenden mensen naar Haren kwamen en alles vreselijk uit de hand liep. Het probleem van het internet is dat het openbaar is, iedereen kan lezen wat je denkt. Ook voelt men zich oppermachtig achter hun computer: ze kunnen zeggen wat ze willen, niemand kan hen zien. Het internet is gevaarlijk, maar je kunt het je kinderen niet verbieden: dat maakt het alleen maar interessanter voor hen. Goede voorlichting is alles wat je kunt doen. Ik hou van mijn computer, maar soms verlang ik terug maar de ambachtelijke pen en papier.


Week 215: Eitje

Ik was vroeger dol op de Disneyfilm Pinokkio. Vooral de scène waarin de speelgoedwinkel van Gepetto in beeld kwam, staat me nog helder voor de geest. Al die vrolijk, klingelende klokken, zo’n huis wilde ik ook! Ik had als klein meisje de wens om in een klein huisje in het Nollenbos te wonen. Het huis zou vol staan met boeken en natuurlijk mocht de vrolijk tikkende klok, ook niet ontbreken. Uiteindelijk is het geen huis in het bos geworden, maar café, dat uit 1700 stamt. Ook leuk, maar het nostalgische tintje waar ik zo op val, zal ik zelf in mijn moderne appartement  moeten aanbrengen. Stap één is nu officieel gezet: ik heb mijn klok, eindelijk. Mijn wens leek zo simpel: een ouderwetse klok, die je duidelijk (maar ook weer niet al te duidelijk) hoort tikken en die om de zoveel tijd slaat.  Een eitje, toch? Mijn vader kwam met nummer één: een klok uit Suriname. Hoewel hij hemel en aarde had bewogen om hem in Nederland te krijgen, was het geen winnaar. Mooi, maar niet praktisch. Nummer twee was een Friese staartklok: prachtig handbeschilderd, met maar één minpunt: hij deed het niet. De gouden vondst bleek zich uiteindelijk veel dichter bij huis te bevinden: namelijk op de kofferbakmarkt in het dorp. Daar heb ik een houten pendule gekocht, de nu vrolijk tikt in mijn kamer. Nu zal het tenminste niet stil zijn wanneer ik mijn appartement in Nieuwe Niedorp binnenkom, want zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. 

Week 214: Eerlijk

 De wijze les van deze week is: niet over alles kan een column geschreven worden. U verwacht een column over de uitslag van de Rabobank Cultuurprijs. Ik ben eerlijk: dat gaat me niet lukken. Hoe kan ik schrijven over iets, wat totaal niet ging zoals ik had verwacht? Wanneer ik aan de uitreiking dacht, zag ik een vrolijk, feestelijk gebeuren voor me. Mijn ouders en Sintjin, die mij trots aanmoedigden. Mijn ouders waren er, maar vriendlief was nergens te bekennen. Hij was zijn telefoon kwijt en durfde niet zonder, het huis te verlaten. Een domper, die ik niet zag aankomen. De genomineerden werden bovenin De Vest verwelkomt. Maar omdat de boel verbouwt werd, was het voor mij nog een hele toer om er te komen. En was ik er eindelijk, kon ik weer terug. De uitreiking vond namelijk weer beneden plaats. Die ‘uitreiking’ kan ik in een paar woorden samenvatten: klein, benauwd, ongezellig, gehaast. En dan heb ik het nog niet eens over die smalle, steile oprijplank gehad, waarover ik het podium op moest (‘Papa, ik wil nog niet dood!’). ik bleek voor niets mijn angst overwonnen te hebben: ik viel niet in de prijzen en mocht binnen twee seconde, weer naar beneden. Ook de Publieksprijs heb ik niet gewonnen, Inge Bak bleek een iets groter netwerk te hebben. Een voordeel: ik hoefde niet nog een keer het podium op. Lieve mensen, dit was mijn Rabo-avontuur. Niet veel soeps, maar bedankt voor al jullie stemmen. Op naar het volgende avontuur!

Week 213: Flashback

Ooit, in een ver grijs verleden, deed ik mee aan de Natinale Voorleeswedstrijd. Het was een geweldige ervaring, tot aan de derde ronde. Die ronde vond plaats in De Vest en werd gepresenteerd door iemand die duidelijk een korte avond had gehad. Nadat de eerste kandidaat had voorgelezen, vol passie, maar veel te hard, besloot meneer de presentator, de regels van het voorlezen, nog eens uit te leggen. Het arme kind kromp in elkaar en barste bijna in tranen uit. Daarna was de rest aan de beurt, waarbij ze mij vergaten. Ik stak mijn hand op om de aandacht te trekken, maar had er eigenlijk helemaal geen zin meer in. Nu, tien jaar later, gaat er weer een prijsuitreiking plaatsvinden in De Vest: de uitreiking van de Rabobank Cultuurprijs. Ik vind het een heel gek idee om daar na zoveel jaar weer te zitten, wachtend op de uitslag. Of ik daadwerkelijk in de prijzen ga vallen, betwijfel ik, maar daar gaat het mij niet om. Ik vind het gaaf om daar te zijn, in de kleren die ik speciaal voor deze gelegenheid gekocht heb. Wanneer ik aan die avond denk, voel ik me apentrots dat ik het zover geschopt heb. Via deze weg wil ik iedereen bedanken voor het vele stemmen en promoten. Wat de uitslag ook moge zijn, ik ga zeker van mijn avond genieten. want dat is het: mijn avond. Een mooie kroon op mijn jarenlange werk als columniste. Maar nee, aan stoppen denk ik nog lang niet.
  

Week 212: Happy End 

Samen met je liefje zwijmelen in de bioscoop, heerlijk! En het is zo geregeld. Maar niet in mijn geval. Ik houd niet van 3D-effecten, dus die films vallen af. Ook wil ik niet helemaal vooraan zitten en dan ben je als rolstoeler, wel vaak de klos. Of de zaal is niet rolstoeltoegankelijk. En dan heb ik het nog eens over het taxivervoer gehad, want als alles eenmaal geregeld is, hoe zorg je er dan voor dat je er op tijd bent? Kortom, een leuke date regelen is nog een heel gedoe. Ik was dit weekend al uren bezig met kijken en bioscopen bellen, maar kwam geen steek verder. Na mijn derde telefoontje, begon de kassajuffrouw medelijden met me te krijgen en stelde een film voor: Intouchables. Geen 3D-effecten, rolstoelplek op de vierde rij en in het Frans. Verfrissend. Verassend genoeg kwam de taxi op tijd en konden we van een uiterst komische en lieve film gaan genieten. Had ik me dan voor niets druk gemaakt? Nee. Na afloop belde de taxi. Of het goed was dat hij drie kwartier later kwam. Nee, was mijn antwoord. Daarna belde mijn moeder: Sintjin had de lampen van zijn auto aan laten staan. Ach, ik had weer genoeg stof voor een column. Maar na mijn dreigende “Nee!”, besloot de centrale om de taxi toch maar op tijd te sturen. En met behulp van een paar startkabels, is Sintjin toch nog thuis gekomen. Een happy end. Alleen heb ik mijn afscheidszoen moeten missen.

Week 211: Rommeldam
Schoorl is mijn thuis. Hier ligt mijn hart en ik kon me lange tijd niet voorstellen dat ik ergens anders zou kunnen aarden. Toch gaat het gebeuren: over iets meer dan een halfjaar ga ik mijn  dorp verlaten en vertrek ik naar Nieuwe Niedorp. Ik vind het doodeng, dat mag u best weten, maar dat schijnt normaal te zijn als je het huis uit gaat. Ik wist niet veel over de voortgang van het project, dus ben ik samen met mijn vader en oma, die ook wel wilde weten waar haar kleindochter zou komen te wonen, naar Nieuwe Niedorp afgereisd. De laatste keer dat ik er was geweest, was er niet veel van het gebouw over en kon je op een bord zien hoe het ging worden. Nu hoefde ik er niet naar te kijken om te zien dat het oude café langzaam maar zeker in eren werd hersteld. Nog leuker: uit de puinhopen waren acht appartementen gerezen. Toen ik door de ramen naar binnen gluurde, voelde ik een rilling over mijn rug lopen. Niet uit pure angst, maar verwachtong. Nieuwe Niedorp is precies zoals ik me Rommeldam, het thuis van Bommel had voorgesteld: ouderwets, met veel groen en bruggetjes. En alles wat ik nodig heb, kan ik in een klein winkelcentrum. Als afsluiter besloten we opzoek te gaan naar een leuke eettent en kwamen we bij een Irish Cottage terecht. De serveerster keek me taxerend aan lachte en zei dat ik hier paste. Ik denk dat ze gelijk heeft.

Week 210: Wablief?
Nog even en dan is het zover: dan gaan we met zijn allen weer naar de stembus! Ik heb het eerste aanplakbiljet al in het dorp zien verschijnen. Van de VVD. Hun slogan was zonder meer opvallend: “Handen uit de mouwen in plaats van ophouden.” Een erg dubbelzinnige boodschap, vindt u ook niet? Voor wie zou die bedoelt zijn? Voor de SP, die veel geld in nieuwe projecten wil investeren? Of voor diegenen die van een uitkering leven, waaronder ikzelf? Als dat het geval is, wat ik vermoed, heb ik een boodschap voor de VVD: we willen onze handen wel uit de mouwen steken, maar dat wordt ons haast onmogelijk gemaakt. Ik ben al jaren op zoek naar werk naast mijn schrijverij, omdat ik de sociale contacten mis, maar zonder succes. Wanneer ik een mogelijke werkplek bel en zij mijn stem horen, nodigen ze me meestal direct enthousiast uit voor een gesprek. Maar dat is voordat ze mijn stoel en mijn hond zien. Dan duiken er allerlei problemen op en kunnen ze mij niet aannemen. Maar dat durven ze dan weer niet te zeggen, bang dat ze me zullen kwetsen. Ik heb altijd geprobeerd om naar de standpunten van de partijen te luisteren en ze te begrijpen, maar deze uitspraak maakt me misselijk. Beste mensen van de VVD. Jullie willen dat we met zijn allen veel centjes gaan verdienen? Prima, ik stroop mijn mouwen al op. Bied maar wat aan. Mijn oma zegt altijd: ‘Wel nadenken voordat je iets zegt.’

Week 209: Nostalgie
Ik deed vroeger vaak alsof ik een voorleesprogramma op de radio had: dan zette ik mijn favoriete muziek op en las voor uit een boek. Dat nam ik dan op, zodat ik het later kon terugluisteren. Dat deed ik niet met de computer, maar gewoon op een cassettebandje. Even voor de duidelijkheid:  cassettebandjes zijn de voorlopers van de cd’s en de iPod. Ik nam zelfs opnameapparatuur mee naar school, zodat ik mijn klasgenoten kon interviewen. Maar toen kwam de puberteit en verdwenen alle bandjes in een grote doos. Nu, jaren later, zou ik ze wel weer willen terugluisteren, maar helaas is de gemiddelde stereotoren daar niet meer op berekend. Wat mij iets engs doet beseffen: ik word oud… Cassettebandjes zijn hun originele functie verloren, maar dat betekent niet dat ze volledig onbruikbaar zijn geworden. Recycling heeft de toekomst, moest de kunstenaar gedacht hebben toen hij een berg cassettebandjes zag. En hij toverde de berg om tot een paar prachtige lampen. Ik vond ze geweldig, dus heb ik er drie geclaimd, voor in mijn nieuwe stek. Wanneer iemand mij vraagt hoe ik mijn huis zou inrichten is het eerste wat mij te binnen schiet: ouderwets en lekker gek. Maar wat is dat precies ‘gek’? Daar ben ik zelf nog niet helemaal uit, maar dat komt nog wel. Ik denk dat ik met een scala aan schilderijen, drie cassettelampen een hoop boeken en een zelfgemaakte klok die paps uit Suriname mee gaat brengen, in ieder geval wel op de goede weg ben.

Week 208: Slaap

Samen met iemand in één bed liggen, niet lang geleden kon ik niets engers bedenken dan dat. Nu, jaren later, vind ik het juist prettig. Oké, Sintjin snurkt verschrikkelijk, maar ik voel me heel erg veilig bij hem. Papa’s huis is groot: mijn vader slaapt boven en ik beneden. Voor mijn gevoel best wel ver uit elkaar en dat heb ik nooit leuk gevonden. Als papa eerder slaapt dan ik, vind ik het lastig om in slaap te komen. Vraag me niet waarom, maar dan word ik onrustig en krijg soms zelfs last van nachtmerries. Dat heb ik bij papa altijd al gehad, bij mijn moeder nooit. Maar als Sintjin naast me ligt, slaap ik (soms met mijn koptelefoon op), zo in. Helaas blijft hij altijd mar één nachtje, daarna ben ik weer alleen. Irritant genoeg kan ik die nacht erna, nooit in slaap komen. De grootte en leegte van de begane grond, bespringt me dan nog meer. In zo’n nacht als dat, kan ik iedere tik van de klok horen. Afhankelijk zijn. Ik ben het op veel vlakken en dat heb ik geaccepteerd. Maar niet kunnen slapen omdat je alleen in bed ligt, vind ik pas gênant. Toen ik voor het eerst verliefd werd, bestond de wereld niet meer: hij was mijn wereld. Dat nooit meer, zwoer ik, toen dat uit was gegaan. Nooit meer zou ik huilen om een jongen. Maar als ik in bed lig, alleen, zonder Sintjin, moet ik toegeven dat ik toch een traantje laat

Week 207: Logeren

Ik was vroeger een echte knuffelgek: ik had een ware knuffelberg op mijn kamer en er moest ook altijd een knuffel mee naar school. De knuffelberg bestaat niet meer. In plaats daarvan heb ik nu een veel grotere knuffel: Bindi. Het is bijna twee jaar geleden dat ik Bin heb ontmoet, dat we een team werden. Sinds het begin van de trainingsweek, zijn we nooit meer zonder elkaar geweest. Tot deze week. Papa is drie weken op vakantie naar Suriname en aangezien het mij geen goed idee leek dat mam en ik drie weken op elkaars lip zaten, ga ik vijf dagen uit logeren. Zonder Bindi, want zij mag niet mee. Niet omdat ze daar niet van honden houden, maar omdat er ook mensen met een allergie voor honden in de logeervertrekken verblijven. Ik snap het, maar vind het wel moeilijk. Waar ik ook ga, is Bin. Ze beschermt me tegen alles: van nachtmerries, dronken jochies tot aanvallende honden. En ik wil haar ook beschermen: ze is mijn meisje. Nu moet ik het vijf dagen zonder haar doen. Mijn tas is gepakt en ik neem ook een knuffel mee: eentje die precies op Bin lijkt. Kinderachtig? Misschien, maar zo is ze toch een beetje bij me. Ik kom er wel doorheen en focus me gewoon op nog iets spannends: de Rabobank Cultuurprijs. Het stemmen is begonnen. Vindt u dat ik de prijs verdien? Stem dan op mij, op: www.rabobankcultuurprijs.nl. De uitslag is op 7 september. Dan gaat Bindi wel mee!

Week 206: Plop
Kabouter Plop, wie kent hem niet? Die aardige kabouter die samen met zijn vriendjes, in het kabouterdorp woont. Toen ik een klein meisje was, woonden ze er al en ze bestaan nog steeds. Sterker nog, er zijn nu ware Plopsalanden uit de grond opgerezen. Je zou toch denken dat iedereen in kabouterland wordt toegelaten, maar helaas niet in allemaal. Kabouters blijken ook te kunnen discrimineren. Een groep gehandicapte Brabantse kinderen die een dagje naar Plopsaland Coo in België wilde gaan, hoorden bij aankomst dat 19 van de 22 attracties, voor hen verboden terrein waren. Dit, nadat de begeleider van de kinderen, ruim van tevoren had aangekondigd dat zij het park wilden bezoeken en alles oké was verklaard.  Reden van de weigering was dat de mentaal beperkten in de attracties een gevaar zouden vormen voor de andere bezoekers. Ik ben in de gehandicaptenwereld opgegroeid en weet dat het gedeeltelijk waar is, voor sommige gehandicapten is het niet verantwoordelijk om ze in een attractie te stoppen. Maar kom op zeg, denken ze nou echt dat die begeleiders daar geen rekening mee hadden gehouden, voordat ze met die kids op pas gingen? Ik weet het, het mes snijdt aan twee kanten en misschien ben ik in mijn positie, bevooroordeeld, maar zou uw hart ook niet breken als u hoort dat al die kinderen onder het mom van “Er is een stroomstoring” weer naar huis moesten? Deze situatie is gewoon heel verkeerd aangepakt. En ik ben eerlijk: ik heb die kabouter Plop nooit gemogen.
 
Week 205: Hugo
Schrijfster Cornelia Funke, schreef ooit: boeken zijn als vliegpapier. Iedere keer dat je hem opent blijft er een herinnering aan plakken en herinner je je weer hoe je je voelde, de eerste keer dat je het boek las. Eén van de bijzonderste boeken die ik in mijn bezit heb is De ongelooflijke uitvinding van Hugo Cabret, geschreven door Brian Selznick. Papa kocht het voor me in de winkel van het ziekenhuis, toen ik daar lag te herstellen van mijn rugoperatie. Ik had te weinig concentratie om geconcentreerd te kunnen lezen, maar dat was voor dit boek niet nodig: het bestond uit korte teksten, gecombineerd met prachtige tekeningen. Eigenlijk hoefde je de teksten niet eens te lezen, om het verhaal te kunnen begrijpen. Ik zie mezelf nog in dat ziekenhuisbed liggen, met het gigantische boek op schoot. Samen met Hugo bevond ik me even in Parijs, weg van het ziekenhuis. Nu, vijf jaar later, is er een film van gemaakt. Ik wilde mijn angst voor 3D, er graag voor overwinnen, om erheen te kunnen, maar voordat ik die kans kreeg, draaide hij al niet meer. Het Nederlandse publiek was duidelijk niet zo van Hugo gecharmeerd als ik. Gelukkig is de film Hugo nu uit op dvd. Ik heb hem gezien en moest aan het eind net zo hard huilen als toen ik in het ziekenhuis, het boek uitlas. Geen idee waarom de film in de Nederlandse bioscopen geflopt is, misschien verkeerde timing, want het is zonder twijfel de kerstfilm van 2012.

Week 204: Kans
Idolen zoals Justin Bieber, worden geadoreerd. Ze worden als halfgoden gezien waar niemand aan kan tippen. Ik heb dat nooit echt met muzikanten gehad, maar wel met schrijvers. Ik heb Marten Toonder talloze brieven gestuurd en zou J.K. Rowling graag willen ontmoeten. Ik heb dan wel een boek geschreven en schrijf wekelijks een column, toch merk ik dat ik me nederig gedraag tegenover diegenen die er meerdere hebben geschreven. Mijn eerste reactie toen ik hoorde dat ik genomineerd was voor de Rabobank Cultuurprijs, was: leuk, een eer, maar ik ga hem niet winnen. Mijn concurrenten kunnen behoorlijk goed schrijven en hebben heel wat meer ervaring dan ik, dus gaf ik me al snel gewonnen. Onterecht. Vorige week zondag moesten de genomineerden in de categorie Letteren, zichzelf aan het publiek presenteren in Heiloo. We hadden ieder een halfuur spreektijd. Nu sloegen bij mij de zenuwen toe. Hoe moest ik die tijd vullen? Welke columns moest ik voorlezen? Hoe kon ik mezelf onderscheiden? Eenmaal in Heiloo aangekomen, regende het pijpenstelen, waardoor niet echt veel mensen waren. Maar ik constateerde ook iets anders: mijn concurrenten Inge en Vrank, waren even zenuwachtig als ik. Dat is wat vergeten wordt: dat artiesten ook maar gewone mensen zijn met hele normale gevoelens. Daar putte ik kracht uit, gooide mijn hele plan overboord en volgde mijn gevoel. En met succes. Nu besef ik dat ik wel degelijk kans maak op de winst. Ik ga er voor! Binnenkort kan men gaan stemmen, ik houd u op de hoogte

Week 203: Juf
Ik ben geen leraar, mijn vader wel. Ik heb wel eens voor de klas gestaan. Op een middelbare school, om leerlingen uit te leggen hoe zij een column moesten schrijven. Ik vertelde hun leraar dat ik niet zoveel te vertellen had, na tien minuten zou ik wel klaar zijn. ‘Geen probleem’, zei hij. ‘Ze zullen je vast de oren van het hoofd vragen.’ Niet dus, ik deed mijn praatje, daarna viel er een lange stilte. En toen moesten we nog driekwartier. Pijnlijk… Dus toen basisschool d’Oosterkim mij uitnodigde om een cheque voor Hulphond Nederland in ontvangst te nemen en om iets over Bindi te vertellen, was ik behoorlijk nerveus. Zeker toen ik binnenkomst al die kinderen zag zitten. Bindi was een stuk relaxter: zij ging liggen slapen. Ik had een heel verhaal in mijn hoofd, maar kreeg nauwelijks de tijd om het te vertellen: handen schoten omhoog en kreeg een waar vragenvuur over me heen. En zodra Bin mijn mobieltje van de grond oppakte, was het feest helemaal compleet. De eerste groep die ik voor me kreeg, waren leerlingen uit groep 7 en 8. Hele serieuze kinderen, die echt geïnteresseerd waren in wat ik te zeggen had. Daarna kwamen de ukkies, ik was bang dat ze heel druk zouden zijn, maar ze waren heel lief en hun vragen (Bindi is een Superhond! Kan ze ook op het dak springen?) waren heel   aandoenlijk. Mijn vader zit al jaren in het onderwijs, nu snap ik eindelijk wat hij er leuk aan vindt.
Week 202: Vutter
Het toilet is niet alleen een plek om je behoefte te doen, ook om tot rust te komen, om de dag te overdenken. Daar was ik net mee bezig, toen de tillift waar ik nog steeds in hing, besloot dat ik klaar was. Hij takelde me omhoog. Zonder dat ik iets deed. En hij bleef stijgen, tot hij bijna aan het hoogste punt was. Ik controleerde nog een keer of ik echt geen knopjes indrukte. Toen dat niet het geval was, schreeuwde ik om diegene waar iedereen in zo’n geval om zou roepen: ‘MAMA!’ Mama kwam, keek even vol verbazing toe, maar zette toen snel de tillift uit. Zodra ze hem weer aanzette, vervolgde de lift onverstoorbaar weer zijn weg naar boven. Gelukkig was mama nog steeds de baas: toen zij de lift naar beneden beval, gebeurde dat ook. Maar liet ze los, dan ging het ding weer omhoog. Het leek wel een spelletje touwtrek. Tien minuten later leek mam het spelletje gewonnen te hebben: alles deed weer normaal. Zo leek het, maar nu, dagen later, heeft onze tillift nog steeds een eigen wil. Oorzaak: (waarschijnlijk) kortsluiting. Wat niet zo gek is, aangezien die lift al meer dan tien jaar afgekeurd is. Wat moesten we anders? Alleen de tillift bij mijn vader wordt vergoed, dus moesten we wel nog ween tweedehandsje aanschaffen. Ik heb het eerder gezegd: apparaten voelen wanneer hun einde nadert en kappen ermee. Lieve tillift, oude vriend. Hou vol! Nog een jaar, dan mag je met pensioen.

Week 201: Opgelet!
Mijn vader is leraar, cabaretier, maar bovenal: kunstverzamelaar. Ons huis hangt vol met schilderijen en  bizarre kunstvoorwerpen. Ik woon in een museum waar de inhoud en indeling constant van verandert. Vroeger creëerde dat in huis een drukke sfeer, zeker in combinatie met de felgekleurde muren, maar dat is minder geworden, sinds pa ze witgeschilderd heeft. Vroeger viel zijn grote verzameling, mij niet op, ik wist niet beter. Later veranderde dat en ergerde ik me dood aan de chaos. Leuk hoor, al die spullen, maar waarom moest hij alles nou per se kopen??? Tegenwoordig is dat minder en vind ik – God, bewaar me!- sommige stukken zelfs mooi. Volwassen worden, noemt mijn vader dat. Nu heeft hij een deel van zijn verzameling, in Hoeve Overslot uitgestald, zodat iedereen het kan komen bewonderen. Dat wordt niets, dacht ik. Een mengeling van stijlen waar niemand iets van snapt. Ik zat fout, het is een smaakvolle selectie geworden die precies in Overslot past. Zondag ben ik gaan kijken en heb genoten van de heerlijke muziek van De bende van Drie. Helaas was ik een van de weinigen die dat deed. Schande! Boeren, burgers en buitenlui, verlaat uw stoel en sponde en vertrek gezwind naar Hoeve Overslot in Egmond aan de Hoef! Geef uw ogen en oren de kost, door te luisteren naar heerlijke muziek en te kijken naar de schatten van mijn vader! Oh help, ik begin echt steeds meer op mijn vader te lijken. Hopelijk word ik niet net zo’n erge kunstfreak als hij..

Week 200: Dank
Je zou toch denken dat ik, na tweehonderd columns te hebben geschreven, wel een complimentje in ontvangst kan nemen. Echt niet. Zegt iemand ‘Goed zeg!’ dan krijg ik een kop als vuur en giechel ik als een klein meisje. Het gastenboek op mijn website, puilt ook uit van de lofberichten, maar ik beantwoord ze nooit. Misschien wordt dat als arrogant gezien, dat ik mij te goed voel om zoiets te doen, maar de waarheid is dat ik niet weet wat ik schrijven moet. Ik ben een mix van mijn ouders: papa staat graag op het podium, met veel bombarie te presenteren en mam voelt zich thuis in haar atelier, maar de publiciteit trekt haar niet. En ik? Ik geef toe dat ik het niet erg vind om in de spotlights te staan, maar u zult mij nooit horen zeggen dat ik de nieuwe Martin Bril ben. Ik vind het een eer dat ik voor de Rabobank Cultuurprijs genomineerd ben, maar ik ga er niet vanuit dat ik ga winnen. Het klinkt cliché, maar het gaat mij niet om de winst. Waar het mij om gaat, is de erkenning. Als ik door het dorp rij en iemand vertelt mij dat hij mijn column met plezier gelezen heeft, of er een grapje over maakt, is mijn hele dag weer goed. Eigenlijk wilde ik voor mijn tweehonderdste column, iets spectaculairs verzinnen, maar volgens mij volstaat dit ook prima: een verklaring voor mijn misschien iets wat vreemde gedrag en een simpel: dank u wel    

Week 199: Boom
Het zal u niet ontgaan zijn, het is de afgelopen dagen behoorlijk warm geweest. Ik hou niet van hitte, de zon zorgt ervoor dat de bekleding van mijn stoel heet wordt en ik haast met mijn stoel verkleef. In het Potter-huis is het lekker koel, maar daar kan ik niet makkelijk meer in, aangezien die momenteel als schuur gebruikt wordt. Vroeger vluchtte ik voor de warmte, door onder onze druif te gaan zitten. Maar sinds papa onze hele tuin verbouwd heeft, is die er niet meer. We hebben nu een kunsttuin. Geluidswerend, maar heel anders dan vroeger. Dus toen ik naar buiten ging, zoekend naar een koel plekje, duurde het wel even voordat ik die had gevonden. De ideale plek bleek in een hoekje van de tuin te zijn, naast ons bushokje, onder een boom, die me nog niet eerder was opgevallen. Het was een gekke boom, niet recht, maar met een knik in de stam. Net een grote groene parasol. Dus heb ik mijn schrijfgerij gepakt en heb daar de hele dag zitten werken aan het einde van mijn roman. Toen papa thuiskwam en mij daar zag zitten, moest hij lachen, verrast door de koelte van de plek. ‘Weet je wie deze boom gepland heeft? Jouw opa Duif.’ Opa en oma Duif zijn een tijd geleden overleden. Ze kenden mijn schrijfambities, maar hebben  niets van mijn succes ervan mee kunnen maken. Ik zal mijn boek onder die boom voltooien, hopend dat zij op mij neerkijken en trots zullen zijn

Week 198: Acht
Ik ben een beetje gek, maar dat wist u waarschijnlijk al. En ben bij een gek mens, hoort een gek woonproject. Het huis in Purmerend werd hem niet, dus moest ik ergens anders naar zoeken. Waarnaar precies, wist ik niet en daar komt nog bij dat de meeste woonprojecten vol zitten. Familie en vrienden neusden mee en zo kwam het dat mijn tante ons op een nieuw woonproject in Nieuwe Niedorp wees: de Roode Eenhoorn, een klein project in aanbouw voor acht personen. Klein detail: er hoorde ook een oud café bij. Mijn interesse was gewekt en ik besloot contact met ze op te nemen. Ik kreeg een vriendelijke, maar kordate vrouw aan de lijn. Er waren al zeven plekken vergeven, zei ze. Alleen nummer acht ontbrak nog, maar of ik diegene was, moest nog blijken. Mee eens, ik had ook zo mijn eisen voor mijn woonplek. Waren zij het daar niet mee eens, dan ging het feest niet door. Punt. Daar moest de dame om lachen, ik kreeg de indruk dat ze me wel mocht. Wat volgde, was een afspraak bij hen thuis, waar ik hun dochter ontmoette die er ook zou komen te wonen en een soort vleeskeuring ondervond. Iedereen van het bestuur kwam even langs om mij te bekijken. Zelfs mijn columns waren onder de loep genomen. Ikzelf was al helemaal verliefd op de dorpse sfeer en deed wat ik het beste kon om dat laatste appartement te bemachtigen: lullen. En met resultaat: ik ben nummer acht.

Week 197: Pinnen
Het heeft een tijd geduurd voordat ik een eigen rekening had. Het kwam door mijn handtekening, dat was een krabbel van een klein kind, volgens de bankmedewerkers. Kan ik het helpen dat ik spastisch ben? Na een hoop gesteggel was alles geregeld en kan ik nu zelf pinnen. Dat wil zeggen: ik vraag een bankmedewerker om hulp: hij stopt mijn pas in de automaat, ik toets mijn pincode in, zeg welk bedrag ik wil hebben en hij doet de rest, aangezien ik er zelf niet bij kan. De eerste keer dat ik pinde, stond ik rood, zonder te weten waarom, dus ben ik maar weer vertrokken. Het bleek een foutje van het UWV te zijn. Poging twee: ik wed door dezelfde medewerker geholpen. We constateerden dat ik nog steeds rood stond. Ik glimlachte schaapachtig en zag dat de jongeman aan mijn verstandelijke capaciteiten begon te twijfelen. De derde keer dat ik langskwam, wist ik zeker dat het probleem was opgelost. Alleen bleek toen ik bij de pinautomaat stond, dat ik mijn pinpas was vergeten.  Mijn image had nu een behoorlijke deuk opgelopen en het duurde even voordat ik mijn gezicht daar weer durfde te laten zien. Toen ik het uiteindelijk deed, zat diezelfde jongen achter de balie. Bijna was ik weer naar huis gereden, maar heb hem toch maar vriendelijk glimlachend om zijn hulp gevraagd. Hij leek verbaasd en ik was opgelucht, toen er daadwerkelijk geld uit de automaat kwam. En dan ook nog het juiste bedrag! Oefening baart kunst.

Week 196: Angsthaas
Ik ben een angsthaas. Wanneer dingen moeilijk worden, verstop ik me het liefst in een hol, wachtend totdat de storm voorbij raast. Maar zo werkt het niet in het leven, je kunt niets doen, maar dan verandert er ook niets. Voorbeeldje: mijn laptop is stuk, dus moet ik een nieuwe aanvragen bij het UWV. De uitgever heeft hen een brief geschreven met de boodschap dat ik er echt eentje nodig heb. Alleen heb ik die nooit verstuurd, omdat ik geen zin heb in gedoe. Wat nou als ze me toch niet geloven en ik me moet verantwoorden? Het slaat nergens op, want doe ik niets, dan krijg ik ook geen nieuwe laptop. Hetzelfde geldt voor mijn hond Bindi: ze is een tijdlang ziek geweest en let nog steeds vreselijk op haar let. Ik werd gek van mezelf en van mijn gedachten. Kortom, het werd tijd om naar Frankrijk te vertrekken, naar mijn toevluchtsoord bij Magda en Joop. ‘Weet je wat jouw probleem is?’, zei Joop toen ik mijn onrust uitsprak. ‘Jij creëert spoken. Je denkt na over problemen die er misschien helemaal niet zijn. Typisch een vrouwending, Magda heeft het ook, maar jij bent wel een extreem geval.’ Joop is soms een boer, maar ik moest toegeven dat hij gelijk had. Nu ik weer terug ben in Schoorl, ga ik zijn advies opvolgen: mezelf niet meer verschuilen in mijn warme hol, maar mijn eigen spoken te lijf te gaan. Het enige wat ik nu nodig heb, is een goede stofzuiger.

Week 195: Zoetjes
Super de Boer is uit, de Jumbo is in. Het lijkt wel een invasie, zelfs in Schoorl is er eentje verschenen. Hij is er al een tijdje, maar ik was er nog nooit geweest Door mijn belabberde oriëntatievermogen ontwijk ik nieuwe winkels het liefst zo lang mogelijk. Toch moest er een keer aan geloven, dus stuurde ik mezelf naar binnen met een simpele boodschap: zoetjes. Eenmaal binnen besloot ik om gewoon maar een rondje te gaan rijden, dan kwam ik vanzelf wel waar ik wezen moest. Ergens halverwege een gangpad, reed ik bijna tegen een moeder met haar zoontje op. Het jochie had een broodje in zijn hand, waar Bindi iets te geïnteresseerd naar keek, dus besloot ik om maar een andere kant op te gaan. Mijn zoektocht leverde niet veel op. Hoe kon zoiets simpels als zoetjes, zo moeilijk te vinden zijn? Bovendien moest ik constant op mijn hoede zijn, want gek genoeg doken moeder en zoon overal op. Ik reed door een doolhof van supermarktproducten, een peuter met een broodje ontwijkend. Eindelijk, de zoetjes! ‘Meneer, wilt u mij even..’ Mijn vraag werd onderbroken door het gehuil van het kleine kereltje: Bindi had toch zijn broodje te pakken gekregen. Zijn moeder had meer medelijden met Bin dan met haar pruilende kind, zo erg ging ik tegen haar tekeer. Verschillende mensen keken verbaasd toe. Uiteindelijk verliet ik de winkel met een rooie kop (nadat er een kassa voor mij moest worden geopend, omdat ik nergens anders langs paste). Daaag Jumbo!

Week 194: Nominatie
Je weet nooit hoe het leven zal lopen. Toen ik als stageopdracht kreeg om een column te schrijven, had ik totaal geen verwachtingen. Niet dat ik een vaste plek in de krant zou krijgen en al helemaal niet dat diezelfde columns ooit gebundeld zouden worden. Mijn eigen boek in een boekwinkel zien liggen, was mijn grote droom. Hoewel ik super trots was, had ik geen hoge verwachtingen van de verkoop en uitgever ook niet. De bundeling werd als een aperitief gezien voor het hoofdgerecht: mijn roman. Dus toen ik mijn boek op de boekenlijst van middelbare scholieren zag staan, was ik op zijn zachtst gezegd verrast. Blijkbaar werden mijn columns als educatief gezien. En niet veel later werd ik ook echt aangesproken door een meisje, die alles over mijn columns bleek te weten. Een echte kenner. Toen ik net als columniste begon, was het mijn doel om jongere lezers te trekken: missie geslaagd. Beter kon het niet,toch? Dus toen mijn vader me belde, met de mededeling dat ik was genomineerd voor een prijs, dacht ik dat hij een grapje maakte. Niet dus. Ik ben genomineerd voor de Rabobank Cultuurprijs! Ik sta op hun website vermeld als één van de genomineerden en er is zelfs al een promotiefilmpje gemaakt. Wie had ooit kunnen denken waar 250 woorden per week allemaal toe konden leiden? Mocht u het promotiefilmpje willen zien, ga dan naar hun website: . Daar zult u binnenkort ook op de genomineerden kunnen stemmen

Week 193: Cliffhanger
De bekendste soap op de Nederlandse televisie is toch wel Goede tijden, Slechte tijden. Oftewel, GTST. Ik beken, ik ben ook een trouwe kijker. Zoals het hoort in de soapwereld, gaat iedereen met iedereen en is er iedere week weer een breuk. Ik vind het heerlijk om naar te kijken. Bovendien is het begrip ‘gehandicapt’ is niet onbekend in Meerdijk: men wordt aangereden, raakt verlamt en belandt in een rolstoel. Zodra dat gebeurt, vloeien de tranen rijkelijk en vallen de woorden ‘mismaakt’ en ‘sneu’ geregeld. Lang duurt het verdriet echter nooit, want de patiënt loopt binnen een maand weer vrolijk rond. In een soap moet alles zo extreem en dramatisch mogelijk te zijn, maar dat mensen zoals ik, als zielig worden neergezet, vind ik niks. Doordat GTST zo’n bekend programma is, ben ik bang dat men een vertekend beeld krijgt en de gemiddelde gehandicapte echt als sneu en walgelijk ziet. Eigenlijk zou er echt iemand met een beperking in de soap mee moeten spelen. Iemand met een sterke persoonlijkheid, die het grote publiek laat zien dat gehandicapten ook maar gewone mensen zijn. Fantasie of werkelijkheid? Ik weet het niet, zelf ben ik een schrijver, geen actrice. Het enige wat ik kan doen, is de scenarioschrijvers van GTST mailen en hen mijn mening geven. De kans dat ze er niets mee doen, is behoorlijk groot, maar ik kan het altijd proberen. Misschien ontvang ik een reactie, misschien ook niet. Een echte cliffhanger, is dat niet waar een goede soap om draait? 

Week 192: Hongerspelen
Stel je voor: Nederland is in de greep van een dictatuur. Ieder jaar worden er uit elke provincie, twee kinderen uitgelood, een jongen en een meisje. Zij worden vervolgens in een arena gedropt, waar ze tegen elkaar moeten vechten tot de dood. De laatste die over blijft, wint. Zo begint een van mijn favoriete boeken: De Hongerspelen. Dit boek is verfilmd en natuurlijk ging ik erheen. Je beleving is heel anders als je over iets leest, dan als je het ziet, daar werd ik al snel aan herinnerd. Kinderen die elkaar moeten afslachten, het is te bizar voor woorden. Ik moest wel even slikken toen ik het op het witte doek zag, ook al heb ik het boek al tig keer gelezen. En dit is niet zomaar een fantasietje, maar de wrede realiteit: kinderen groeien op in oorlogsgebieden. Kindsoldaten bestaan. Ik heb daar nooit echt bij stilgestaan, totdat ik deze film zag. Het klinkt verschrikkelijk afgezaagd, het is al zo vaak gezegd, maar wij hebben met zijn allen maar mazzel dat we in het vredige Nederland leven. Ja, het is crisis, maar we hebben eten, drinken. Kinderen kunnen hier naar school en goddank heb ik mijn rolstoel, waardoor ik zelfstandig kan gaan en staan waar ik wil. Dit is een heel politiekcorrect stukje, maar soms moet men aan al het goeds om hen heen herinnerd worden. Ik ook. Een boekenreeks en film dat je zo aan het denken zet, is een zeldzaamheid. Bekijk en belees De Hongerspelen. Suzanne Collins, bedankt.   

Week 191: BH-drama
Mijn vader is goed in veel dingen, lesgeven bijvoorbeeld. Toch raad ik hem af om ooit voor het vak Verzorging in te vallen. Haren kammen, bh’s aantrekken, hij doet het al jaren, maar goed is hij er niet in. De bh-drama begint al bij het begin: wat is de voorkant? En dan heb je het gedoe met die vervelende knoopjes. Zodra papa aan die dingen begint te prutsen, lopen de honden behoedzaam weg. Ze weten dat dit nog wel een tijdje kan duren en dat ze nog wel even op hun eten kunnen wachten. Papa is niet iemand die erg snel opgeeft, maar na drie pogingen kunnen er twee dingen gebeuren: het lukt hem toch om het ding aan te krijgen of hij verliest zijn geduld, smijt hem op de grond en pakt een oude slobber bh. Zit voor geen meter, maar hij krijgt hem wel aan. En dan hebben we nog de kwestie van het haar kammen. Op school wisten ze altijd precies of ik die dag mijn bij mijn vader of bij mijn moeder was. Was ik bij mijn moeder, dan zat mijn haar perfect, was het papa-dag: dan zat mijn haar voor geen meter. De gemiddelde assistente pakte dan altijd direct haar kam uit haar tas en deed een poging om de boel te redden. Ik ga altijd naar papa toe voor advies over mijn teksten, maar mocht ik volgend jaar worden uitgenodigd voor het Boekenbal, dan hoop ik dat ik die ochtend bij mijn moeder ben.

Week 190: Krul

Het handschrift van iemand zegt veel over die persoon. Mijn vader krabbelt gehaast iets neer, want zo is hij. Alles moet snel en tegelijkertijd. Mama is rustiger, dat is te zien aan hoe ze schrijft. Vroeger had ik een “spastisch” handschrift: groot, met af en toe een uitschieter. Ik wilde heel graag aan elkaar leren schrijven, die letters met hun krullen en lussen, vond ik prachtig. Maar het mocht niet. Iedereen kreeg een andere schrijfmethode aangeleerd en blokletters waren beter haalbaar voor mij, dacht meester Jan. Ik het weinig gênante herinneringen aan mijn basisschooltijd (behalve het breukentijdperk, brr!), maar wat ik me nog heel goed herinner, is dat Jan voor het bord stond en ons uit ging leggen waarom iedereen een ander schrijfboekje kreeg. Hij demonstreerde hoe iedereen schreef, zodat we het beter konden begrijpen. Al mijn klasgenoten schaamden zich dood dat hun zwakke punten op het bord werden tentoongesteld, maar ik geloof niet dat hij dat door had. En toen was ik aan de beurt: mijn “spastische” letters vulden het gehele bord. Ik heb me nog nooit zo geschaamd. Diezelfde dag nog liet ik de computer links liggen en begon mijn verhalen met de hand te schrijven. Oefening baart echt kunst, dat heb ik toen geleerd. Nu leert mijn broertje Jona schrijven. Aan elkaar. Hij heeft een prachtig handschrift, zag ik deze week. Met grote, mooie, lussen. En ik heb hem op geen spelfout kunnen betrappen. Kortom, ik was apentrots toen ik een krul op het papier mocht zetten

Week 189: Teckel

Mijn vader heeft Xamber, ik heb Bindi en nu heeft mijn moeder ook een hond: kleine Jimmy. Mama had mijn broertje beloofd dat als hij acht jaar werd, hij een hond zou krijgen. Toch had ik nooit verwacht dat het zou gebeuren. De reden daarvoor is haar eerste hond Beppie, die haar bijna tot waanzin gedreven heeft Maar ik moet zeggen, deze halve teckel past prima in huize Duif. Hij manchet in ieder geval perfect bij de bank, waar hij tot zijn spijt niet meer op mag. Voordeel: Jimmy kan het goed vinden met Bindi en Xamber. Nadeel: hij mag onze kat niet. Ik had geen idee dat er zoveel geluid, uit zo’n klein beestje kon komen. Ook probeert hij steeds het konijn te vermoorden. Instinct, zegt mijn moeder. En hij houdt ervan dingen te slopen, het liefst iets van plastic. Maar verder is hij heel lief. En erg leergierig: alles wat Bindi doet, probeert hij na te doen. Alleen is zijn doelstelling niet om mij te helpen, maar om Bin voor te zijn en het dan proberen te slopen. Iets waar Bindi niet echt van gediend is en hem daarom al eens op zijn plaats gewezen heeft. Maar ze staat hem ook toe om in haar mand te slapen en haar te likken, dus dat komt wel goed. Ik pas altijd op Xamber als mijn vader naar zijn werk gaat en nu is daar dus nog een hond bijgekomen. Nog even en ik kan er geld voor gaan vragen

Week 188: Rectificatie

Beste lezers, mijn plannen zijn gewijzigd: ik ga Schoorl voorlopig nog niet verlaten. Niet omdat het niet kan, maar omdat ik het niet wil. De eerste die mijn twijfels bespeurde, was mijn vriend, Sintjin. ‘Het hoeft niet hè?’, zei hij zacht. ‘Je kunt nu nog terug, voor mij hoef je niet te verhuizen.’ Mijn onzekerheid groeide toen een vrouw van project Purmerend mij wat meer over het woonproject vertelde. Het was toch heel wat zelfstandiger dan dat ik had verwacht. En de vraag: waarom wil je hier in godsnaam weg?, maakte het niet makkelijker. Het was als grapje bedoeld, maar ik zag er de humor niet van in. Voor de honderdste keer stelde ik mezelf dezelfde vraag: wilde ik dit wel? Wilde ik dit echt? Het antwoord was kort, maar krachtig: nee. Nu dat duidelijk was, moest ik nog een ding doen: mezelf rectificeren. Iets waar ik vreselijk tegenop zag, ik had iedereen over mijn verhuisplannen verteld, het leven van mijn ouders op zijn kop gezet en nu draaide ik alles weer terug. Maar voordat ik me heel schuldig ga voelen, denk ik aan de woorden van een wijze Facebook-vriend: je kunt het meisje uit het dorp halen, maar je haalt het dorp niet uit het meisje. Daar heeft hij helemaal gelijk in. Dit woonproject wordt hem niet, maar ik vind wel iets anders. Tot die tijd gekomen is, zijn er nog genoeg avonturen te beleven in mijn oude vertrouwde dorp. Conclusie: jullie zijn nog lang niet van me af!

Week 187: Knoop

Weg bij mijn ouders. Weg uit mijn geliefde Schoorl. Uit huis gaan. Kan ik dat? Wil ik dat? Als je me dat een maand geleden had gevraagd, had ik direct nee gezegd. Maar dat was voor Purmerend. Voordat ik het huisje met tuin had gezien. Klein detail: ik moest binnen een week besluiten of ik het ging doen. Ik denk dat ik nog nooit zoveel gepiekerd, gejankt en gepanikeerd heb als in die week. Mijn ouders zeiden dat ik best nog twee jaar thuis mocht wonen, totdat het woonproject in Heerhugowaard klaar is. Mooi. Maar waarom voelde ik me dan niet gerustgesteld? Ik vond het doodeng om toe te geven: maar het woonproject in Purmerend deed me iets. Een eigen huis, nieuwe sociale contacten, en, ook niet onbelangrijk, mijn lover woont er drie kilometer vandaan. Allemaal pluspunten, toch? Maar Purmerend is niet bepaald naast de deur… Uiteindelijk hakte ik de knoop toch door: ik doe het, ik ga mijn veilige Schoorl verlaten. Wat volgde, was opluchting. Eén kort, gelukzalig moment van opluchting. Momenteel ben ik weer een bonk stress. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? De meest bizarre doemscenario’s spoken door mijn hoofd. Nu al, ik ben nog niet eens weg! Mijn vriend heeft beloofd me te steunen waar hij kan, ik heb mijn ouders en Bindi, Ik red het wel, zeggen ze. Nu moet ik het alleen nog zelf gaan geloven. Lieve lezers, ik vertrek uit het dorp, maar mijn column blijft. In dezelfde krant, op dezelfde pagina

Week 186: Horror

Je hebt teveel gedronken en moet naar huis. Wat doe je? Je bestelt een taxi. Het taxivervoer is mij meer dan bekend. Sinds ik van school af ben, is dat mijn vaste vervoermiddel geworden. Had ik vroeger klachten over het schoolbusje, dan slik ik die nu officieel weer in. Dat was voordat ik met de gevreesde OV-taxi kennismaakte. Ervan uit gaan dat je ergens op tijd komt, is onmogelijk. Bestel de taxi ruim driekwartier van tevoren en dan nog moet je maar hopen dat je op tijd komt. Of ze komen een uur te vroeg, dat kan ook. En dan heb je nog de chauffeurs. Van de week had ik er eentje die toen ik de bus binnenreed, vroeg: ‘Moet ik u nog vastzetten of kan het zo ook?’ Mijn reactie: ‘U bent nieuw zeker?’ En dan was deze vent nog aardig. Eentje was zo grof dat hij bijna in elkaar werd geslagen door een lief, oud dametje met een laktas. Gevolg: meneer de chauffeur was zo opgefokt dat hij bijna een kat overreed en nuchter zei: ‘Ik voel geen hobbel, dus het zal wel goed met hem gaan.’ Een chauffeur schold zijn vrouw uit aan de telefoon. Terwijl we langs het kanaal reden. Het angstzweet stond in mijn handen en ik voelde iets warms mijn broek in lopen. Dit zijn nog maar een paar van mijn taxi-horrorverhalen. Er zullen er vast nog meer volgen en kan ik er een boek mee vullen. Wie weet, misschien doe ik dat wel.

Week 185: Knuffel

Het leven zit vol verassingen: ik ging naar Purmerend om een woonproject te bekijken en er werd mij pardoes een huis aangeboden. Of ik wel even snel wilde beslissen. Slik. Dit stond niet in de planning. Bindi werd ziek en om het feest compleet te maken had ik de uitgever verteld dat mijn tweede boek bijna af is. Wat ook zo is, maar ik had niet op afleidende factoren gerekend. Er komen ook nieuwe aangepaste huizen in Heerhugowaard, of ik daar ook in geïnteresseerd ben? Ehm.. Iedereen had een mening en wilde die dolgraag met me delen. Lief, maar het enige wat ik wilde, was rust in mijn kop. Maar degene die mij daar meestal bij helpt, was het land uit: Sintjin zat in Amerika. Leuk voor hem, maar ik had zijn nuchterheid nodig. En toen hij eindelijk weer terug was, besloot Vadertje Winter om een bezoekje te brengen aan ons land. Niet bevorderlijk voor het verkeer. Of hij ook een weekje later kon komen? Niet janken Robin. ‘Ja hoor..’ Maar ik kan niet zo goed toneelspelen, hij hoorde dat het fout zat. ‘Ik kom zondag.’ Hij hield woord en stond na drie lange weken weer voor me. ‘Hoe gaat het? Heb je al een keus kunnen maken?’’ Ik beet op mijn lip en haalde mijn schouders op. Sintjin glimlachte. ‘Wil je een knuffel?’ Nog voordat ik kon knikken, had hij mij al in zijn armen genomen. Soms is dat alles wat nodig is om rustig te worden: een knuffel..

Week 184: Nieuwerwets

2012 is verkozen tot het jaar van Marten Toonder. Dit jaar zou de bedenker van Olivier B. Bommel en Tom Poes honderd geworden zijn. Er staan daarom meerdere nieuwe Bommel-projecten in de planning: een film, nieuwe verhalen. En een musical. Vooral over dat laatste heb mijn twijfels. Ik ben een enorme musicalliefhebber en bezit alle Bommel-boeken, maar die twee samen? Geen goeie combi. Theatergroep OpusOne heeft al eens een poging gewaagd. Zonder veel succes. Redelijke zang, goede dans, maar van het heerlijke, ouderwetse taalgebruik, bleef niets over. Nu gaan ze het weer proberen, ditmaal met ‘Ollie B. Bommel en Tom Poes in de nieuwe Ijstijd.’ Natuurlijk wil ik heen om te kijken of ze er iets van bakken, maar ik geef ze weinig kans. Tom Poes wordt nu gespeeld door een vrouw. Hm… De laatste keer dat ik checkte, was Tom Poes een jongen. En dan zijn er nog de eventuele nieuwe verhalen. Als die er echt komen, kom ik in opstand. Ik heb alle boeken en hoewel het er veel zijn, is er een duidelijk begin en eind aan de serie. Afblijven dus. Wat zou meneer Toonder zelf van dit gedoe gevonden hebben? Enigjes? Ik denk het niet. En Bommel? Waarschijnlijk zou hij zeggen: ‘Ik ben blij dat mijn goede vader dit niet meer hoeft mee te maken.’ Maar misschien ook niet, heer Bommel houdt er wel van om in de aandacht te staan. Ik probeer dit nieuwe Bommeltijdperk in ieder geval met een open denkraam tegemoet te treden

Week 183: Spotlights

Het NCRV-programma ‘Altijd Wat’ wilde een item van vijf minuten over mij maken. Makkie, dacht ik, dus zei ja. We begonnen om negen uur ’s ochtends. Ik moest schrijven en dat zou dan gefilmd worden. Klein detail: ik mocht niet praten. Het wordt een geluidloos filmpje waar later mijn stem onder wordt gemonteerd. Muisstil schreef ik, niet wetend wanneer ik mocht stoppen. Na een halfuur kreeg ik een stopteken. Volgende stap: in het dorp filmen. Leuk idee, maar het was ijskoud, Of ik een stukje terug wilde rijden? Goed zo. En nu weer terug. En nog een keer. Bindi snapte niets van het heen-en-weer gedoe en begon te piepen. ‘Sorry mop, dit is niet mijn idee’, gromde ik. Na wat een eeuwigheid leek, gingen we weer naar huis. Even lunchen en toen moesten we weer door. Ik moest in mijn eigen boek bladeren. Simpel, heerlijk! Volgende punt op de agenda: de bibliotheek. Een boek pakken en doen alsof ik las, dat vond ik wel leuk. Maar niet veel later moest ik weer rondjes rijden. Nee, de andere kant op. Grr… Langzaam begon ik mijn geduld te verliezen. De spotlights leuk? Echt niet! Ik was moe, wilde naar huis. En Bindi moest poepen. Na het interview, om zes uur ’s avonds, zat het er eindelijk op. Een makkie was het niet, maar het resultaat zal het vast waard zijn. Op 25 januari te zien bij ‘Altijd Wat’ dat om 21.05 uur begint. Later zal het op hun website te zien zijn

Week 182: Groentje


ik wil vaker het huis uit, nieuwe sociale contacten opdoen. Daarom ging ik naar MEE, een stichting die gehandicapten met van alles helpt, waaronder dagbesteding. Al snel merkte mijn consulent mijn scherpe tong op en vertelde me over hun cliëntenraad. Ze zochten nieuwe mensen, misschien was het iets voor mij. Welja waarom niet? Dus ging ik naar de kennismakingsavond. Mijn eerste reactie was: oh. De tweede was: shit. Een aantal heren knikten mij vriendelijk toe. Mijn volgende constatering was dat het leeftijdsverschil nogal groot was: minstens een jaartje of dertig. Wegwezen hier! Maar er was al een vrouw opgestaan (de enige in het gezelschap) die me de hand schudde en naar mijn naam vroeg. Vervolgens werd mij een plaats aangewezen. Ik kon niet meer terug. De heren hadden heel wat levenservaring en besturingservaring. En toen kwam ik: ‘Ehm, ik ben duidelijk de jongste hier en besturingervaring heb ik niet, naar ik ben columnist. Al vier jaar. Daardoor is mijn observatievermogen versterkt. En ik ben niet bang om te zeggen wat ik denk. Oh, en mijn columns zijn gebundeld, die bundeling ligt in de winkels. Dat was het wel zo’n beetje.’ Die onvoorbereide speech leek indruk te maken, waardoor ik meer zelfvertrouwen kreeg. De taak van de cliëntenraad is vooral het beoordelen van dingen. Plannen van de gemeente maar ook of het lettertype van de brochure van MEE groot genoeg is. Ik ben een groentje, maar wel eentje waar de raad, vermoed ik, interesse in heeft. Tijd voor een nieuwe uitdaging?

 


Week 181: Band

Mijn halfbroertje Jona en ik verschillen veertien jaar. Toen mijn moeder zwanger van hem was, had de hoop dat hij erg op mij zou lijken. Fout. Een groter verschil is niet denkbaar, zeker qua karakter. Jona is het typische voorbeeld van een jongen: voetballend, met lego spelend en soms een echte wildebras. Alleen op het gebied van lezen we op elkaar: Jona is een goede lezer, net als ik. Maar verder? Absoluut niet. Vroeger was ik bang dat hij zich voor mij zou gaan schamen. Zeg nou zelf, ik ben geen standaardvoorbeeld van een grote zus. Maar het tegendeel blijkt waar te zijn: hij is trots op me. Dat merkte ik toen mijn boek in de winkels lag. Een vriendje van Jona vertelde dat hij ook een boek geschreven had, Jona schudde zijn hoofd. ‘Maar mijn zus heeft een echt grote mensen-boek geschreven en die ligt ook echt in de winkels. Goed van haar hè?’ Ik heb al veel complimenten gekregen, maar dat was veruit de mooiste. En we blijken nog iets te delen: Harry Potter. Ik heb alle boeken al gelezen, maar Jona begint net. ik heb hem ‘Harry Potter en de Geheime Kamer’ cadeau gedaan. Die heb ik weer van zijn vader gekregen, toen mijn eerste exemplaar sneuvelde. Ik hoop dat hij net zo van de serie zal genieten als ik toen. Jona is mijn broertje en toegegeven, soms word ik gek van hem, maar dat schijnt zo te horen als grote zus zijnde. Ik hou van hem

Week 180: Prooi

Honden zijn over het algemeen jachtdieren. Ik geef Bindi nooit een speeltje cadeau. Ze sloopt hem toch binnen een paar minuten. Zonde van het geld. Maar mijn vader wilde het wel eens proberen, wat zijn hond Xamber betrof. Hij kocht een nepstinkdier voor hem. Daar konden Bindi en Xamber gezellig samen mee spelen, volgens de winkelier. En hij was lekker stevig, dus ze konden hem niet zo snel kapot krijgen. Foutje. Bindi schudde het ding een paar keer door elkaar, maar was er toen wel weer klaar mee. Toen kreeg Xamber hem te pakken en begon eraan te likken. ‘Ah’, zei papa vertederd, ‘lief is hij, hè Xam?’ Maar Xamber’s jachtinstinct was wakker geworden: hij begon op de staart van het beest te kauwen. ‘Die heeft hij zo stuk’, constateerde ik. ‘Nee hoor, stinkdier is lief. Lief doen Xam.’ Maar Xamber deed niet lief: binnen twee seconde had hij de staart losgerukt. Bindi probeerde het beest van hem af te pakken, maar Xamber gromde angstaanjagend. Zo fanatiek hadden we hem nog nooit gezien. Hij rukte het oor van de kop van het stinkdier. Ik begon echt medelijden te krijgen met het arme beest. Het duurde niet lang voordat onze huiskamer was veranderd in een waar slachtveld. Iets waar een hond normaal gesproken weken mee moest doen, had Xamber binnen een uur gesloopt. Dus, bent u een beetje depressief en wilt u weer eens lekker lachen? Geef uw hond dan een stinkdier, ik garandeer dat u een dolkomische avond zul beleven.

Week 179: 2012
2011 loopt op zijn einde, wat een jaar was het! Het jaar dat mijn eerste boek in de winkels lag. Natuurlijk had ik hem als eerste in handen. Ik kan me nog goed herinneren dat papa hem mee wilde nemen om trots aan vrienden te laten zien. Maar ik drukte het boek stevig tegen mijn borst. ‘Blijf af, deze heeft de uitgever zelf aan mij gegeven. Neem er maar eentje van de stapel.’ En toen kwam het moment dat mijn boek daadwerkelijk in de winkels lag. De eerste keer dat ik het zag, zei ik trots tegen Bindi: ‘Kijk, baasje ligt in de winkel.’ Ja, ik geniet van het schrijversbestaan: het doen waar ik goed in ben, zonder remmingen en zonder dat het halve werk mij uit handen genomen wordt. En de publiciteit, ik zou liegen als ik zei dat ik daar geen kick van krijg. Alleen leid ik nu wel een kluizenaarsbestaan, ik zit al meer dan een jaar alleen thuis. Langzaam komen de muren op me af. Ik ben zoekende naar vrijwilligerswerk, maar makkelijk is dat niet, ik ben nou eenmaal beter met mijn hoofd dan met mijn handen. Degene die mij aanneemt, krijgt iemand met een brede rolstoel plus een hond. Ik heb nog geen succes gehad in mijn zoektocht, dus, lieve lezers, mochten jullie suggesties hebben, ik hoor het graag. Mijn plannen voor komende jaar? Schrijven. Mijn tweede boek staat al in de startblokken. Ik wens iedereen een gelukkig 2012 vol mooie, grappige en lieve woorden.

Roedel

Ik was zeventien toen ik Sintjin ontmoette en op mijn achttiende waren we een stel. Nu ben ik tweeëntwintig en we zijn nog steeds bij elkaar. Helaas zien we elkaar maar een keer in de twee weken. Als het mee zit. Het heeft zo zijn voordelen, je lover zolang niet zien, het houdt de vlam brandende. Het is altijd leuk als je elkaar eindelijk weer ziet. En ruziën heeft weinig zin, want je weet dat je maar één dag bij elkaar kan zijn, verspil die niet aan gekibbel. Dus dat doen we niet, of heel kort. Wanneer Sintjin bij me is, doen we niet meer: praten,films kijken en geven commentaar geven op series die we zien. Klinkt niet bijzonder, maar ik kan er intens van genieten. Bindi vindt Sintjin ook lief, ze weet dat hij bij mij hoort en gaat tussen ons in liggen als hij er is. Alleen het afscheid nemen, daar zie ik steeds weer tegenop. Het lijkt ook steeds erger te worden. Ik breng hem weg en ga dan Bindi uitlaten. Maar nu wilde Bin niet mee na het afscheidsritueel. Toen ik weg wilde rijden, stribbelde ze tegen. Sintjin moest mee, hij hoorde bij onze roedel. En de roedel hoort altijd bij elkaar te blijven. Mijn ogen prikten toen ik haar mee probeerde te krijgen. Even draaide ik me om en zag dat Sintjin ook zijn ogen droog veegde. Ik aaide Bindi’s kop en zwaaide nog even. ‘Geen zorgen mop, we zien hem over twee weken weer.’

Week 177: Brand

Brandlucht, een geur die niemand meer verbaasd, aangezien het vuurwerkseizoen weer bijna is aangebroken. Dus toen ik in het dorp iets branderigs rook, gingen er bij mij geen alarmbellen af. Wel gek dat die geur me tot in de Bruna achtervolgde. En waarom draaide mijn rolstoel opeens zo beroerd? Bindi piepte zacht. Het teken dat ze naar huis wilde, dacht ik. Op onze terugtocht rook ik niets en mijn rolstoel reed ik ook normaal. Ik had het me vast verbeeld. Niet dus. In de nieuwbouw ging mijn stoel opeens langzamer rijden. Daar had je die brandlucht weer, vermengd met de stank van gesmolten plastic. Er was iets doorgebrand in de motor. Snel, uit dat ding! Achter mij hield een auto stil en stapte een vrouw uit. ‘Is alles in orde? ‘Nee, mijn rolstoel. Shit! Mijn ademhaling was jachtig. Hyperventilatie Ook Bindi was doodsbang. De dame legde een hand op mijn schouder en probeerde wijs te worden uit mijn verwarde woorden. Uiteindelijk heb ik mijn moeder gebeld die mij naar huis heeft geduwd. Ik heb me in bed altijd erg kwetsbaar gevoeld, omdat ik dan geen kant op kan. Nooit ben ik bang geweest in mijn rolstoel. Mijn rolstoel was mijn veilige haven waarin me niets kon overkomen. Dacht ik. Wel dus. Nog nooit ben ik zo bang geweest, heb ik zo’n sterke vluchtdrang gevoeld. Gelukkig kan ik nu weer veilig de weg op. Angst is niet de baas over mij, ik ben de baas over mijn angst. Oké, meestal dan

Week 176: Mevrouw

Er is een hoop veranderd sinds mijn boek in de winkels ligt: ik onderneem veel dingen liever zelf. Ik ben samen met mijn hond Bindi, naar Hilversum geweest, om in het radioprogramma ‘Cappuccino’ over mijn boek te babbelen. In mijn uppie. Ik vond het doodeng, maar ben ook heel trots op mezelf En vorige week zondag nam ik voor het eerst deel aan een bedrijfsfeestje van de uitgeverij. Daar zat ik dan, op een balkon, met mijn beste vriendin Ayesha naast me, en las trots uit mijn columnbundeling voor. Afgelopen woensdag ben ik ook naar het Regius College in Schagen geweest, om de leerlingen een lesje ‘Hoe schrijf je een column?’ te geven. Uiteraard bevond Bindi zich ook nu weer vlak aan mijn zijde. Ik ben geen lerares, maar ik bracht het er toch aardig van af. Wat me vooral opviel, was dat iedereen opeens ‘mevrouw’ tegen me zei. Ik ben net 22 geworden, dus geen kind meer, maar het is toch raar dat iedereen je niet meer als meisje ziet. Ondanks dat ik altijd op tijd opsta, besloot ik zondag om nog even te blijven liggen en de week te overdenken. De grootste verassing was de vorige dag gekomen, toen ik ontdekte dat mijn Jakhals-filmpje op de site van De Wereld Draait Door was gezet. Precies op 2 december, mijn verjaardag. Een prachtig verjaardagscadeau. Dus, lieve lezers, ga naar de site van De Wereld Draait door of tik mijn naam in bij Google, dan kunt u het allemaal zien.

 


Week 175: Date

Met je lover naar de bioscoop, dat het ik altijd als de ultieme eerste date gezien. Lekker samen in het donker met de vlinders in je buik naar een romantische film kijken. Maar ik durfde niet, daarvoor zat mijn spasme me in de weg. Bij ieder hard geluid voor en tijdens de film, spring ik haast uit mijn stoel van schrik. Geen charmant gezicht, dus wilde ik alleen met vrienden en familie naar de bios, omdat zij al van mijn probleem wisten en er nuchter mee omgingen. Maar met potentieel vriendjesmateriaal? Echt niet! Straks werd ik uitgelachen. Om naar de film te gaan, had ik dus een hoop vertrouwen nodig. Ik was wel eens met mijn vriendje naar de film geweest, maar wel met een hoop andere mensen erbij. Dat voelde veiliger, dan vielen mijn schrikreacties niet zo op. Maar de laatste keer ben ik samen met Sintjin naar de bios geweest. Naar de nieuwste Twilight-film, het toppunt van romantiek. Tijdens de voorfilmpjes had ik mijn stoel achterover gekanteld. Niet de meest gebruikelijke houding in een bioscoopzaal, maar het hielp tegen de schokken. Ik schaamde me, maar Sintjijn had zijn handen in mijn nek gelegd en gaf me een zoen op mijn wang. Hij probeerde me af te leiden. Het hielp. Ik zette mijn stoel weer recht en niet veel later deelden we een zak M&M’s. Oké, Sintjin zat meer achter dan naast me, maar toch, het was romantisch. Ik moet toch echt eens stoppen met het bedenken van doemscenario’s

Week 174: Kleurtje

Ik ben nooit echt met mijn uiterlijk bezig geweest. Als wat ik droeg, maar lekker zat, dan was ik allang tevreden en met make-up ben ik ook nooit bezig geweest. Behalve mijn haar, mijn haar is mijn grote trots. Mijn leeuwenmanen, zoals mijn vader altijd zegt. Er wordt mij vaak gevraagd of mijn haarkleur uit een potje komt. Nee, het is puur natuur. Ik verander nooit echt veel aan mijn haar, dat durf ik niet. Maar nu ik mezelf officieel schrijfster mag noemen, mijn boek in de winkels ligt, ben ik heel trots op mezelf. En voel ik me een tikje rebels. Ik had opeens zin om iets anders met mijn haar te doen. Highlights misschien. Mijn vader twijfelde aan mijn plan. Wat als het er niet uit zou komen te zien? Om eerlijk te zijn bleef ik zelf ook tot het laatste moment twijfelen, maar hakte toch de knoop door. Wat kon mij het ook schelen? Nu guts, no glory! Er werd een vreemd goedje in mijn haar gesmeerd wat er weer uit gewassen moest worden. Helemaal uit mijn stoel hoefde ik niet, ik kantelde mijn stoel gewoon naar achteren, zodat mijn vader met de douchekop aan de slag kon. Het resultaat mag er zijn. Tenminste, ik vind het mooi. Ik ben nog steeds rood, maar er zit nu een blonde gloed doorheen. Experiment geslaagd dus en er zullen er vast wel meer volgen. Zeg nou zelf, ik wil wel een schrijfster zijn die er een beetje knap uitziet.

Week 173: Val
Ik was met Bindi op stap toen ik mezelf zag vallen. Niet echt, maar voor mijn geestesoog, als een soort visioen. Het voelde zo echt dat ik er de rillingen van kreeg. En het klopte, een uur later vertelde papa dat mijn zus was omgevallen in onze bus. Precies op het moment dat ik het voelde gebeuren. Gelukkig gaat alles goed met haar en heeft papa haar veilig thuis weten te brengen. Met de hulp van een stel brugklassers. Best eng, het zal wel een tweelingding zijn. Het werd nog enger toen ik de volgende dag van de lift van onze bus viel. Achterover. Het toeval wilde dat het op de parkeerplaats van het ziekenhuis gebeurde, waar ik was om bloed te prikken. Op advies van de artsen zijn we toch maar even naar de Eerste Hulp gegaan om te controleren of alles goed was. Van mij hoefde het niet zo, ik voelde me prima. Toch kreeg ik een grote kraag om en tape op mijn gezicht om hem op zijn plaats te houden. De röntgenfoto’s mislukte, dus moest ik onder de MRI scan. Een  hele onderneming, ik werd met de minuut chagrijniger, maar de artsen en papa namen geen risico. Achteraf gezien snap ik het wel, het was een harde val. Er was niets op de scan te zien, zoals ik al had verwacht, maar veiligheid gaat voor alles. Dokter Könst, bedankt voor uw goede zorgen. En de andere dames van het MCA: bedankt voor de lieve kaart.


Week 172: Samen

Mijn boek signeren kan ik wel alleen af. Dacht ik. Het plan was simpel: ik zou met de taxi naar Bergen afreizen. Zo konden mijn ouders hun ding doen en ik de mijne. Maar uiteindelijk ging er toch nog een extra passagier mee: mijn vriend. Van mij hoefde het niet, ik zou waarschijnlijk toch weinig aandacht voor hem hebben en dan zat hij daar maar tussen vreemden. Maar zoals Sintjin zo lief zei: ‘Ik wil de eerste signeersessie van mijn meisje niet missen.’ Daar kon ik weinig tegenin brengen. Eenmaal bij boekhandel Thomas aangekomen, begonnen de zenuwen toe te slaan. Zo’n gigantische stapel boeken.. Verwachten ze echt dat er zoveel mensen zouden komen? Wat nou als er niemand kwam? Ik voelde Sixtijns hand op mijn schouder. Blijven ademhalen Robin. Natuurlijk kwamen er wel mensen. Een heleboel. Alleen hoe kreeg ik die gloednieuwe boeken ver genoeg open zodat ik erin kon schrijven? Sintjin zag mijn geworstel en schoot te hulp. ‘Ik houd ze open, jij schrijft.’ Nu ging het een stuk sneller en kon ik de bezoekers tenminste in de ogen kijken. Ze waren allemaal gekomen: vrienden, kennissen, familie. En zelfs mijn juffen uit groep 8 en mijn allereerste fysiotherapeute waren gekomen om mij te feliciteren. Zoveel mensen.. Het duizelde me, ‘Gaat het nog een beetje?’, vroeg Sintjin. ‘Jawel.’ Ik glimlachte. ‘Bedankt dat je er bent, zonder jou was ik allang ingestort.’ Zo zie je maar weer: iedereen heeft iemand nodig. Ik werd die dag door heel veel lieve mensen omringd..


Week 171: Krabbel

Afgezien van goed kunnen schrijven, is er nog iets dat een schrijfster moet kunnen: signeren. En laat dat nou net hetgeen zijn waar ik absoluut niet goed in ben. Van de bank mag ik geen rekening openen, omdat ze mijn handtekening niet geloven. Kan ik er wat aan doen dat ik spastisch ben? Dat wordt flink oefenen, want de uitgever wil een signeersessie organiseren. Vorige week waren ze dat al van plan. Het enige probleem was dat nog bijna niemand wist dat mijn boek nu echt gepubliceerd was. Ik zag mezelf daar al zitten in de Bruna; met een stapeltje boeken op mijn blad en niemand die kwam opdagen. Best sneu. Ik lichtte de uitgever in over mijn angst en ze begrepen mijn punt, dus is de boel uitgesteld. Nu is de planning dat er op zaterdag 5 november om 15:00 uur een signeersessie zal plaatsvinden in boekhandel Thomas in Bergen. Ik vind het raar, al die publiciteit. Ja, ik sta iedere week in De Duinstreek, maar dit is toch andere koek. Veel mensen dat, nu mijn columnbundeling uit is, ik heel beroemd ga worden. Ik weet het niet, ik hoop dat mensen mijn boek met plezier gaan lezen, maar of dat er hordes zullen zijn.. Hoe dan ook, mocht u een handtekeningen van mij willen hebben, dan zie ik u graag op zaterdag 5 november in boekhandel Thomas. Geen een van mijn krabbels is hetzelfde en ik ben dan misschien niet de snelste schrijfster, ik zal mijn best doen.
.


Week 170: Vleugels

Ik heb talloze boeken in mijn handen gehad, duizenden pagina’s tussen mijn vingers gevoeld, allemaal met een eigen karakter. Maar geen enkel boek is zo bijzonder als het exemplaar dat ik afgelopen zondag, op 23 oktober, in ontvangst heb genomen. Mijn boek, mijn debuut in de schrijverswereld. Jarenlang droomde ik van die dag en toen het moment eindelijk daar was, drong het niet tot me door. Ik had daar ook geen tijd voor, want binnen een halfuur stond Jakhals Mathijs (bekend van De Wereld Draait Door) bij mij voor de deur om een portretje over mij te maken. Ik dacht dat ik nerveus zou zijn, maar dat was ik niet. ik voelde niets. Pas toen ik buitenstond, in de frisse najaarswind, trok de verdoofdheid langzaam uit me weg. Ik keek naar het boek die op mijn blad lag. ‘Verdomd, dit is mijn boek. Ik heb dit boek geschreven. En mensen die ik niet ken, gaan dit boek lezen. Holy shit!’ Mathijs schoot in de lach. ‘Dringt het eindelijk tot je door? Gaaf hè?’ Ik knikte sprakeloos. Wanneer deze column in de krant staat, is mijn tv-optreden waarschijnlijk al geweest. Geen nood, hij vast wel terug te zien op de website Programma Gemist. Mijn drie minuten sterrendom, haha! Geluk geeft een mens vleugels, zegt men. Dat klopt, ik weet zeker dat als ik nu van de hoogste klif ter wereld zal rijden, ik niet zal vallen. Ik voel me geweldig, onverslaanbaar. Het is me gelukt, ik ben nu officieel schrijfster


Week 169: Deadline

Ik kan prima met deadlines omgaan. Dacht ik. Totdat Willemijn mij het manuscript van mijn columnbundeling opstuurde. Ze had er wat opmerkingen bijgezet, of ik daar even naar wilde kijken en wat veranderingen wilde aanbrengen. Binnen twee weken, dan kon alles nog op tijd naar de drukker. Geen probleem, dacht ik, terwijl ik vluchtig door het bestand scrolde. Haar opmerkingen waren over het algemeen klein, dat redde ik wel. Maar mijn optimisme ebde weg zodra ik begon Haar ‘kleine’ tips, brachten soms grote veranderingen in mijn columns teweeg. Goede veranderingen, maar het was een hoop werk om ze aan te brengen. En het waren er 87. Tegen de tijd dat week twee begon, had`ik mijn pols overbelast en moest ik om de zoveel tijd stoppen om de koningin na te doen, zwaaiend uit de Gouden Koets. Vrijdag. Nog 20 wijzigingen te gaan. ik had het idee dat ik iets was vergeten. Mijn nieuwe column voor in De Duinstreek! Dat ging ik niet meer redden. Niet als ik mijn manuscript op tijd af wilde hebben. Balend als een stekker, belde ik de redactie. Zondag. Ik hoor het Willemijn nog zeggen: ‘Nu vind je me nog aardig, maar wacht maar tot ik jouw teksten bewerkt heb, dan ga je een ontzettende hekel aan me krijgen.’ Dat klopte. Vloekend en tierend bracht ik de dag door. ’87 opmerkingen in twee weken? Dat mens is gek!’ Het schrijversvak is harder dan ik dacht, maar ik redde het net. En het resultaat mag er zijn.


Week 168: Schaap

Mijn hond Bindi heeft een schapenfobie. Op een middag reed ik met haar langs de weilanden toen er een schaap uit de sloot opdook. Helemaal groen van het kroos. Ik schrok, maar Bindi was echt doodsbenauwd. Zeker toen het schaap op topsnelheid op haar af rende. Bindi zat vast aan mijn stoel en kon geen kant op, terwijl het schaap haar maar lastig bleef vallen. Gelukkig joeg mijn vader het beest weg, zodat wij rustig verder konden. Ik had geen idee wat voor een impact het hele gebeuren op Bin had gehad. Totdat ze de volgende dag weigerde om aan de goede kant van mijn rolstoel te lopen. Ze was een bonk stress en wilde maar één ding: terug naar huis. Ik snapte niet wat er aan de hand was, totdat de hulphondtrainster na enig onderzoek het schapenfobie vaststelde. Remedie: niet boos worden, maar haar vriendelijk naar de goede kant lokken terwijl je doorrijdt. Lukt dat niet, sta dan stil en probeer het nog eens. Nog geen resultaat? Rijd dan een stukje terug, zeg haar dat ze het goed doet en probeer het weer opnieuw. Een heel gedoe, maar het hielp. Totdat het regenseizoen aanbrak. Bindi houdt absoluut niet van nattigheid, dus moet ik weer alles uit de kast halen om haar goed te laten lopen. En zie maar eens positief te blijven in de stromende regen. Dus als u mij steeds heen en weer ziet rijden, met mijn mondhoeken pijnlijk ver omhoog ,weet u wat ik probeer te doen.


Week 167: Soep

Soep. Ik hou van lekker eten, maar ik haat soep! Je moet een spast ook geen hete, vloeibare dingen laten eten, dat gaat geheid fout. Een paar jaar geleden moest ik in de klas Verzorging een keer zelfgemaakte groentesoep eten. Na één hap ging het al mis, ik schrok ergens van en hopla, ik had gloeiend hete soep in mijn decolleté. Maar hoe maak je dat duidelijk in een klas vol jongens? Mijn tranende ogen en hints werden helaas niet begrepen, de enige oplossing was om het hardop te zeggen. Tot groot vermaak van mijn klasgenoten. Na dat incident was soep voor mij taboe. Maar er zijn nog steeds gelegenheden waarbij ik er niet onderuit kom. Een vriendin was jarig en wat was het avondmaal? Soep. Daar zat ik, met een theedoek om mijn hals om brandwonden te voorkomen. Heel modieus. Het eten ging me verassend goed af, behalve dan de laatste paar happen, die kon ik er niet uitschrapen. De oma van de jarige vroeg of ze me moest voeren. Onbedoeld zond ik haar een vernietigende blik toe. Ik wist dat ze het goed bedoelde, maar voeren? Nee, ik had mijn trots. Niet lang daarna knoeide de jarige zelf ook. ‘Zie je Robin, je bent niet de enige. ik ben ook lekker bezig.’ Opeens was iedereen met servetten in de weer. Of ze dat expres deden om mij wat meer op mijn gemak te laten voelen, weet ik niet zeker. Zo ja, dan vind ik het een lief gebaar.


Week 166: Cape

Moeder zegt: ‘Kind, doe je wel een jas aan? Het is koud buiten.’ Wat had ik daar een hekel aan. Al dat gezeul aan mijn lijf voor het aantrekken van een jas irriteerde me. En dan heb ik het nog niet eens over de lange wachtrij voor de kapstok. Daarom ging ik er meestal zonder jas vandoor. Zodra mam daar achter kwam, nam ze plaats achter de naaimachine. Resultaat: een poncho. Een simpel ontwerp, maar voor de kleine stukjes die ik moest afleggen, voldeed hij prima. Na mijn schooltijd brak het Bindi-tijdperk aan. Opeens moest ik vier keer per dag de deur uit. De poncho was niet ideaal en nadat mijn hond Bindi twee jassen had gesloopt, nam mama weer plaats achter de tekentafel. Wat eruit kwam was een cape van waterdichte stof, met repen leer aan de mouwen, zodat Bindi hem uit kon trekken. We zijn nu een jaar verder en nog steeds draag ik dagelijks. Soms wordt me gevraagd waar ik hem gekocht heb, en dan vertel ik trots dat mijn moeder hem gemaakt heeft. Ze is nu bezig met een opleiding om kleding te maken. Over een paar jaar wil ze kleding gaan maken speciaal voor mensen met een beperking. Mam klaagt wel eens dat ze tegenwoordig bekendstaat als ‘de moeder van Robin Corbee’ maar ik weet zeker dat ze het gaat maken met haar kleding. De opleiding duurt nog een paar jaar, maar in de tussentijd ben ik graag proefkonijn voor het aankomend bedrijf Oud Wijf.

Week 165: Handwerk

Ik ben een ouderwetse schrijver, ik schrijf het liefst met de hand. Echt papier heeft meer geduld dan zo’n zenuwachtig, knipperende cursor op het computerscherm. Zolang ik me al kan herinneren, heb ik een schriftenverslaving, ik heb er een stuk of dertig. Alleen zijn er heel veel niet bruikbaar. Ik betrap mezelf er vaak op dat ik me laat verleiden door de kaft, terwijl ik niet naar de binnenkant gekeken heb. De lijntjes zijn haast niet zichtbaar, het papier is te dun of ik krijg het schrift in kwestie niet goed open. Erg irritant, zeker nu schrijven echt mijn werk geworden is. Toen ik net aan mijn roman begonnen was, had ik per toeval het ideale schrift gevonden. Een groter model dan waar ik normaal gesproken voor zou gaan, met een linnen kaft. Ik had de hoop dat ik er mijn hele boek in kwijt kon. Totdat Bindi hem te pakken kreeg. Ik had hem laten vallen en zij pakte hem op. Iets wat me verbaasde, vanwege de grootte en zwaarte van het ding. Maar in plaats van hem aan mij te geven, begon Bin ermee te spelen. Haar definitie van ‘spelen’: slopen. Ik scheld niet vaak, maar nu ging ik zo erg tekeer, dat madam met de staart tussen de benen afdroop. Een jaar werk ziet er nu erg sneu uit, hoewel alle pagina’s er nog wel in zitten. Ik heb een vervanger gevonden, maar baal dat het me weer niet is gelukt om een schrift vol te krijgen

Week 164: Retro

Mobieltjes, ik heb er al talloze versleten. De eerste twee overleden door een teveel aan regenwater, de derde vond zijn einde in een wc-pot en zo kan ik nog wel even doorgaan. Kort samengevat: ik heb nu nummer zeven in mijn bezit. Mobiele telefoons hebben bij mij niet echt een lang leven, maar wel bij mijn vader. Hij heeft zich lang verzet tegen de moderne technologie, maar toen ik naar de middelbare school ging, moest hij er aan geloven. Onwetend kocht hij een van de modernste toestellen doe er op dat moment op de markt was. Iets wat zijn leerlingen helemaal geweldig vonden. Nu, inmiddels zo’n acht jaar later, gebruikt hij nog steeds dat zelfde toestel. Het ding valt bijna uit elkaar, maar dat maakt hem niets uit. Ook zijn leerlingen vinden het toestel nog steeds cool. Echt retro. En zelfs toen zijn mobiel niet meer alle oproepen ontving, moest ik alles uit de kast halen om ervoor te zorgen dat hij een nieuwe kocht. Een simpeler toestel dan zijn oude, maar toch begreep hij er niets van. Uiteindelijk heeft mijn vriend hem alles uitgelegd en ingesteld, pap was helemaal blij. Dacht ik. Toen ik een week later achter een vaas keek, lag daar zijn nieuwe telefoon. Verklaring: zijn oude toestel deed het weer prima, beweerde papa. Ik heb het altijd voor onmogelijk gehouden dat men een emotionele band kan opbouwen met zijn mobiele telefoon, maar mijn vader is het bewijs, Bizar maar waar, hier is sprake van echte liefde.

Week 163: Voorlezen

Voorlezen was een tijdlang een belangrijk iets in mijn leven. ik heb zelfs aan de Nationale Voorleeswedstrijd meegedaan. Slecht was ik niet, ik was een van de beste drie van Bergen. Ik kwam tot de halve finale van Noord-Holland en daarna hield het avontuur op. Maar mijn liefde voor het voorlezen bleef bestaan. Ik lees mijn roman ook voor, speciaal voor mijn zus. Ik had niet echt het idee dat ik mijn hobby nog ergens anders voor zou gaan gebruiken, maar nu komt het toch goed van pas. Na dik een jaar heb ik vrijwilligerswerk gevonden: ouderen voorlezen. Dat wordt een hele uitdaging, want veel van hen zijn dement. Wat lees je dan voor? Korte verhalen, werd me geadviseerd. Een genre waar ik zelf niet echt in gespecialiseerd ben, dus ging ik snuffelen in de boekenkast van mijn vader. Dat leverde me een klein, oud boekje op vol korte, dolkomische verhalen. In het Oud Hollands, ook een voordeel. Ik moet bekennen dat ik toch redelijk nerveus ben, al weet ik niet precies waarom. Het ergste wat er kan gebeuren, is dat er een aantal in slaap vallen. En zelfs dat zou ik als een compliment kunnen opvatten: een bewijs des te meer dat ik een rustgevende stem heb. En mocht alles toch in de soep lopen, dan heb ik altijd Bindi nog. Tijdens mijn intakegesprek merkte ik al dat ze gek op haar waren. Als Bindi wat dingen voor me van de grond pakt, zijn de oudjes vast ook blij

Week 162: Shoppen

Winkelen, de favoriete hobby van vele vrouwen. Alleen niet van mij. Sterker nog, ik heb er een bloedhekel aan. Natuurlijk, het shoppen zelf is leuk. Rijden in overvolle winkels? Verschrikkelijk. Ondanks mijn grote, logge rolstoel, val ik niet echt op in de winkelende menigte. Wanneer ik: ‘Pardon, mag ik er even door?, zeg, wordt er meestal niet gereageerd. Als ik dan toch voorzichtig probeer te passeren, raak ik vaak per ongeluk een voet of scheenbeen. Iets wat doorgaands niet goed wordt opgevat. Daarom had ik ook geen zin om met Bindi te gaan winkelen, met haar ben ik nog breder. Bovendien is ze geen fan van mensenmassa’s, Toch moest het een keer gebeuren, dus ben ik samen met haar naar de MediaMarkt gegaan. Direct bij binnenkomst begon zij te hijgen van de stress en kreeg ik last van klotsende oksels. Een jongeman kwam op me af met de vraag of hij me kon helpen. Gek, meestal zocht ik me suf naar die mensen. En het werd nog gekker: zodra mensen me zagen, gingen ze aan de kant. Sommigen glimlachten zelfs. Het duurde even voordat ik door had wat daar de oorzaak van was. Of liever gezegd: wie. Bindi. Hondenhaters maakten dat ze wegkwamen en liefhebbers knikten me vriendelijk toe. Resultaat: een breed rijpad. Ik heb nog nooit zo relaxed gewinkeld en ook Bindi’s staart ging steeds verder omhoog. Ik voelde de drang om te gaan wuiven, net zoals de koningin. Nooit geweten dat Bindi de ideale Shop Dog was.

Week 161: Spot

Het wemelt van de talentenjachten op de tv: Idols, X Factor en The Voice of Holland. Irritant, al die zangwedstrijden. En toch is een talentenjacht mijn favoriet: Holland’s Got Talent. Een show waar alle talenten welkom zijn, niet alleen zang,. Eén van de kandidaten was Lisanne. Haar wens was om op een groot podium te staan als comédienne Klein detail: Lisanne is spastisch, blind aan een oog en heeft borderline. De juryleden werden verrast door haar humor. Onderwerp van haar grappen: zijzelf. Zelfspot ten top. Ze deed me wel een beetje aan mezelf denken, alleen zou ik nooit het lef hebben om zoiets op het podium te doen. Vorig jaar liep het publiek weg bij een cabaretier omdat hij een grap maakte over een man die in een rolstoel zat. Een mooi gebaar, maar het kan dus ook andersom. Doel van Lisanne: ‘Meedoen is beter dan winnen? Onzin. Ik vecht al mijn hele leven voor van alles en nog wat, ik ben hier om te winnen!’ Ik geef haar groot gelijk, het wordt hoog tijd dat mensen een ander beeld krijgen van gehandicapten. Dus toen Lisanne klaar was met haar sketch en er een staande ovatie volgde, werd er wel een traantje weggepinkt. Niet alleen bij haar, maar stiekem ook bij mij. Meestal leveren talentenjachten niet veel op, maar ik hoop dat het in haar geval, wel gebeurd. Ik haak vaak na de eerste audities van Holland’s Got Talent al af, maar nu zal ik zeker blijven kijken. Lisanne, respect!

Week 160: Slot

Alle Harry Potter-fans zijn in diepe rouw: de laatste HP-film draait nu in de bioscoop. Voor mij verflauwde de gekte al na het uitlezen van het laatste boek. De boeken, daar ging het mij om, de films waren een leuke bijkomstigheid. En toch heb ik ze allemaal gezien, samen met een vaste groep vrienden, de makers van het Harry-Potterhuis. Ieder jaar gingen we met zijn allen naar de bioscoop, het was traditie. Vorig jaar had nog iemand zich bij onze groep gevoegd: mijn vriend, Sintjin. ‘Je kijkt triest’, zei hij toen we op de tweede helft van de film wachtte. Ik haalde mijn schouders op. ‘Dit is het einde van een tijdperk. Over misschien twee jaar zullen velen Harry Potter vergeten zijn.’ Hij gaf me een zoen. ‘Het einde van een tijdperk betekent ook het begin van een nieuwe, het Robin-tijdperk. Ik ben benieuwd wie ons gaan spelen, mocht jouw boek verfilmd worden.’ Ik grinnikte. Hij had gelijk, het was alsof ik een boek vol blanco pagina’s voor me had. Wat zou erop komen te staan? Nog even en mijn boek is af. Ik zeg altijd dat ik er geen verwachtingen over heb, maar dat is niet waar, natuurlijk heb ik die wel. Diep vanbinnen hoop ik dat het een succes wordt. Ik heb heel erg veel aan Harry te danken, hij kwam in mijn allereerste verhalen voor. Het maakt niet uit hoeveel mensen hem uiteindelijk zullen vergeten, hij zal altijd mijn held zijn. Alle lof voor Joanne Katherine Rowling.

Week 159: Taxipas

Een kleine primeur: het begin van mijn roman speelt zich af in een taxi. Jarenlang ben ik met een bus van en naar school vervoerd. Ondanks dat ik het taxivervoer dus gewend ben, was ik als de dood om een taxipas aan te vragen. De oplettende lezer weet wellicht dat mijn oriëntatievermogen flut is. Wat als ik mijn aankomstadres verkeerd doorgaf en ik ergens in de middle of nowhere werd afgezet? ‘Toch niet het juiste adres mevrouw? Niet mijn zaak. Nog een prettige dag verder.’ Brrr… Maar mijn ouders kunnen niet eeuwig taxichauffeur blijven spelen, dus besloot ik om mijn angst te lijf te gaan. Bestemming: de verjaardag van een vriendin. Het begon goed, we kwamen in Julisnadorp terecht en dat was ook de bedoeling. Maar toen kwam er een straatjesdoolhof. Of ik misschien wist welke kant we op moesten. Help. Paniek. Waarom leken al die huizen toch zo op elkaar? Het zweet brak me uit. Totdat ik opeens een bekend gezocht zag. Haar moeder. Ik was gered! De terugreis verliep een stuk relaxder (het feit dat ik een dik uur te laat werd opgehaald, even niet meegerekend. Dat schijnt erbij te horen), ik wist immers wel waar ik woonde. Terwijl ik in de taxi zat, besefte ik hoeveel ik het had gemist, de vrijheid. En het lichte geschud heb ik vreemd genoeg altijd rustgevend gevonden. Misschien schrijf ik mijn volgende boek wel in een taxi, je komt veel interessante mensen tegen. Een busrit kan een bron van inspiratie zijn.

Week 158: Zekerheid

Er is een heleboel veranderd sinds ik mijn hond Bindi heb. Veel mensen denken dat een hulphond alleen maar praktische voordelen heeft: dingen oppakken, jas uittrekken, deur open en dicht doen. Dat is ook zo, maar ik merk dat Bindi mij op sociaal gebied ook helpt. Voorbeeld: kleine kinderen vonden mij altijd eng. Dat kan ik ze niet kwalijk nemen, mijn rolstoel is behoorlijk imposant,daardoor kunnen ze mij ook niet goed plaatsen. Maar honden zijn bij koters doorgaands een grote hit. Een meisje bij mij uit de buurt, vond mij altijd eng, maar zodra Bindi in beeld kwam, zocht ze toch toenadering. ‘Hondje lief. Ik heb ook een hond. Hoe heet jij?’ En niet alleen de kleintjes vinden mij nu ‘normaler,’dat is ook bij volwassenen het geval. Als ze voor een hond kan zorgen, kan ze vast meer. Mijn zelfvertrouwen is ook gegroeid sinds Bindi’s komst. Door mijn belabberde oriëntatievermogen durfde ik nooit nieuwe routes uit te proberen, maar samen met haar wel. Als we verdwalen, verdwalen we tenminste samen. Het slaat misschien nergens op, maar toch put ik er kracht uit. En dan het laatste en misschien grootste voordeel: na een uiterst pijnlijke ontsteking in mijn rug, durfde ik niet meer alleen te slapen. Bang dat als er weer iets mis zou gaan, ik me weer net zo hulpeloos en bang zou voelen als toen. Maar met Bin in mijn slaapkamerkamer, durf ik weer rustig te gaan slapen. Kortom, ik wil nooit meer terug naar een hondloos bestaan.

Week 157: Risico


Als je iets zegt, de woorden gevormd en wel je mond uit komen, worden ze waarheid. Dat is ook zo met geschreven woorden. Inkt op papier, er is niets definitiever dan dat. En als de woorden eenmaal de wereld in zijn, kan er van alles gebeuren, Dat vind ik pas een enge gewaarwording. Ik weet al weken iets. Iets wat ik heel leuk, helemaal geweldig vind, maar niet in de openbaarheid durf brengen. Waarom niet? Omdat ik bang ben dat als ik de woorden hardop uitspreek, alles in de soep loopt. Dat ik, zodra deze column in de krant staat, telefoontje krijg en iemand zegt: ‘Sorry Robin, het feest gaat toch niet door. Je hebt het allemaal verkeerd be Maar aangezien ik het goede nieuws al een tijdje weet en het allemaal nog steeds lijkt door te gaan, ga ik het er toch op wagen. Het leven bestaat immers uit risico’s nemen. Dames en heren, mijn columns worden ook uitgegeven. Een ideetje van de uitgever, het gaat niet meer lukken om mijn boek voor dit najaar af te krijgen, maar ik heb zat columns. Waarom kon daar niets mee worden gedaan? Welja, twee boeken in plaats één, mij hoor je niet klagen. En toch betrap ik mezelf er op dat ik nog steeds niets van dat uitgeven geloof. Dat ik nog steeds wacht totdat iemand keihard ‘Geintje!’ roept. Misschien heeft de uitgever gelijk geloof ik er pas in als ik het boek daadwerkelijk in mijn handen heb. We zullen zien

Week 156: Wonder

Op een doodnormale woensdagavond stond de buurman opeens voor onze deur. ‘Is deze kat niet van jullie?’, vroeg hij. Dat kan niet, dacht ik terwijl ik bleef lezen. Al onze katten zijn dood, ik heb er vorige week nog een stukje over geschreven. Maar mijn broertje zei: ‘Volgens mij wel.’ Verbaasd keek ik op. Voor me zat een broodmagere, rode kater. Ik herkende hem nauwelijks meer, maar Bindi duidelijk wel. Ze sprong op en begon hem, opgetogen kwispelend, te likken. Het was Flow, onze kat die zes weken geleden was verdwenen. ‘Ja, dat is onze kat’, zei ik stomverbaasd. ‘Waar heeft u hem gevonden?’ Flow bleek de afgelopen weken in een schuur vast te hebben gezeten, waar de buurman bijna nooit kwam. Er was daar niets, geen eten of drinken. Waarschijnlijk heeft Flow het weten te overleven door kleine insecten te eten die daar rondliepen en de condens van het raam te likken. Nu hij weer bij ons is, begint hij langzaam weer aan te sterken, maar hij is wel veranderd. Dat is niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk, duidelijk merkbaar. Flow springt nu steeds op het aanrecht en likt de pannen uit, iets wat hij vroeger nooit deed. Maar ik kan het hem niet echt kwalijk nemen, als ik zes weken vast zou hebben gezeten zonder fatsoenlijk eten of drinken, zou ik ook rare tikken ontwikkelen. Het is ongelooflijk dat Flow nu weer over ons erf rondloopt, gezond en wel. De wonderen zijn duidelijk de wereld nog niet uit.

Week 155: Dood

Vorig jaar was het op ons erf nog een grote beestenboel. Het begon toen papa één kat wilde en er met twee thuiskwam. Niet lang daarna schafte mama er ook een aan. Opeens liepen er drie katten rond. Een paar maanden later kwam Bindi er ook bij. Met de komst van Bindi, ontdekte mijn vader dat hij een hondenliefhebber was en al snel voegde Xamber zich bij ons gezelschap. Daarmee leek de boel compleet. Maar de katten hadden het niet op honden. Bindi was oké, maar twee was teveel. Eentje verdween: Sam. Mam had het nooit zo op katten, maar was verliefd op haar kater, Flow. Daarom was de klap best groot toen, een paar weken geleden, ook hij verdween. Nu was er nog maar één kat over: Mo. Ondanks dat ze redelijk verwilderd was, dachten we wel dat zij heel oud zou worden. Niet dus. Papa vond haar een paar dagen geleden op de weg, aangereden. Dood. Ook één van Jona’s konijnen is verdwenen, waarschijnlijk gepakt door een vos. Nu zijn alleen Xamber en Bindi nog over, samen met dat ene konijn, die eenzaam in zijn hok zit. Ik denk dat Sam ergens anders een huis heeft gevonden, maar ik ben bang dat met Flow minder goed is afgelopen. Daarom geef ik Bindi, als ze ’s ochtends op mijn bed springt om hallo te zeggen, een zoen op haar kop en sla mijn armen om haar grote lijf. Iedere dag kan de laatste zijn dat ik dat mag doen.


Week 154: Muziek

Zaterdagochtend, uitslaapochtend. Meestal dan. Dit keer stond Bindi al om zeven uur naast mijn bed, piepend omdat ze eruit wilde. Na een uur hield het piepen op, maar ik kon niet meer in slaap komen. Tijdens het ontbijt dreef er vrolijke muziek mijn kamer binnen. Het bleek een dixie land band te zijn. Reden voor al die vrolijkheid was de rondleiding op de nieuwe N9, die deze dag werd georganiseerd. De weg waarvoor ons huis bijna heeft moeten wijken. Driekwart van de Damweg is verdwenen, maar wij staan nog. Hoera! Ik ben een groot muziekliefhebber, pop, rock, klassiek, het maakt mij niets uit. Maar als je steeds dezelfde muziek hoort, gaat het flink irriteren. Zeker als de nummers behoorlijk op elkaar lijken. Na zo’n drie uur (ongewild) naar hun muziek geluisterd te hebben, zette ik mijn eigen cd’s op. Veel hielp het niet, ik kon ze op de achtergrond nog steeds horen. Nu snap ik waarom muziek vroeger als een soort martelmethode werd gebruikt, toen het vierde uur verstreken was, dacht ik echt dat ik gek werd. Hoe ouder ik werd, des te meer de N9 vaste vormen aan begon te nemen. Qua geluid ben ik dus heel wat gewend: niet alleen het aanhoudende geluid van voorbijrijdende auto’s, maar ook het geraas van werkmachines. Zelfs het gebonk van een heimachine went op den duur. Maar terwijl ik dit schrijf, word ik al zes uur begeleid door de dixie land band. En het enige wat ik kan denken is: red me!

 


Week 153: Knipsels

Ik was op zoek naar een bepaald notitieboek en dus haalde ik mijn hele kamer overhoop. Mijn notitieboek vond ik niet, maar wel een oude, blauwe map. In die map bleken oude krantenknipsels te zitten. Allemaal met mij als onderwerp. Verbaasd bladerde ik door de vele knipsels. De meeste stamde af van zo’n tien jaar geleden, toen het Potter-huis werd geopend. Ik was vergeten hoezeer de boel toen in de publiciteit had gestaan. In de meeste stukjes werd vooral benadrukt hoe gehandicapt ik wel niet was en dat het oh zo knap was dat ik zo positief in het leven stond. Ik heb er altijd al een hekel aan gehad als mensen me zo zagen. Toen ook al, dat bleek uit mijn zelfgeschreven verhalen, die ik in de map vond. Allemaal met dezelfde strekking: gehandicapten zijn niet eng, dom of zielig. Na even zoeken, ontdekte ik dat de meeste van de krantenstukken uit De Duinstreek afkomstig waren. Ik lachte. ‘Nou Bin, ik hoop dat ze nu iets anders over me denken, daar op de redactie.’ Ja, vroeger vond ik het erg belangrijk dat mensen me voor vol aanzagen, maar dat wordt nu gelukkig minder. Men mag over mij denken wat ze willen. Als ze de moeite nemen om me wat beter te leren kennen, zullen ze vanzelf ontdekken dat ik niet veel verschil van de rest. En zo niet, dan niet. Ik geef toe dat ik een beetje gestoord ben, maar volgens mij is dat bij iedere creatieveling het geval.

Week 152: Brief

Wanneer ik mijn column schrijf, denk ik nooit echt na over wie het leest. Of hoe mensen er op gaan reageren. Misschien moet ik dat in het vervolg wel gaan doen. Een paar dagen geleden ontving ik een brief van een vrouw die altijd mijn columns las. Ik vind het leuk om brieven van lezers te ontvangen, ik ben altijd benieuwd naar hen mening. Maar dit was niet zomaar een brief. Dit was een brief van de oma van Tommie Christiaan. Oftewel: Zorro. Zodra ik dat doorhad, kreeg ik een hoofd als een biet en begon zacht ‘Oh help!’ te roepen, afgewisseld met ‘Oh nee!.’ In mijn column over de musical Zorro had ik het over ‘goddelijke’ lichaam van Tommie, Ik weet niet hoe ik zou reageren als ik zijn oma was, en ik zo’n column las. Maar gelukkig zag zij er de lol wel van in. En haar zoon ook, want ook aan hem had ze de column laten lezen. Ik gniffelde. Nog even en de halve familie Christiaan was van mijn column op de hoogte. Dat niet alleen, Tommie’s oma schreef dat ze mijn column ook naar hem gaat opsturen. Stiekem ben ik wel benieuwd wat Tomme van mijn stukje zal vinden. Hopelijk ziet hij me niet als een gestoorde fan als hij het gelezen heeft. Bovendoen, ik uit gewoon mijn mening, niets meer of minder. Ik vind dat Tommie een mooi lijf heeft, daar ga ik niet over liegen. En een columnist moet altijd eerlijk zijn. Toch?
 

Week 151: Thuis

bt van die mensen die leven voor hun werk en die het liefst in het harnas zouden willen sterven. Zo iemand is Magda. Magda was vroeger verpleegster, maar omdat het Nederlandse beleid haar niet beviel, besloot ze om in Frankrijk, samen met haar man Joop, een speciaal aangepast pension te openen. En in dat pension vierde ik mijn vakantie, samen met mijn vader en de honden. Het pension bevond zich in een prachtig, bergachtig gebied, waar ik eindelijk eens de had rust om een boek te lezen in plaats van er een te schrijven. Terwijl ik las, kletste papa met de gastheer en vrouw, natuurlijk met een glas wijn. Ook de hondjes hadden het naar hun zin, ze konden ongestoord over het terrein rondrennen en spelen met Max, de boxer van Joop en Magda. Alleen Xamber mocht hem niet, omdat Max steeds aan zijn kont rook. Iedere dag schotelde Magda ons de heerlijkste gerechten voor en was de perfecte gastvrouw. Maar de verpleegster zat nog steeds in haar, dat merkte ik toen ze in een onbewaakt moment, mijn neus begon af te vegen. Daar schrok ik zo van – mijn neus afvegen kon ik zelf wel- dat ik haar bijna een spastische stomp verkocht. Gelukkig begreep Magda mijn reactie en kon er wel om lachen. Meestal gaan mijn vader en ik maar één keer naar een bepaald vakantieoord, maar het pension van Magda en Joop is als een soort thuis gaan aanvoelen. Daarom zeg ik geen vaarwel maar tot ziens

Week 150: Z

Eindelijk was het zover, ik ging mijn grote held op het toneel zien: Zorro. Even was het publiek in duisternis gehuld en toen vlamde er, met veel gebulder, een brandende Z op. Oké, dit was dus geen musical voor mensen die last hadden van hevige spasmes, dat was duidelijk. De musical was nog geen twee minuten bezig en nu al sprong ik bijna uit mijn stoel van schrik. Gelukkig zat ik tussen nog twee mensen met spasme, dus vielen mijn schrikreacties niet zo op. Wendy en ik hadden de beste plekken in de zaal veroverd. Pal voor het podium, zodat we iedere zweetdruppel op Zorro’s (Tommie Christiaan’s) goddelijke lichaam konden zien glinsteren. En dan had je nog de danseressen, dames die hun rokken wild lieten zwaaien. En dat deden ze zo gepassioneerd, dat we af en toe een glimp van hun slipje konden zien. De musical Zorro wordt vooral gekenmerkt door veel zang en dans. Soms was het een beetje teveel van het goede, waardoor het verhaal zelf af en toe in de verdrukking kwam, maar dat is mijn mening. Na afloop van de musical ging Wendy brutaal bij de kleedkamers van de acteurs staan. Nogal ongemakkelijk stond ik naast haar. Dit was ik niet gewend, de acteurs waren vast moe en wilde niets met hun fans te maken hebben. Maar zoals Wendy zei: Dan hadden ze maar een ander beroep moeten kiezen. Daar had ze natuurlijk gelijk in. En dus sta ik wel mooi met Tommie op de foto.

Week 149: Perfectie
Een tijdje geleden maakte Nederland kennis met een nieuw tv-programma, getiteld: Beauty & the Beast. Schoonheid zit vanbinnen. Het concept van dat programma is simpel: iemand met een gezichtsaandoening wordt gekoppeld aan iemand die geobsedeerd is door schoonheid. De twee brengen vier dagen met elkaar door, waarin degene met een gezichtsaandoening de ander leert dat schoonheid niet alles is. Afgezien van de titel (Beauty & the Beast, het had iets subtieler gekund), vond ik het een prima programma. Door dit onderwerp in de openbaalrheid te laten treden, werd er een bepaald denkbeeld doorbroken. Bravo! Maar nadat ik het programma een paar keer had gezien, begon ik toch aan de eerlijkheid van een aantal deelnemers te twijfelen. Ze waren een beetje TE positief. Ze zweerden met het hand op hun hart dat ze nooit moeite hadden met hun aandoening. Nu heb ik geen gezichtsaandoening, maar ik weet wel hoe het is om anders behandeld te worden omdat je bent wie je bent. Soms is dat gewoon kut, daar ben ik eerlijk in en dat mag op tv ook best wel gezegd worden. Maar ja, ik denk dat veel mensen zich anders voor doen op tv dan dat ze in werkelijkheid zijn. Je wordt immers door duizenden mensen bekeken. Ik ben bang dat dat niet zo snel zal gaan veranderen. Maar het begin is er. Misschien heel wat meer uitvergroot, maar het is er wel. En dar ben ik blij om. En wie is er nou echt volmaakt gelukkig met zijn uiterlijk?

Week 148: Break
Er wordt wel eens gezegd dat schrijvers een eenzaam bestaan leiden. Ik ben er achter dat dat wel klopt, in mijn geval dan. Begrijp me niet verkeerd, ik wil dat mijn boek een succes wordt, maar ik werk al maanden alleen maar thuis. Ik laat Bindi wel vier keer per dag uit, maar als je dagenlang dezelfde routes volgt, gaat dat je uiteindelijk toch ook de keel uithangen. Dat vertelde ik aan mijn vader. Eigenlijk  bedoeld als een soort inleiding voor wat ik werkelijk wilde zeggen: dat ik een of twee keer in de week vrijwilligerswerk wilde doen. Dan bevond ik me tenminste even in een andere omgeving. Maar mijn vader kwam met een andere oplossing: waarom gingen we niet een klein weekje naar Frankrijk? Dat is typisch mijn pa, impulsief en altijd vol met gekke plannen. Maar dit plan was misschien zo gek nog niet. Afgelopen zomer hebben we twee dagen bij aardige mensen doorgebracht die een volledig aangepast pension in Frankrijk. Het was een korte tussenstop, maar de sfeer was er zo relaxed, dat we besloten om nog een keer terug te komen. Zo snel had ik alleen niet verwacht. Maar waarom ook niet? Het was niet erg ver weg en ik zei geen nee tegen een korte break. Precies zoals ik het van mijn vader gewend ben, heeft hij het binnen een dag geregeld. Begin mei ben ik dus even het land uit. Heerlijk, even een boek lezen in plaats van er een schrijven. Vive la France!

Week 147: Bonje

Voordat ik Bindi had, heb ik eerst moeten vechten om er voor te zorgen dat ze haar op school toestonden. Nu begint het gedoe op de school waar mijn vader werkt. Op het Clusius College waren honden jarenlang toegestaan. Het is immers een school waar de leerlingen van alles over dieren leren en ook met ze omgaan. Wat maakt het dan uit dat er een paar honden door de gangen lopen. Niets, tot een paar weken geleden. Nu zijn honden opeens verboden en moet Xamber thuisblijven. Maar iedereen die mijn vader een beetje kent, weet dat hij dat niet doet. Xamber is niet een hond die je thuis kan laten. Voor hij bij ons kwam, was hij gewend om zijn baasje vierentwintig uur per dag in de gaten te houden, dat was zijn werk. Laat hem alleen en hij zet de boel op stelten. Dus nu neemt mijn vader hem gewoon mee en verstopt hem maar in zijn lokaal. Zijn leerlingen vinden het geweldig, ze zijn dol op Xamber en wanneer hen naar de gebeurtenissen is het lokaal wordt gevraagd, wordt er verbaasd gereageerd. ‘Zit er een hond in dat lokaal? Ik dacht dat het een klein paardje was.’ Het is nog niet gebeurd, maar de bom gaat een keer barsten. Erg vindt pa dat niet, hij houdt van bonje. Even iets anders, ik vermoed dat mijn lezers gek worden van mijn gepraat over mijn hond Bindi. Nu schrijf ik ook over een hond, maar dan over die van mijn vader.

Week 146: Zorro

De meeste jonge tienermeisjes zijn tegenwoordig smoorverliefd op popidool Justin Bieber. Toen ik dertien was, had ik ook een idool, maar die had niets met muziek te maken. Mijn idool reed op een zwart paard en droeg een al even zwart masker. Mijn idool was Diego de la Vega. Oftewel: Zorro. Terwijl de meeste meiden bij hun cd-speler zaten te zwijmelen, zat ik voor de tv, kijkend hoe Zorro de ene naar de andere slechterik versloeg. Nu, jaren later, is Zorro de musical een feit. Ik ben een echte musicalliefhebber, maar ik verzamel meer musicalmuziek dan dat ik er heen ga. Musicalkaartjes zijn behoorlijk duur, aan de muziek heb ik vaak genoeg. Maar dat ligt anders als het over de musical over mijn grote held gaat. Het enige probleem was dat als ik naar de musical wilde, ik een van mijn ouders mee moest slepen. Die er absoluut niet van houden. Ik had me er al bij neergelegd dat ik gewoon maar de cd moest kopen toen ik door goede vriendin Wendy werd gebeld. Ze ging naar de musical Zorro. Of ik mee wilde. Zo zie je maar weer, sommige oplossingen liggen zo voor de hand dat je ze over het hoofd ziet. Wendy is ook een Zorro-fan. Of liever gezegd een Tommie-fan, de man die Zorro gaat spelen. Tommie is niet de sexy Spanjaard die ik in gedachten had. Hij is eerder een klassieke kaaskop. Een mooie kaaskop die kan zingen, dat dan weer wel. Misschien verast hij me.

Week 145: Lente

Ik ben nooit echt een buitenmens geweest, ik zat liever binnen en las een boek. Mam had mazzel als ze me één keer per dag, een halfuurtje het huis uit kreeg. Dat veranderde radicaal toen Bindi in mijn leven kwam. Ironisch genoeg was er, zodra Bindi echt van mij was, definitief een einde gekomen aan de zomer. Niet alleen moest ik nu vier keer per dag op uit, dat moest ik doen gehuld in een vreselijke regencape. Erg modieus was dat ding niet, ik zag er uit als een berg smurfensnot, waar een hoofd op balanceerde. Ook schoot hij, met veel wind, vaak los, waardoor hij tegen mijn gezicht sloeg en ik niets meer kon zien. Ik zie mezelf nog in de polder staan, vechtend tegen het blauwe ding, roepend: Help, ik zie niets meer! Bin, ben je er nog? Ik zie niks meer!’ En dan heb ik het nog niet eens over de winter. Door de vele, dikke pakken sneeuw, kon ik de deur helemaal niet uit. Maar niet alle wandelingen zijn een drama. Wanneer ik Bindi nu ’s ochtends uitlaat, is het licht en fluiten de vogels. Dat is pas lekker wakker worden. Toen Bin opgetogen door de pas uitgestrooide koeienmest ging rollen en Xamber in het meer sprong, wist ik het zeker: Mensen, we hebben er lang op moeten wachten, maar de lente hangt nu toch echt in de lucht. Ook dit jaargetijde zal vast problemen me zich meebrengen, maar dat zie ik dan wel weer.
 

Week 144: Zip

Ik stond samen met Bindi op de taxi te wachten toen ik een vrouw verrukt hoorde zuchten. ‘Wat een prachtige hond heb je!’ Zucht, daar had je weer een hondenliefhebber. Ik stond op het punt om mijn U mag mijn hond niet aaien-speech af te steken, toen ze al verder ging. ‘Ik weet dat ik hem niet mag aaien, maar hij lijkt zoveel op mijn hond, dat ik me haast niet kan inhouden.’ Ik draaide me om en zag dat ze ook in een elektrische rolstoel zat. ‘U heeft ook een hulphond?’ Ze knikte. ‘Ja, hij heet Zip.’ Die naam trok Bindi’s aandacht, ze begon de vrouw te besnuffelen. Ik lachte. ‘Dan stel ik u nu voor aan Zip’s zus, dit is Bindi.’ Haar ogen werden groot. ‘Echt? Geweldig!’ Opgetogen begon ze over haar leven samen met Zip te vertellen. Mijn gedachten gingen terug naar de trainingsschool, waar Zip eerst een team vormde met Kristien. De twee waren gek op elkaar, maar helaas was hij te sterk voor haar. Het moment dat ze uit elkaar werden gehaald, was hartverscheurend: Kristien huilde en Zip, die niet wist wat er gaande was, bleef koppig naast haar zitten. Een maand later hoorde ik dat Kristien was gematched met een lieve poedel. En Zip had ook een warm thuis gevonden bij deze gezellige Surinaamse dame. Heerlijk, een happy end. ‘Ben jij ook een beetje happy bij mij Bin?’, vroeg ik. Bij wijze van antwoord ging ze tegen mijn stoel aan liggen en zuchtte diep.

Week 143: Spoken

Ik had Bindi net losgelaten in de polder toen ik mijn mobieltje los op mijn werkblad zag liggen. Even zette ik mijn elektrische rolstoel stil om hem weer veilig in mijn jaszak te stoppen. Verbeeldde ik het me nou of reed mijn stoel nog een heel eind door voordat hij tot stilstand kwam? Voorzichtig gaf ik een klein duwtje tegen mijn besturingspookje en liet los. Het was geen verbeelding, mijn stoel reed inderdaad een heel stuk door. Lekker, alweer pannen. Snel naar huis, voordat het echt goed misging. Ik draaide een kwartslag, zoekend naar mijn hond. En liet mijn pookje los. Dat had ik niet moeten doen, mijn stoel schoot vooruit. Op topsnelheid dit keer. Ik trok mijn besturingspook naar achteren, maar er gebeurde niets. Ik was de controle over mijn stoel kwijt. Paniek. ‘BINDI, HELP!’ Binnen twee seconde stond ze naast me en had zichzelf aangelijnd. Ik stond weer stil. Bindi keek me aan, ze had door dat er iets mis was. ‘Het komt goed meisje, we gaan gewoon heel rustig naar huis, ik bel mam en zeg dat het nog even duurt.’ De terugweg was de engste rit die ik ooit heb meegemaakt, mijn stoel leek wel door spoken bezeten . Tranen rolden over mijn wangen. ‘Ik wil niet meer, ik durf niet meer!’ Goddank ben ik veilig thuisgekomen. De monteur vertelde me dat iedere rolstoel hier wel eens last van had. Niets aan de hand. Eerst gebroken bouten, daarna slaat mijn stoel ophol . Wat komt hierna?
 

Week 142: Nuttig

Ik schreef twee weken terug dat ik het lastig vond dat bijna niemand scheen te geloven dat ik een boek schrijf. Ik denk dat ik die woorden gedeeltelijk moet inslikken. Op Heliomare zagen sommige mensen niets in mijn droom om een boek uit te laten geven. Ik moest het maar niet doen, dat uitgeverswereldje was veel te hard voor mij, Aan mijn tijd op de basisschool koester ik veel warme herinneringen. Daar is het allemaal begonnen, daar heb ik verhalen leren schrijven. Ik zie mezelf daar nog zitten: met een wijsvinger ijverig tikkend op een elektronische typemachine. Voordat ik mijn geliefde basisschool verliet, kreeg ik nog een boodschap mee: Robin, laat het ons weten wanneer je eerste boek uitkomt. Nu, jaren later, zijn ze me nog steeds niet vergeten. Het schijnt dat mijn column daar elke week wordt opgehangen en wordt voorgelezen. Ik heb zelfs een sms ontvangen van mijn oude lerares van groep 8, waarin ze me vertelde hoe trots ze op me is. Ook de lezers van de Duinstreek vertellen me vaak dat ze mijn columns leuk vinden en dat ze erg uitkijken naar mijn boek. Via deze weg wil ik iedereen heel erg bedanken voor hun lieve reacties en steun. Ik kan nu oprecht -zeggen dat ik gelukkig ben. Op het REA had ik vaak het idee dat ik mijn tijd verdeed. Nu voel ik me nuttig, ik doe iets wat me blij maakt en mensen kijken uit naar het resultaat. Wat wil een mens nog meer?
 

Week 141: Bouten

Ik was Bindi aan het uilaten toen ik een hard, knappend geluid hoorde. Het volgende moment duikelde ik met mijn zitting zo’n twintig centimeter naar voren. Er was iets mis, dat was duidelijk. Vroeger zou ik in paniek zijn geraakt, maar nu niet. Bindi was bij me, ik was niet alleen. ‘Luister mop, we gaan nu rustig naar huis en dan ga ik de hulpdiensten bellen. En jij gaat niet trekken, want dan val ik geheid. Begrepen?’ Een uur later lag ik in bed en luisterde vol afschuw naar de monteur. Mijn elektrische stoel was inderdaad stuk. Er waren twee bouten gebroken en als die moesten worden bijbesteld, zat ik drie dagen zonder stoel. Maar ik moest niet zo boos kijken, hij had toch een reservestoel meegenomen? En hij had mijn stoel niet gesloopt, dat had ik zelf gedaan, haha! Er was inderdaad reservestoel en ik kon er in rijden, maar dat was dan ook alles. Ik zat zo scheef als de toren van Pisa en ik kon niets doen, omdat ik geen werkblad voor me had waar ik dingen op kon zetten. Bovendien kon ik nergens onder staan. Uiteindelijk ben ik rondjes om mijn as gaan draaien. Alles deed zeer en ik verveelde me dood. Dit werd een lang weekend…Of toch niet. Na een eindeloos lange dag werd ik gebeld: Mijn rolstoel was gemaakt. Ik had mijn benen terug! Er zijn mensen die hun hele leven lang in bed moeten blijven liggen. Respect, ik zou het absoluut niet kunnen.
 

Week 140: Werken

Het vinden van werk was moeilijk voor mij. Gelukkig heb ik nu wel degelijk werk: ik ben schrijfster en ik ben aan mijn debuutroman bezig. Nog leuker: een uitgeverij wil het uitgeven. Maar als ik dat aan mensen vertel, kijken ze me aan alsof ze willen zeggen: Ah gut, het is het arme kind dan toch in de bol geslagen. Dat mogen ze denken, over een paar maanden komt mijn boek in de winkels te liggen en piepen ze wel anders. Waar ik me wel aan erger, is de toon die ze dan tegen me aanslaan. Alsof ze het tegen een peuter hebben in plaats van tegen een 21-jarige. Als je me op de kast wilt hebben, moet je dat doen. Een oude kennis vroeg me wat ik tegenwoordig deed, dus vertelde ik haar over mijn boek. Daar reageerde ze zo enthousiast op , dat ik besloot om haar een hoofdstuk te sturen, zodat ze kon zien waar ik mee bezig was. Haar reactie: Wow, ik wist niet dat je kon schrijven. Zucht… Waarom dacht ze dan dat Lebouwski me een contract hadden aangeboden? Omdat ze me gewoon aardig vonden? Ik weet dat ik me er niets van aan zou moeten trekken, maar dat is niet makkelijk als iedereen denkt dat ik de hele dag in mijn neus peuter. Een boek schrijven is geen gesneden koek, maar echt hard werken. Gelukkig krijg ik van mijn vriend iedere avond een oppep-sms, zodat ik er de volgende dag weer fris tegenaan kan
 


Week 139: Engeltje 

 
Ik laat Bin altijd los in de polder en lijn haar vlakbij de voetvelden weer aan, om te voorkomen dat ze het veld op rent. Iets wat altijd goed ging. Tot twee dagen geleden. Ik stopte de lijn weg en merkte dat Bindi me niet gevolgd was. Geen paniek, ik moest gewoon wegrijden en dan zou ze me vanzelf achterna komen. Een zwarte schim schoot over het weiland naast me. Bindi. Wat nu? Ik kon haar niet halen, dan zou ik vast komen te zitten in het gras. Het enige wat ik kon doen, was haar negeren en wegrijden. Het hielp alleen geen moer, Bindi was nu bezig om het voetbalveld onveilig te maken. ‘Bin! Kreng, kom hier!’ Daar leek ze alleen maar sneller van te gaan rennen. Tranen van frustratie rolden over mijn wangen. Ik had het koud en wilde naar huis. Ik had me net omgedraaid toen ik een doodsbang kind hoorde gillen. ‘Enge hond! Help!’ Nog leuker, Bindi had kinderen gezien en wilde spelen. ‘En nu is het genoeg! Jongedame, jij komt onmiddellijk HIER!’ Dat hielp, schuldbewust kwam ze naar me toe en liet mij haar aanlijnen. Ik keek naar de kinderen die ze de stuipen op het lijf had gejaagd. ‘Gaat het jongens?’ Ze zagen bleek, maar knikten wel. Ik heb Bindi in mijn columns altijd omschreven als een braaf engeltje. Dat is ze dus niet. Gelukkig heb ik genoeg gezag in mijn stem om haar, als het erop aan komt, tot de orde te roepen.
 

Week 138: Schoffie

Liefde op het eerste gezicht. ik heb het zelf ervaren toen ik Bindi leerde kennen. Nu is mijn vader de pineut. Xamber is een heel ander soort hond dan Bindi, die waarschuwing kregen we toen we hem kwamen ophalen. Het eerste woord dat in me opkwam toen ik Bindi zag, was: diva. Bij Xamber was het: schoffie. Hij was twee keer zo klein als Bindi en ondanks zijn zes jaar, was hij behoorlijk actief. Pap was verliefd, dat was duidelijk. Ook Xamber was nieuwsgierig en ging tussen zijn benen zitten. Nu was de zaak gesloten. Had deze hond problemen? Kon hem niets schelen, als hij maar mee naar huis ging. Ik had het idee dat hij niet eens de helft hoorde van wat trainster Yvonne over Xamber te vertellen had. Yvonne merkte dat ook. ‘En zo wordt de leerling de meester’, zei ze terwijl we keken hoe Xamber en mijn vader over het grasveld liepen. ‘Houd je die vader van je een beetje in de gaten?’Zodra we thuis waren bleek het woord ‘schoffie,’ beter bij Xamber te passen dan ik had verwacht. Hij bedelde, zat op de bank en trok als een bezetene aan zijn lijn. Bindi vindt haar nieuwe huisgenoot raar en behoorlijk ongemanierd. Bovendien moest Prinses Bind opeens haar troon delen, wat ze ook niet leuk vindt. Pa is gek op Xamber, maar laat niet over zich heen lopen. Die twee redden het wel. En ondertussen laat ik Bindi weten dat ze altijd mijn prinses zal zijn.


Week 137: Match

Na het overlijden van Figaro, was het niet de bedoeling dat er een nieuwe kat zou komen. Tenminste, niet totdat ik mijn hulphond had. Dat gebeurde wel. Sterker nog, het werden er twee. Nog geen week later, besloot ook mijn moeder om een kat te nemen. Nu liepen er opeens drie katten over het erf. Niet veel later kwam Bindi mijn leven binnen gesprongen. Pap had niet zoveel met honden, zei hij altijd. Dat bleek niet te kloppen, binnen een week had Bindi hem om haar staart gewonden. Ze hoefde hem maar even aan te kijken en hij deed alles wat ze hem vroeg. Nadat een groot stuk speculaas, door toedoen van mijn vader, in Bindi’s buik was verdwenen, besloot ik hem nogmaals op de feiten te wijzen. ‘Pap, Bindi is MIJN hond. Als je zo graag een hond wilt vertroetelen, neem je er maar lekker zelf een.’ Daar werd lacherig op gereageerd, maar ik realiseerde me dar ik een punt had, een hond was het perfecte gezelschap voor mijn vader als ik er niet was. Ook hulphondtrainster Yvonne zag de hondenliefde in mijn vader’s ogen en vertelde hem dat er veel gepensioneerde hulphonden waren die op een warm thuis wachten. Misschien kon zij wel iets regelen, als hij geïnteresseerd was. Komende donderdag ga ik weer naar Herpen. Dit keer ben ik niet degene die gematched gaat worden, maar n is mijn vader aan de beurt. Bindi is mijn meissie, mijn maatje. Hopelijk is dat ook zo bij papa en Xander.


Week 136: Schoenen

Vele vrouwen hebben dezelfde verslaving: schoenen. Daar hoor ik niet bij. Om te voorkomen dat mijn voeten scheef groeiden, droeg ik vroeger spalken. Rotdingen vond ik dat, ik kon me er nauwelijks in bewegen en het duurde eeuwen voordat ik ze aan had. Later, toen ik de spalken niet meer nodig had, kwamen de normale schoenen. Daar keek ik erg naar uit. Eindelijk geen gigantische sportschoenen meer die ik altijd over mijn spaken droeg, maar elegante damesschoenen. Maar simpel was dat niet: afgezien van spalken had ik nooit iets aan mijn voeten gehad, ik was niets gewend. Bovendien moet je, wanneer je schoenen koopt, er eerst op lopen, om te zien of ze goed zitten. Maar hoe pak je dat aan wanneer je niet kan lopen? Gewoon, je waagt een gokje. Mijn eerste gokje was een miskoop. En de tweede. En nummer drie. De vierde ook. Het begon goed, maar eindigde altijd met drukplekken en blaren. Uiteindelijk gaf mam het op en droeg ik simpele gympen. Daar was niks mis mee, behalve in de koude wintermaanden. Nadat het dure Uggs-experiment was mislukt, zag ik nog maar een oplossing: als het geen normale schoenen gingen worden, dan moesten het maar aangepaste zijn. Dus op naar de schoenmaker, waar alles precies werd opgemeten. Na acht weken waren mijn laarzen klaar. Ja, ze passen precies, maar ik heb nog steeds een grote blaar op mijn voet. Komt dat door de nieuwigheid of wordt het me gewoon niet gegund om mooie schoenen te dragen?

Week 135: Cadautje

Mijn vriend is een echte romanticus. Toen we elkaar nog maar net kenden, gaf hij me een boek en een armband. ‘Zodat je me niet vergeet wanneer ik van school af ben’, zei hij zacht. ‘Beloof je me dat je deze dwaas niet zult vergeten?’ ‘Nooit’, was mijn antwoord. Maar ondanks mijn belofte, was ik vreselijk bang dat we uit elkaar zouden groeien, we zouden elkaar immers een stuk minder vaak zien. De tijd verstreek en ondanks mijn angst, bleven we bij elkaar. Op Valentijnsdag gaf hij me nog een bijzonder cadeau: een dvd. Hij wist dat er een film in de bioscoop draaide die ik erg graag wilde zien, maar niet heen durfde, vanwege mijn spasme. ‘Als jij niet naar de bioscoop gaat, breng ik de bioscoop naar jou’, zei hij terwijl hij het schijfje in mijn hand drukte. Nu ben ik 21 geworden en zijn Sintjin en ik bijna drie jaar bij elkaar. Daarom verbaasde het me niet toen Sintjin me vertelde dat hij een cadeau naar me had opgestuurd. En wat was het? Een mooi sieraad of misschien een doos bonbons? Nee, dat vond hij te cliché: Sintjin gaf me een externe harde schijf. Zodra ik dat zag, kon ik mijn lachen nauwelijks bedwingen. Natuurlijk was ik blij met mijn cadeau, ik had Sintjin zelf om hulp gevraagd bij het uitzoeken van zo’n ding. Maar echt romantisch was het niet. Ach ja, mijn vriend mag dan wel een romanticus zijn. Hij is en blijft een echte computernerd.

Week 134: Woonvrm

Het huis uit gaan, die woorden hebben me altijd angst aangejaagd. Mijn zus woont sinds haar zesde al niet meer thuis. Zij woont in Reigersdaal, een woonvorm voor mensen met een verstandelijke en lichamelijke beperking. Ik ging niet graag bij haar op bezoek, puur omdat de sfeer die er hing, me de rillingen bezorgde. Alles, van het interieur tot de geur, schreeuwde: instelling. Van de appartementen waar mijn vrienden wonen, werd ik over het algemeen ook niet echt vrolijk: allemaal kleine hokjes waarin ik mijn kont nauwelijks kon keren. En, daar hebben we hem weer: de sfeer. Veel woonvormen die voor mensen met een bedoeld zijn, proberen ‘normaal’ over te komen, maar slagen daar nooit in. Wanneer ik bij zo’n project kom, voel ik me nog gehandicapter dan dat ik al ben. Maar ik ben 21 en het werd tijd dat er knopen werden doorgehakt. Er werd mij aangeraden om bij de woonvorm Belverdere te gaan kijken. Bij het woord ´woonvorm´ gingen mijn nekharen rechtovereind staan, maar ik maakte toch een afspraak. Het standpunt van Belverdere was simpel: ik woonde in een appartement en gaf een seintje wanneer ik hulp nodig had. Het klonk mooi, maar ik wilde eerst een appartement zien, voordat ik mijn mening gaf. De ruimte die ik betrad, leek niet op een appartement, het was eerder een balzaal. Het was prachtig! Ik was verliefd, daar was geen twijfel over mogelijk. In de bus op weg maar huis, kwam het hoge woord eruit: ik wil me inschrijven

Week 133: Rust

Het was nacht en ik lag in mijn bed een boek te lezen. Bindi kwam mijn kamer binnen en ging opgekruld in haar mand liggen, haar waakdienst bij de voordeur zat erop. Ik glimlachte en blies haar een kushand toe. ‘Welterusten mop.’ Ik realiseerde me dat ik me in tijden niet meer zo relaxed had gevoeld. Lekker een boek lezen in bed, hoelang was dat wel niet geleden? Aan het begin van het REA College gezeten, mezelf afvragend of ik met een baan de school zou verlaten. Het idee om thuis te zitten, zonder iets te doen te hebben, maakte me gek. Daarna, in de zomervakantie, kwam mijn leven in een stroomversnelling terecht, eerst kwam de uitgever en daarna Bindi. Nog geen twee weken na elkaar. De trainingsweek samen met Bindi was zwaar, ik weet nog dat mam tegen me zei dat ik het niet hoefde te doen, dat we ook naar huis konden gaan. Zonder hond. ‘Maar ze moet mee!’, snikte ik. ‘Heb je die oortjes gezien? Bindi moet met ons mee naar huis!’ Ik moet toegeven dat een hond opvoeden zwaarder is dan dat ik had gedacht. Er waren Bindi-dagen, dan was ik alleen maar met haar bezig. Maar die dagen worden steeds minder. En wat de uitgever betreft, ik besefte pas dat hun aanbod serieus was, toen ik het contract ontving. Alles was in het begin een enorme chaos, maar langzaam keert de rust weer in mijn leven. Genoeg om weer lekker een boek te kunnen lezen
 

Week 132: Kerst


Toen Bindi in mijn leven kwam, nam ik me plechtig voor om goed voor haar te zorgen. Ze is mijn hond, dus ook mijn verantwoordelijkheid. Ik dacht dat ik overal op was voorbereid. Behalve op een flinke sneeuwbui. Waarom ook? Het sneeuwt nooit in Nederland. Dacht ik. Maar juist dit jaar heeft Vadertje Winter besloten om ons land te bedekken met een dik pak sneeuw, waar ik nauwelijks doorheen kom. Gelukkig woon ik nog thuis en kunnen mijn ouders Bindi uitlaten als het echt niet gaat. Maar leuk vind ik dat niet. En ik ben koppig, dus besloot ik op een vrijdagochtend, om Bindi toch uit te laten. Ondanks de dikke witte deken die de wereld bedekte. Ik zie geen diepte, dus kon ik de exacte dikte van de sneeuwlaag niet inschatten, maar ik merkte wel dat mijn stoel moeite had om vooruit te komen. Dit was misschien toch niet zo’n goed idee geweest.. ik schudde die gedachte van me af. Ik was buiten, nu moest ik ook doorzetten. Ik mag dan misschien geen sneeuwliefhebber zijn, Bin is dat wel. Wanneer ze de kans krijgt, duikt ze het liefst helemaal weg in de sneeuw. Maar nu zat ze aan mij vast en ze kon me, door de gladheid, makkelijk meeslepen. ‘Doe alsjeblieft voorzichtig Bin’, piepte ik benauwd, ‘baasje vind het een beetje heel erg eng.’ Ik ben veilig thuisgekomen, maar vraag me niet hoe. Ik wens al mijn lezers een fijne kerst. Maar lieve Kerstman, alstublieft geen witte dit jaar!
 

Week 131: Nana

Het verhaal van Peter Pan, wie kent het niet? Mijn favoriete personage was Nana, de huishond/nanny, die er altijd voor zorgde dat de kinderen op tijd naar bed gingen. Nu wil het geval dat Bindi erg op Nana begint te lijken. Op het erf hebben we drie katten rondlopen: Flow, Mo en Sam. Bindi is dol op ze , toen Sam was aangereden door een auto, hield Bin een oogje op hem en ging beschermend naast hem liggen. Sinds die tijd is het koek en ei tussen die twee, Sam loopt rustig onder haar door en geeft haar kopjes. Maar Bindi ziet het ook als het haar taak om de katten een standje te geven wanneer ze iets doen wat niet mag. Het was laat in de avond toen mam Sam eruit gooide. ‘En niet meer terugkomen hè? Ga maar naar de buurman.’ Maar even snel als Sam naar buiten was gegooid, was hij weer binnen. Mam wilde actie ondernemen, maar Bindi was haar voor, ze stoof achter Sam aan. Wat er volgde, was een hilarische achtervolging. ‘Volgens mij probeert ze Sam naar buiten te drijven’, zei ik lachend. ‘En het lukt haar ook nog’, zei mam vol verbazing. ‘Moet je kijken, ze duwt Sam door het kattenluik!’ Bindi kwam parmantig de kamer weer binnen. Zo, die klus was geklaard. Ja, Bin is slim, daar hadden ze me op de trainingsschool al voor gewaarschuwd. Nu maar hopen dat ze niet gaat overdrijven en constant katten uit huis gaat zitten jagen.

Week 130: Beppie


Weinig mensen weten dit, maar voordat Bindi in mijn leven kwam, heb ik nog een hond gehad: Beppie. Beppie en Bindi, de namen lijken op elkaar, maar daar houdt de gelijkenis ook wel op. Mam haalde Bep op eerste kerstdag in huis, met het idee om en hulphond van haar te maken. Eigenhandig, dat kon toch niet zo moeilijk zijn? Wat een goed idee had geleken, draaide uit op een drama. Op de puppytraining kwam langzaam aan het licht dat Beppie ADHD had: ze luisterde niet en joeg de andere puppies de stuipen op het lijf. Zelfs de trainster zat met haar handen in het haar al het op Bep aankwam. Thuis verliep het niet veel beter: Bep bracht haar tijd graag kauwend aan mijn moeders geliefde bankstel door. Poepen in mijn kamer vond ze ook leuk, altijd precies in het midden. De stukgekauwde bank en de ster in het raam van de keukendeur, herinneren nog aan die leuke tijd. Uiteindelijk zag mam geen andere oplossing dan Beppie weg te geven aan mensen die al hun hele leven honden hadden gehad, zo had Bep een mooi leven en zij weer rust. Ik vond het vreselijk , ik was echt gek op dat beest. Toen ik hoorde dat ik Bindi kreeg, had ik het wel even benauwd. Wat als Bindi dezelfde streken uithaalde als Beppie? Goddank viel dat mee. Ja, Bin haalt ook streken uit, maar vergeleken met Bep is ze een engel. Het belangrijkste: zij doet haar behoefte WEL buiten.

Week 129: Gave

Ik heb al maanden niet de rust in mijn kop om te kunnen lezen. Hoewel mijn leven wel door een boek wordt beheerst: het mijne. Ik ben nergens anders meer mee bezig, talloze scènes tollen door mijn hoofd. Maar ben ik zeker van mijn zaak? Absoluut niet. Daarom stond ik strak van de zenuwen toen de uitgever langskwam om de eerste hoofdstukken te bespreken. Bindi voelde de spanning in mijn lijf toen ze binnenkwam en sloeg alarm. Willemijn (de uitgever) schrok zichtbaar. Snel kwam ik tussenbeide. ‘Bin, kappen met het blaffen naar mijn baas!’ Ze stopte, maar ging dicht tegen me aan staan, om me te kunnen beschermen. ‘Doet ze altijd zo?’, vroeg Willemijn nieuwsgierig. ‘Nee, alleen als ik nerveus ben.’ Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Nerveus? Waarvoor? Was je bang dat ik je hoofdstukken slecht zou vinden?’ ik knikte. Ze glimlachte. ‘Ik vind dat je heerlijk schrijft! Mijn advies: niets veranderen. Ga zo door.’ Ik was perplex. Willemijn lachte. ‘Robin, jij hebt de gave om dingen serieus doch humoristisch op te schrijven.’ Ik voelde dat ik een kleur kreeg. Willemijn had mijn schrijverij een gave genoemd… Ze dacht echt dat het wat ging worden met mijn boek. Zij werkte al jaren in de uitgeverswereld, als iemand het zou weten, was zij het. En eindelijk begon ik er ook in te geloven. Uren later bevond ik me nog in een vreemde shocktoestand, totdat Bindi mijn hand likte. Glimlachend aaide ik haar kop. ‘2011 wordt mijn jaar Bin, ik weet het zeker.’

Week 128: Duister

Eindelijk draait Harry Potter en the Deathly Hallows in de bioscoop. Zodra de film was begonnen, realiseerde ik me hoe weinig ik me van het boek kon herinneren. Wat best logisch is, want het kwam uit in de tijd dat ik geopereerd werd aan mijn rug . Ik weet nog dat mijn vader er uit voor las, één dag na mijn operatie. Veel kreeg ik er niet van mee, maar ik vond het fijn om zijn stem te horen. Niet lang daarna kreeg ik een ontsteking waarvan de pijn zo erg was, dat ik dacht dat ik gek werd. Er is zelfs een tijd geweest dat ik vreesde voor mijn leven. Nog leuker: de operatie is mislukt, ik heb nog steeds dagelijks last van mijn rug. Soms nog erger dan daarvoor. Hoe vaak heb ik wel niet gewenst dat ik de tijd kon terugdraaien? Ik ben de tel kwijtgeraakt. Ik slikte terwijl ik naar het bioscoopscherm keek. Dit stukje herinnerde ik me nog wel: de dood van Dobby de huiself. Een hand streek voorzichtig de tranen weg die over mijn wangen rolden. Sintjin. Ik glimlachte naar hem. Ja, de operatieperiode was kut, maar in die tijd heb ik wel weer de liefde gevonden. Vlak voordat ik voor de tweede keer onder het mes ging, heb ik Sintjin voor het eerst mijn vriendje genoemd. Zoals Perkamentus ooit zei: wanneer de tijden het donkerst zijn, is het enige wat je moet doen, het licht aan doen. Dat heeft Sintjin voor me gedaan.
 

Week 127: Penvriend

Soms wordt het verleden het heden, die zin kwam in me op toen ik op de populaire website Hyves, een oude vriend zocht. Ik weet niet eens waarom ik het deed, waarschijnlijk omdat ik een boek schrijf over mijn verleden. De jongen die ik zocht, heette Daan. Ik leerde hem kennen tijdens de Nationale Voorleeswedstrijd, jaren geleden. We zeiden niets tegen elkaar, maar toen we allebei afvielen, schreef hij me een brief. Zomaar, ik weet nog steeds niet waarom. Na die ene brief volgden er nog velen. We deden het op de ouderwetse manier, gewoon via de post. Ik vond het geweldig om een penvriend te hebben, vooral het moment dat ik mijn brief op de post deed, staat me bij. Wanneer zou het antwoorden en wat zou hij dan schrijven? Ja, ik vond het geweldig, maar uiteindelijk was ik degene die het contact verbrak. We gingen beiden naar de brugklas, hij schreef dat hij tweetalig onderwijs ging volgen. Ik weet nog dat ik het las, en dacht: nu is het afgelopen, ik doe het vmbo en hij het tweetalig onderwijs, ik kan net zo goed nu het contact verbreken, voordat hij me dom gaat vinden. Later besefte ik dat dat onzin was, maar durfde hem niet meer te schrijven. Nu, zeven jaar later, kom ik hem tegen op Hyves. Ik weet niet of hij zal antwoorden, ik weet niet eens of hij de goede Daan is, maar toch heb ik hem een brief gestuurd. Een digitale brief dit keer.

Week 126: Pipi

Een hond hebben heeft zo zijn nadelen, de grootste vind ik toch wel het ’s avonds uitlaten. Ik weet niet wat het is, maar dan vindt Bindi alles tien keer lekkerder ruiken dan overdag. Zodra ik madam aanspoor om iets te gaan doen, te poepen bijvoorbeeld, kijkt ze me aan met een blik van: momentje, ik kom zo bij je. En steekt haar neus dan weer in het natte gras. Heel irritant, vooral als het koud is. Op de trainingsschool heb ik een commando geleerd: pipi. Wanneer ik dat tegen Bindi zeg, is het de bedoeling dat zij gaat poepen of plassen. Eigenlijk vind ik dat een heel stom commando, er kan tegen mij wel gezegd worden dat ik moet gaan poepen, maar als ik niet moet, dan moet ik niet. Dat is bij Bindi natuurlijk ook zo. Het probleem is alleen dat het bij honden niet duidelijk is of ze echt niet moeten of dat ze er gewoon geen zin in hebben en het een paar meter verder wel willen. Dus maak ik mijn rondje af terwijl mijn benen langzaam bevriezen. Ik heb ook een digitaal huisdier, dat is veel simpeler, ik moet hem net zolang eten geven totdat de tekst ‘Ik heb honger’ verdwijnt. Eigenlijk zou dat voor Bindi ook wel handig zijn, een hypermoderne halsband die de woorden ‘Ik moet poepen’ weergeeft als ze moet. Dat zou me een hoop moeite besparen en hoef ik niet rillend in bed te liggen, wachtend tot mijn benen ontdooien.
 

Week 125: Chaos

Je hebt van die dagen dat alles misgaat en je het liefst weer je bed in wilt duiken. Laat dat nou de dag zijn waarop ik naar het concert van Michael Bublé ging. Een paar uur voor vertrek besloot Bindi dat het tijd werd om eens lekker in een koeienvlaai te rollen, waarna mijn vader haar weer schoon moest maken. Terwijl hij dat deed viel de voordeur dicht. Met de poot van de kat eronder. Pap bevrijdde hem, maar in plaats van te dankbaarheid te krijgen, werd hij gebeten. De stoom kwam nog steeds uit zijn oren toen we naar het Gelderdome vertrokken. En natuurlijk kwamen we in een kilometerslange file terecht. Daar was pa niet blij mee, ik kreeg allemaal opmerkingen naar mijn hoofd zoals: wat een vader al niet doet voor zijn kind! Als je nog eens wat weet… Nooit meer, ik doe dit nooit meer! Ik hield wijselijk mijn mond. Ik had zo´n vermoeden dat als ik IETS zou zeggen, hij de bus zou omkeren en terug zou rijden. Ongeacht waar we ons bevonden. Uiteindelijk waren we er dan toch aangekomen: het Gelderdome. De lichten gingen uit en de band begon te spelen. Er liep een rilling over mijn rug. Die eerste noten, zwaar en dreigend, herkende ik uit duizenden. Het volgende moment barstte mijn favoriete nummer ‘Cry me a river’, in alle hevigheid los en sleurde mij met zich mee. Ik had de avond van mijn leven. Mijn vader moest zelfs huilen bij het laatste nummer.

Week 124: Frankrijk

Het is al een hele tijd geleden dat ik leuke op vakantie ben geweest. Vorig jaar stond Ierland op het programma, maar mijn gevoelige rug gooide roet in het eten. Het jaar daarvoor heb ik een traumatische bootvakantie meegemaakt mede door een overactieve verzorgster. En het jaar daar weer voor was ik te zenuwachtig was voor mijn rugoperatie om van mijn vakantie te kunnen genieten. Geen successen dus. Maar daar gaat dit jaar verandering in komen, want ik ga naar de Cote D’azur. Meestal zie ik er erg tegenop om op vakantie te gaan, ik ben eraan gewend dat er dingen misgaan, maar daar heb ik nu geen last van. Mijn vader heeft een plekje voor ons weten te reserveren op een super de luxe camping. Alles is gereld, zelfs mijn verzorging wordt grotendeels overgenomen, zodat pa ook van zijn vakantie kan genieten. Het enige waar ik tegenop zie, is de rit erheen. Twee dagen rijden is niet niks. Bovendien heb ik geen goede ervaringen met lange autoritten. Ooit een aangepast toilet met tillift onderweg tegengekomen? Ik in ieder geval niet. Meestal moet ik het de hele reis met één luier doen en dat is geen pretje. Het duurt nooit lang voordat dat ding overloopt en ik met een natte broek zit. Gelukkig heeft pap een tussenstop geregeld. Eenmaal daar ga ik volop van mijn vrijheid genieten. Er schijnen daar veel casino’s te zijn en ik heb de laatste tijd veel geluk.. Misschien kom ik wel terug als een miljonair.

Week 123: Seconde

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Ik was op weg naar huis toen mijn mobieltje trilde, Sintjin. Nu beantwoorden of later? Bindi lag nog lekker te rollen in het gras, zij vond het duidelijk niet erg om nog even te blijven. Ik beantwoordde het berichtje vluchtig. Tijd om naar huis te gaan. Wat er toen precies misging, kan ik me niet meer herinneren. Het enige wat ik weet, is dat ik Bindi aanlijnde toen ik plotseling de macht over mijn stoel verloor. Ik stoof vooruit. Recht op een diepe, droogstaande sloot af. En ik sleurde Bindi met me mee. Opeens was mijn van angst benevelde hoofd weer helder. Ik rukte haar los. ‘Bindi, ERAF!’ Vervolgens trok ik mijn besturingspookje ruw naar achteren. Het hielp, ik stond stil. Versuft keek ik naar de afgrond vlak voor me, als ik daar in was gevallen, had dat makkelijk mijn einde kunnen betekenen. Klaar. Over uit. Mijn gedachten gingen terug naar het berichtje dat ik Sintjin had gestuurd: ik hou ook van jou. Dat hadden mijn laatste woorden kunnen zijn. ik huilde geluidloos. Ik voelde Bindi’s warme tong over mijn hand strijken. Het bewijs dat ik nog leefde. ik glimlachte. ‘Kom lekkerding, we gaan naar huis.’ De dood. Wat zou je doen als je wist dat dit je laatste dag op aarde was? Wat zou je zeggen? Het punt is dat je bijna nooit weet wanneer die dag is aangebroken. Het kan een kwestie zijn van enkele seconden. Geniet daarom van ieder dag.

Week 122: Delen

Bindi heeft een jaloers trekje, Mijn ouders zijn oké, maar mijn vriendje? No way! Met de eerste kus was nog niets mis, maar zodra Sintjin zijn handen op mijn heupen legde, vond Bindi het welletjes. Ze duwde Sintjin zo hard opzij dat hij bijna omviel, alsof ze wilde zeggen: blijf van mijn baasje af! Alleen ik heb het recht om haar af te lebberen, onthoud dat. De middagwandeling was niet zo grappig, Bindi bleef maar trekken, mij verwijtend aankijkend. ‘Het komt door mij’, zei Sintjin hijgend, ‘ik loop te langzaam.’ Een harde opmerking, maar wel de waarheid, door zijn handicap loopt hij moeilijk. ‘Ik had thuis moeten blijven, ik houd jullie op.’ Ik stopte. ‘Luister, als jij mee wilt gaan wandelen, ga je mee. Zij moet zich aan jou aanpassen, niet andersom.’ Eenmaal thuis werden Sintjin’s ogen dik en begon als een gek te niezen. Een allergische reactie, maar waarop? De katten of op Bindi? Ik begon me met de minuut schuldiger te voelen, eerst dat getrek door het bos en nu dit? Die avond, toen ik in Sintjin’s armen lag, was Bindi nog niet klaar met hem. Ze duwde met haar sterke poten tegen hem aan, vastbesloten om hem van het bed te duwen. Ik kreunde. ‘Bindi, kappen! Het spijt me, anders doet ze nooit zo vervelend.’ Maar Sintjin lachte. ‘Ze is gewoon jaloers, ik neem het haar niet kwalijk, ik vind het ook moeilijk om jou te delen.’ Hij gaf me een nachtzoen. ‘Maar we leren het wel.’

Week 121: Vrij

Honden hebben het recht om af en toe even lekker uit te razen. Bindi is daar natuurlijk geen uitzondering op. Toch vond ik het eng om haar los te laten, dus gingen mijn ouders mee. Maar toen besloot ik om het alleen te doen. Mijn handen trilden terwijl ik de lijn vastgreep. Was dit wel een goed idee? Wat als ze in het meer sprong? Ik kon haar niet tegenhouden, ik zou vast komen te zitten in het gras. Een rilling liep over mijn rug. En wat als er een auto of motor aankwam en ik haar niet terug wist te roepen? Dan werd ze aangereden… Voorzichtig liet ik de lijn van haar kop glijden. Ze bleef roerloos staan, wachtend op mijn commando. Ik woelde door haar dikke, zwarte vacht. Ik wilde haar waarschuwen, ik wilde dat ze bleef, veilig bij mij. Maar ik hield haar niet tegen. ‘Wees voorzichtig meiske. Release.’ En weg was ze. Het was prachtig om haar op topsnelheid te zien rennen. Maar ook eng, wat als ze niet meer bij me terugkwam? Ik zag haar bijna niet meer. ‘Bindi!’ Het zwarte stipje in de verte werd groter en het volgende moment kwam Bindi slippend voor me tot stilstand. Een gewicht werd van mijn schouders gelicht, ik schoot in de lach. Mijn ouders zijn altijd betrokken geweest bij haar opvoeding, maar nu ik Bindi zo zag rennen, steeds controlerend of ik er nog was, wist ik het zeker: Dit was mijn hond en van niemand anders.
 

Week 120: Vast

De banden van mijn rolstoel moesten nodig worden vervangen, dus belde ik de technische dienst. ‘Geen probleem mevrouw, dat regelen we. Oh ja, u bent uw rolstoel wel een dag kwijt. Maakt u zich geen zorgen, wij zorgen voor een vervanger. Moet die nog ergens aan voldoen? Besturing aan de linkerkant zei u? Komt in orde.’ De man die mijn stoel kwam ophalen, kwam een uur te laat. Erg vond ik het niet. Er is soms niets lekkerder dan met een legale reden lang in bed te mogen blijven liggen. Een boek lezend of naar de tv starend. Dat veranderde echter toen mijn vervangende rolstoel binnen werd gereden. Ik kon hem niet zien, maar hoorde mijn moeder wel hard zuchten. Geen goed teken. Deze rolstoel was mijn grootste nachtmerrie: geen werkblad, geen elektrisch verstelbare rugleuning. En de besturing zat aan de rechterkant. Bovendien was de zitting veel te smal, ik paste er niet eens in. Resultaat: ik moest in bed blijven liggen. De hele dag. Ik zat vast, kon niks doen, alles moest voor me worden gedaan. Ja, het kan heerlijk zijn om de hele dag in bed te blijven liggen. Als je tenminste zelf de keus hebt. Gelukkig werd ik rond vieren bevrijd. Maar toen realiseerde ik me iets waar ik de rillingen van kreeg: in veel arme landen moeten mensen met mijn soort beperking ook de hele dag blijven liggen. Veel van hen hun hele leven lang. God, wat ben ik blij dat ik in Nederland woon.

Week 119: Bindi

De leerlingen op de hulphond-trainingsschool waren allemaal bekend met honden, hadden ze geen hulphond gehad, dan wel een normale hond. Echte kenners dus. Behalve ik, ik was het groentje van het gezelschap. Voor mijn gevoel ging alles bij iedereen perfect. Behalve bij mij. De theorie was moeilijk en na de eerste praktijkles, waarbij ik bijna tegen een rijdende auto op was geknald, gaf ik het op. ‘Het spijt me Bin, ik ben bang dat je op zoek moet naar een ander baasje, ik kan dit niet.’ Door een plotselinge golf van emoties werd ik spastisch en zwiepte ik mijn mobieltje van mijn blad. Lekker, nu moest ik en op Bindi letten, en ervoor zorgen dat ik niet op mijn mobieltje ging staan. Waar was Bindi eigenlijk? Ik hoorde dat ze ergens op zat te bijten Mijn mobieltje! ‘Bindi, laat …’ Maar nog voordat ik was uitgesproken, dook ze voor me op. Met mijn mobiel in haar bek. Sprakeloos stak ik mijn hand uit. Behoedzaam gaf ze hem aan me. Doe ik het goed? Dit was toch de bedoeling?, leek ze me te vragen. ‘Goed zo slimme meid!’ Dolbij met mijn compliment sprong ze naar beneden, om weer naast me op te duiken en wild mijn gezicht te likken. Nu ik dit schrijf, dik een week later, houd ik met een half oog Bindi in de gaten die geïnteresseerd naar de dorre blaadjes zit te kijken. Het was hard werken, maar ze is bij mij thuis en daar blijft ze ook.

Week 118: Training
 
Nog maar net terug uit Frankrijk en ik duik alweer met mijn neus in de boeken. Een studieboek om precies te zijn: een studiemap van Stichting Hulphond. De grote hoeveelheid aan informatie jaagt me angst aan. Al die feitjes, moest ik die allemaal uit mijn hoofd kennen? Meestal til ik niet zo zwaar aan studieboeken, wat ik onthoud, onthoud ik en anders maar niet. Maar dit is geen normaal studiemateriaal, dit ging over een hele bijzondere hond. Een hond die, direct na de trainingsweek, met mij mee naar huis zal gaan en mijn verantwoordelijkheid zal zijn. Slik. Kan ik dat? Iedereen zegt van wel, maar dat helpt mij niet van mijn onzekerheid af. Het wordt er gek genoeg alleen maar erger door. Al dat optimisme, al dat vertrouwen, ik weet niet of ik dat wel verdien. Ik wou dat ik in de toekomst kon kijken, om te zien wat er gaat gebeuren. Maar ik ben bang dat ik gewoon naar die trainingsweek zal moeten gaan en kijken wat er gebeurd. Lang hoef ik in ieder geval niet meer te wachten. Wanneer deze column in de krant verschijnt, zal de halve trainingsweek er al op zitten. Misschien is dan zelfs de kogel al door de kerk en weet ik zeker of Bindi mee terug naar Schoorl gaat of niet, want dat is ook nog niet zeker. Niets is zeker, behalve dat ik mijn stinkende best ga doen om met haar een team te vormen. Lieve lezers, zullen jullie voor me duimen?

Week 117: Belofte

Schrijfster Robin, het blijft heerlijk om te zeggen. Geld verdienen met hetgeen je het allerliefste doet, wie wil dat nou niet? Het leukste vind ik dat als ik aan mijn boek bezig ben, ik kan zeggen dat ik aan het werk ben. Ik voel me nuttig, ik doe iets en krijg daar ook voor betaald. Zodra ik de redactie had verteld dat ik een contract krijg bij een uitgever, was hun reactie: Geweldig! Maar je blijft toch hopelijk wel columns schrijven? Niet veel later kwamen er mensen naar me toe met diezelfde vraag. Gek genoeg zie ik columns schrijven niet als werk. In het begin wel, toen, wilde ik er dolgraag voor betaald worden, puur om te kunnen bewijzen (vooral aan sommige leraren van vroeger) dat ik geld kon verdienen. Maar geld is niet alles, dat weet ik nu ook. Ik hoef er geen cent meer voor te hebben, ik vind het leuk om te doen en plezier er mensen mee, dat is voor mij meer dan genoeg. Ik laat mijn lezers van het eerste uur niet vallen alleen omdat mijn droom in vervulling is gegaan. Voor het schrijven van een boek wil ik wel geld hebben. Vraag me niet waarom, ik weet ook niet precies wat het verschil is. Maar lieve mensen, wees niet ongerust, ik blijf aan als columnist en ondertussen schrijf ik verder aan mijn boek. Schep ik personages, geef ze een gezicht, een stem. En hopelijk kunnen jullie, ergens volgend jaar, genieten van mijn debuutroman.


Week 116: Frankrijk

Het is al een hele tijd geleden dat ik leuke op vakantie ben geweest. Vorig jaar stond Ierland op het programma, maar mijn gevoelige rug gooide roet in het eten. Het jaar daarvoor heb ik een traumatische bootvakantie meegemaakt mede door een overactieve verzorgster. En het jaar daar weer voor was ik te zenuwachtig was voor mijn rugoperatie om van mijn vakantie te kunnen genieten. Geen successen dus. Maar daar gaat dit jaar verandering in komen, want ik ga naar de Cote D’azur. Meestal zie ik er erg tegenop om op vakantie te gaan, ik ben eraan gewend dat er dingen misgaan, maar daar heb ik nu geen last van. Mijn vader heeft een plekje voor ons weten te reserveren op een super de luxe camping. Alles is gereld, zelfs mijn verzorging wordt grotendeels overgenomen, zodat pa ook van zijn vakantie kan genieten. Het enige waar ik tegenop zie, is de rit erheen. Twee dagen rijden is niet niks. Bovendien heb ik geen goede ervaringen met lange autoritten. Ooit een aangepast toilet met tillift onderweg tegengekomen? Ik in ieder geval niet. Meestal moet ik het de hele reis met één luier doen en dat is geen pretje. Het duurt nooit lang voordat dat ding overloopt en ik met een natte broek zit. Gelukkig heeft pap een tussenstop geregeld. Eenmaal daar ga ik volop van mijn vrijheid genieten. Er schijnen daar veel casino’s te zijn en ik heb de laatste tijd veel geluk.. Misschien kom ik wel terug als een miljonair.


Week 115: Klik
Ik werd om halfzeven wakker en kon niet meer in slaap komen. Vandaag was de dag dat ik mijn mogelijke nieuwe maatje ging ontmoeten. Iedereen zei dat ik goed moest voelen of er een klik was, maar wat was dat, een klik? Voelde dat hetzelfde als bij mensen? Bij de eerste kandidaat, een grote labradoodle, was er in ieder geval geen klik. Hij wilde niets van mij weten en ik voelde ook niet de aandrang om contact met hem te zoeken. ‘Dit wordt hem niet hè?’, zei mijn begeleider. ‘Niet erg, als de volgende ook niet wordt, zoeken we gewoon verder. Eerlijk blijven Robin.’ Het duurde niet lang voordat de volgende kandidaat binnenstormde, de begeleider volgde grinnikend. ‘Sorry hoor, ze heeft de hele dag in de kennel gezeten, dus ze is een beetje hyper. Deze eigenzinnige tante heet Bindi.’ Eigenzinnig was ze zeker, toen het praten Bindi iets te lang duurde ging ze met de lichtschakelaar spelen en kijken of er nog was in de droger zat. Plotseling ging ze mijn stoel besnuffelen en kwam naast me staan, met haar voorpoten op mijn blad. Daar moest ik wel om lachen, deze dame had pit. Ik streelde haar kop. ‘Dag Bindi, dag mooie meid.’ ik kon hem voelen, de klik. Een uur later was de zaak rond: Bindi wordt mijn hulphond. Ik heb gelijk gekregen. Nou ja, deels, Bindi’s oren zijn kastanjebruin, haar buik is wit en haar poten grijs. Maar voor de rest is ze zo zwart als de nacht.

Week 114: Replay

Ik weet niet wat er gaande is daarboven, maar iets of iemand vindt me blijkbaar heel erg lief. Een dealtje met een uitgever? Prachtig, maar miss Corbee verdient nog meer geluk na al dat gedoe op het REA, dat moeten de hogere machten gedacht hebben. En wie ben ik om aan hun oordeel te twijfelen? Op een doodnormale zondagavond ontving ik een mailtje van ene Monique. Monique van de redactie? Bezorgd keek ik naar de klok. Was mijn column misschien niet goed aangekomen? Het onderwerp van het mailtje was echter: matchen met een hondje. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Wat was hier de bedoeling van? Na het mailtje een aantal keer te hebben doorgelezen, was ik van één ding zeker: de redactie van de Duinstreek had hier niets mee te maken. Stichting Hulphond wel. Het duurde even, maar zodra ik mijn stem weer had gevonden, zette ik het op een gillen. Zo hard, dat mijn moeder ervan overtuigd was dat ik uit mijn stoel was gevallen. Volledig in paniek stormde ze mijn kamer binnen. ‘Wat? Wat is er?’ ‘Ze hebben er misschien eentje gevonden’, zei ik, met grote ogen naar het computerscherm starend. ‘Een hulphond. Voor mij. Ik moet komende woensdag naar de stichting om kennis met hem te maken .’ Komende woensdag gaat het dus gebeuren, dan ga ik mijn mogelijke nieuwe maatje ontmoeten. Ik denk al jaren dat het een zwarte labrador gaat worden. Ik weet niet waarom, dat vermoeden heb ik. Woensdag weet ik misschien of dat klopt.

Week 113: Wii

De Wii, een spelcomputer waardoor ik eindelijk lekker kan sporten. Vroeger had ik een bloedhekel aan computerspelletjes, mijn reactievermogen was te traag of je had er twee handen voor nodig. Bij de Wii gebruik je maar één afstandsbediening. Mijn moeder schafte er eentje aan Er was nog een derde reden waardoor ik computerspelletjes vermeed, bedacht ik me toen ik de afstandsbediening voor het eerst ter hand nam. Welke was dat ook alweer? Na een ronde gespeeld te hebben, en ik bijna op de grond lag, wist ik het weer: hoe slecht ik ook ben in sport, zodra ik begin, word ik zo fanatiek, dat ik mezelf bijna uit mijn stoel trap. Vorige week schreef over een vriendin die me even duidelijk maakte hoe gehandicapt ik was. Mijn vader probeerde me te sussen. ‘Ze is niet de helderste ster aan de hemel, onthoud dat.’ Ondertussen was ik op de Wii aan het tennissen. ‘Dat geeft haar nog niet het recht om mij de grond in te trappen.’ Ik zwaaide de afstandsbediening met zo’n kracht naar voren dat er zelf versteld van stond. Krijg nou wat, ik had een smash geslagen, dat was me nog nooit gelukt De Wii werkte dus ook goed als je last had van opgekropte woede. Papa is nog even op me in blijven praten terwijl ik om me heen bleef meppen. Na vijf minuten hijgde ik als een paard en liep het zweet in straaltjes langs mijn rug. Maar ik had wel een nieuwe highscore. Bedankt pa.

Week 112: Pijn

b twee grote zwakheden: de kwetsbaarheid van mijn zus en mijn wens om te kunnen lopen. Dat laatste spreek ik bijna nooit uit. ik kan niet lopen en dat zal ook nooit veranderen, het heeft geen nut om daarover te treuren. Toch zijn de wonderen de wereld nog niet uit. Een oude vriendin vertrok een aantal jaar geleden naar het ziekenhuis om wat experimenten te ondergaan. Toen ze terugkwam, kon ze lopen, het was een wonder. Ik ging bij haar langs en dat was geen leuke ervaring. Ze maakte me duidelijk hoe gehandicapt ik was, hoe weinig ik kon. En hoe fijn het was om te kunnen lopen. Haar woorden deden pijn, staken diep in mijn hart. Ik heb mijn ouders hierover verteld, maar niet veel, het is voor hun ook een heel gevoelig onderwerp. De volgende dag was ik alleen thuis, samen met onze kat, Flow. Ik krabde hem achter zijn oor. ‘Baasje is een beetje verdrietig.’ Hij kwam spinnend in mijn armen liggen. Ik dacht terug aan de vorige dag. ‘Ik wil het niet, maar ben jaloers’, zei ik zacht. ‘Voordat Linda naar het ziekenhuis ging, was ze even gehandicapt als ik. En nu kan ze lopen. Het is niet eerlijk, dat wil ik ook!’ Flow miauwde zacht en gaf kopjes tegen mijn nu vochtige wangen. Dat hielp. Even verborg ik mijn gezicht in zijn vacht ‘Je bent lief Bedankt voor het troosten.’ Ik droogde mijn tranen, pakte mijn laptop en schreef een column over mijn verdriet
 

Column 111: Mailtje

Ik zat op school toen ik een mailtje ontving. Meestal ontvang ik alleen mailtjes van de redactie, maar nu herkende ik de afzender niet. Mijn reflex is dan: weggooien! Het onderwerp van deze e-mail was: Naar aanleiding van je columns. Toch maar even kijken. Het mailtje bleek van een uitgeverij afkomstig te zijn. Ze waren getipt door Rob Scholte en hadden al mijn columns gelezen. Of ik geïnteresseerd was in het schrijven van een boek. Deze e-mail, in combinatie met de hitte in het lokaal, zorgde ervoor dat alles om me heen begon te draaien. Ik sloot mijn ogen, wanneer ik ze weer opendeed, zou vast blijken dat dit allemaal een droom was geweest. Ik opende één oog. De tekst was nog steeds duidelijk op het scherm te lezen. Hoe kon dit? De meeste schrijvers moeten eerst bij talloze uitgevers aankloppen voordat het raak was, maar nu klopte er een uitgever bij MIJ op de deur! Een boek publiceren, dat is mijn allergrootste droom. Het enige wat ik nog moest doen om die droom te verwezenlijken, was ‘ja’ antwoorden. ‘Laat dit alsjeblieft geen grap zijn’, fluisterde ik terwijl ik met trillende vingers mijn antwoord typte en op ‘Verzenden’ klikte. Het was geen grap, het enige wat nog ontbreekt, is mijn krabbel onderaan een contract. Het REA kon geen werk voor me vinden, maar nu denk ik toch dat ik een aardige baan gevonden heb. Nu komen de woorden die ik al sinds mijn zesde uit wil gillen: ik word schrijfster


Column 110: Wc

Een plek waar je volledig tot rust komt, waar je kunt nadenken, iedereen kent wel zo’n plek. Voor mij is die plek de wc. Ik weet het, het klinkt vreemd, maar aangezien ik de hele dag in mijn rolstoel zit, is het een verademing om ook eens op de wc-stoel te zitten. Eenmaal op de wc kom ik volledig tot rust, daar is niet eens een boek of tijdschrift voor nodig, de radio is voldoende. Wanneer de kleine ruimte zich met muziek, kan ik mijn gedachten ongestoord de vrije loop laten gaan. Bij ieder nummer dat voorbijkomt, krijg ik wel een idee voor een column of een boek. Meestal onthoud ik ze niet. Het zijn net prachtige, kleurrijke vlinders, je ziet ze, maar ze, maar ze vliegen weg, nog voordat je ze goed hebt kunnen bekijken. Niet dat het me veel uitmaakt, als het goede ideeën zijn, komen ze heus wel weer bovendrijven. Het gaat me er om dat ik even weg ben, weg van de wereld. Soms vind ik het ook lekker om de eeuwige gedachtestroom uit te schakelen, het enige wat ik dan hoef te doen, is me volledig op de tekst van een liedje concentreren. Ik, alleen met de muziek. Heerlijk! Dit kan ik behoorlijk lang volhouden, vaak verlies ik ieder besef van tijd. Pas wanneer mijn billen koud beginnen te worden, zweef ik langzaam terug naar de aarde. Met de woorden “Ik ben klaar!” verbreek ik de betovering en keer ik weer terug naar de werkelijkheid.

 

Week 109: Afscheid

 Afscheid nemen, ik ben er zo verschrikkelijk slecht in, maar ik zal er toch aan moeten geloven. Het REA zal ik niet missen, echt leuk heb ik het daar niet gehad. Maar mijn busgenoten.. Wanneer deze column in de krant staat, heb ik nog minder dan 24 uur om hen gedag te zeggen. En dat wil ik niet. Van alle mensen die ik ga missen, staan zij bovenaan. Alex, Dennis Thyra. En Bart natuurlijk, onze chauffeur, die ook weggaat. Thyra is pas dit jaar bij ons in de bus gekomen, maar ze heeft ook een scherpe tong, dus ze hoorde er in no time bij. De heren ken ik langer, Bart heeft ons jaren gereden en hoewel de busformatie steeds veranderde, bleven wij bij elkaar. De bus is altijd een soort toevluchtsoord voor me geweest, als ik boos was, schreeuwde ik, als ik verdrietig was, huilde ik. Alles konden we tegen elkaar zeggen, er was maar één ongeschreven regel: alles wat in de bus wordt gezegd, blijft in de bus. Ik vertrouwde hen al mijn ideeën voor mijn columns en boeken toe, terwijl zij geduldig luisterden. Ze lijmden mijn gebroken hart en hoorden mijn verliefde gewauwel aan toen Sintjin in beeld kwam. Alex, Dennis Thyra en Bart, ik dank jullie voor alle gezellige ritten. Ik heb nog nooit zoveel gelachen als bij jullie in de bus. Wanneer mijn eerste boek uitkomt, draag ik het aan jullie op. Ik hou van jullie. En ja Den, ‘houden van’ moet je vriendschappelijk opvatten.

Week 108: Taxi


Taxicentrales houden van vastigheid, zodra er één ding verandert, zijn ze direct helemaal de kluts kwijt. Vrijdag was mijn stagedag, maar ik had een afspraak, dus kon ik niet heen. Dacht ik, want op het laatste moment kon ik de boel nog verzetten. Nu moest ik de taxicentrale weer bellen om de boel te wijzigen, had ik even mazzel! De aardige meneer aan de telefoon zei dat ik me niet druk hoefde te maken, ik stond gewoon in het systeem. Morgen zou ik gewoon worden opgehaald. Wist hij dat zeker? Ja, dat wist hij zeker. De volgende ochtend stond ik braaf op onze oprit te wachten. 9.15 uur: Geen taxi. Vervelend, ik moest al om half tien bij de Duinstreek zijn. 9.30 uur: Centrale bellen. Ik kreeg een vrouw aan de lijn. Het speet haar, miscommunicatie, ze ging nu een taxi sturen. Hoelang dat ging duren? Dat wist ze niet. Pff.. Dan maar aan mijn stageverslag werken, ik moest toch iets doen terwijl ik wachtte. 10.15 uur: Mijn taxi! Wat kregen we nou? Waarom reed hij door? Al die taxi’s lijken op elkaar, maar ik wist zeker dat dit MIJN taxi was, die zonder mij wegreed. Wat nu? ik klapte mijn laptop dicht en zette gillend de achtervolging in. Ik reed bijna een man aan die me geschokt aankeek. ‘Sorry meneer, mijn taxi gaat er vandoor. Stop die bus!’ Uiteindelijk kreeg ik de taxi te pakken. De centrale had dé chauffeur het verkeerde huisnummer doorgegeven: 13 in plaats van 19.
 


Week 107: Angst

Mijn vriend heeft mijn zus ontmoet en is blijven slapen, het klinkt niet bijzonder, maar voor mij is dat het wel. Ik heb er altijd tegenop gezien om Luca aan hem voor te stellen, bang dat hij haar eng of vies zou vinden. Maar dat was niet zo, zelfs toen ze plotseling begon te huilen, bleef hij rustig. ‘Ik vond het leuk om je zus te zien’, zei hij later. ‘Hoe kwam je erbij dat ik haar eng zou vinden? Het enige enge is dat jullie zo op elkaar lijken. Volgens mij is ze even lief als jij.’ Ik kon niets zeggen, zo blij was ik. Het blijven slapen vond ik ook eng, zodra ik lig voelde ik me erg kwetsbaar en was ik heel bang de controle te verliezen, zowel over mijn lichaam als over de situatie. Eenmaal in bed sloeg Sintjin voorzichtig een arm om me heen. ‘Hoe voel je je?’De bezorgdheid in zijn ogen, zorgde ervoor dat ik rustig werd. Hij kende mijn angst en hield er rekening mee, waarom zou ik bang zijn? ‘Goed.’ Hij gaf me een zoen. ‘Zie je, je maakt je ook veel te druk.’ Die nacht werd ik wakker en genoot van het moment. Was ik hier nou zo bang voor geweest? ik kon het me nauwelijks voostellen, dit was geweldig. Ik keek naar hem, voelde zijn adem langs mijn gezicht strijken en zijn arm rond mijn middel. ‘Ik hou van je’, fluisterde ik zacht. Hij hoorde me niet, hij sliep.

 

Week 106: Sam

Mijn les van de week is: zeg nooit nooit. Ik had niet verwacht dat er, voordat ik het huis uit was, nog een kat over het erf zou lopen. Dat is nu dus wel het geval. Sterker nog, we hebben er niet één, maar drie: Sam, Mo en Z. Men zegt dat katten aaien rustgevend werkt. En dat is ook zo. Terwijl ik Sam over zijn kleine lijfje streelde, dacht ik aan de laatste paar weken, waarin ik mijn uiterste best deed om mijn computerrijbewijs te halen. Het ging goed, maar mijn lijf vond het minder leuk. ‘Ik voel me niet zo lekker Sam’, vertrouwde ik hem toe. ‘Mijn hele lijf doet zeer door al dat gehol en wist je dat ik bij Nettie Evers bijna de deurpost heb gemold omdat ik plotseling duizelig werd? Dat kan niet goed zijn. Ik ben gewoon moe. Op.’ Sam keek me aan, legde zijn pootje even op mijn kin en ging luid spinnend op mijn borst liggen. ‘Je hebt gelijk’, beaamde ik, ‘ik ga inderdaad snel door de stof heen, ik ga volgende week examen doen en misschien slaag ik wel.’ Ik gaf hem een zoen op zijn koppie. ‘Maar niet tegen mam zeggen hè? Misschien praat ik voor mijn beurt.’ Aan het einde van de week deed ik, zonder het mijn ouders verteld te hebben, in mijn uppie examen. En toen ik klaar was, stonden er op het computerscherm, in hoofdletters, de volgende woorden: U BENT GESLAAGD.

Week 104: Contact


Ik had besloten om contact op te nemen met uitgeverij Conserve. Gewoon om wat meer informatie over uitgeven te krijgen. De telefoon schakelde over op voicemail, wat nu? Ik bleef zwijgen. Shit, het was zaterdag, natuurlijk was er niemand. Nu volledig in paniek hing ik op. Zo, dat had ik goed afgehandeld. Die middag draaide ik muziek voor mijn zus. Telefoon, ik zette de muziek zachter en nam op. Tot mijn schrik had ik een medewerker van Conserve aan de lijn. Ik hakkelde doodnerveus dat ik wat vragen had. ‘Vraag maar’, zei hij vriendelijk. Ik deed mijn mond open, maar toen zette mijn zus een keel op. De zachte muziek had wat haar betrof wel lang genoeg geduurd. De man vroeg me vriendelijk of ik misschien ergens anders wilde gaan staan, dan kon hij me verstaan. Met geweld duwde ik de stoel van mijn zus weg en ging op de gang staan. Het gesprek verliep goed, totdat ik vanuit mijn kamer een harde klap hoorde. Ik herkende het: Luca had mijn lamp van mijn bed getrokken en had nu waarschijnlijk een hersenschudding. Hevig vloekend schoot ik mijn kamer weer in. Ik ontdekte dat ik de telefoon nog steeds in mijn hand had, ik had die man nog steeds aan de lijn en hij had alles gehoord. Met een rood hoofd bedankte ik hem voor zijn tijd en hing op. Dit was dus mijn allereerste contact met een uitgeverij. Erg gladjes verliep het niet. Een lichtpunt: Luca had zich niet bezeerd.


Week 103: Geen MB

Zodra ik de kaartjes voor het concert van Michael Bublé had ontvangen, hield ik ze even in mijn handen en stopte ze daarna veilig in mijn kluisje. Soms opende het kistje weer om te controleren of ze er nog in zaten en sloot het daarna weer. Maar het idee dat ik daadwerkelijk naar het concert zou gaan, bleef onwerkelijk. Zelfs één dag voor het concert, had ik nog mijn twijfels. Er kon nog altijd iets misgaan. Ik kon me nog goed herinneren dat ik naar de Pussycat Dolls zou gaan, ik was opgewonden geweest en praatte weken nergens anders over. Eenmaal bij de Heiniken Music Hall aangekomen, konden we de bus nergens kwijt. Geen concert dus. Ik schudde mijn hoofd. Nee, er zou nu niets misgaan! Kom op zeg, wat kon er nou gebeuren in minder dan 24 uur? De volgende dag bruiste ik van de positieve energie. De grote dag was eindelijk aangebroken. In een opwelling startte ik MSN op, een goede vriend sprak me aan. Had ik het al gehoord? Het concert ging niet door. Ik geloofde hem niet, dacht dat hij een grapje maakte, maar toen ik op teletekst ging kijken, stond het er in grote letters: Het concert van Michael Bublé was afgelast, de drummer was onwel geworden. Ik heb vijf minuten naar het scherm gestaard. Tranen van frustratie rolde over mijn wangen. De kaartjes voor het concert liggen nog steeds onaangeroerd in mijn kluisje. Ik weet niet of ik er nog wat aan zal hebben.


Week 102: MB

Je kent het gevoel wel: je zet een nieuwe cd op en zodra de eerste noten door de kamer zweven, weet je dat je een juweeltje in handen hebt. Ik heb een ruime muzieksmaak, maar ik heb geen favoriete artiest. Behalve dan van één man: Michael Bublé. Zodra ik deze charmante, Canadese zanger hoorde zingen, was ik verkocht. Op een dag las ik op zijn website het volgende bericht: Michael Bublé komt naar Nederland! Eenmaal thuis kreeg mijn vader al snel door wat ik als verjaardagscadeau wilde. ‘Naar het concert van Michael Bublé in het Gelderdome? Nee, dat is veel te ver!’ Ik gaf niet op. ‘Pap, ik word 20, ik vraag niet om een brommer, motor of auto, die rijd ik toch zo in de prak. Ik wil naar dat concert, misschien is dit mijn enige kans om Michael live te zien!’ Twee maanden verstreken en pa was alles over het concert vergeten. Tenminste, dat hoopte ik, ik schaamde me nog steeds voor mijn gedrag van toen. Ik had op een jengelend kind geleken die niet kreeg wat hij wilde. Maar twee dagen voor mijn verjaardag stond papa grijnzend voor mijn neus. ‘Het is me gelukt, ik heb een kaartje kunnen regelen.’Het duurde even voordat het tot me doordrong wat hij bedoelde, maar toen het kwartje eenmaal was gevallen, begon ik te gillen en als een gek op en neer te wippen in mijn stoel. Komende woensdag is het zover, dan ga ik naar het concert van Michael Bublé!


Week 101

Dit is hem, column 101. Wat een getal! Toen ik aan mijn carrière als columnist begon, was ik net 18. Ik wist niet eens wat een column was, laat staan wat ik erin moest zetten. Ik gokte, deed maar wat en een week later werd mij een vaste column aangeboden. Het is bizar hoe mijn columns mijn leven hebben veranderd, voordat ik columniste was, was ik namelijk een heel onzeker meisje. Vooral over mijn schrijftalent was ik heel onzeker. Mijn vader zei dat ik talent had, maar vaders horen dat nou eenmaal. Ook mijn dramadocent gaf me hoge cijfers voor mijn schrijfsels. Maar die gaf hij aan iedereen, dus dat telde niet echt. Maar zodra ik columns begon te  schrijven, begonnen er dingen te veranderen. Men sprak me aan in het dorp, complimenteerde me over mijn stukjes en vertelde me hoe ze er iedere week weer naar uitkeken. Oude leraren namen contact met me op, vertelde hoe trots ze op me waren. Ja, mijn columns hebben me veranderd, ik heb veel meer zelfvertrouwen gekregen en durf te zeggen wat ik denk en voel. Dus, hoe schrijf je een column? Als ik eerlijk ben weet, ik het antwoord nog steeds niet. Week na week klooi ik maar wat aan, hopend dat er iets uitkomt. Ik dank u, mijn lieve toegewijde lezers, voor het lezen van mijn avonturen. En ik dank de mensen van de redactie van de Duinstreek, voor het iedere week weer publiceren van mijn hersenspinsels van een jonge twintiger.


Week 100: Nestje

 

Vogels zijn weer bezig met het bouwen van nestjes. In bomen, vogelhuisjes of in het weiland, dat zijn de standaardplaatsen, maar sommige vogels zoeken iets originelers. Zoals ik al eerder heb vermeld, is mijn vader een kunstverzamelaar. Niet al zijn kunstschatten staan binnen, er staan ook twee beelden buiten, waaronder een beeld van de beeldend kunstenaar Ron Moret., een kleurrijk everzwijn, gemaakt van metaal. Hij staat voor het raam naast de voordeur, ik bekijk hem altijd wanneer ik in de tillift word gehangen. Op een ochtend viel mijn blik er weer op en mijn mond viel open van verbazing. Uit een van de ogen van het everzwijn (een simpele, ronde opening), kwam een koolmeesje tevoorschijn! Ik tikte mijn vader op zijn schouder en wees, maar het beestje was alweer verdwenen. In de dagen die volgde, zag ik het vogeltje steeds het beeld in en uit vliegen, maar hield mijn mond, mijn vader geloofde me toch niet. Dat gebeurde pas vorig weekend, toen hij langs het raam liep om mij uit bed te halen. Op dat moment vloog ook het koolmeesje het oog van het everzwijn weer in. Met zijn snavel vol wormen. ‘Je hebt gelijk!’, schreeuwde mijn vader mijn kamer in. ‘Pumba (zo heb ik het beeld genoemd) is een gigantisch vogelnest veranderd. Volgens mij zitten er jonkies in.’ Dus Ron, mocht je het maken van beelden zat zijn, dan kun je altijd nog vogelhuisjes gaan maken, die beestjes willen ook wel eens wat anders dan die eeuwige houten huisjes. 


Week 99: Sex
 
Ik ben deze week naar de seksuoloog geweest. Zo, dat is pas een lekkere binnenkomer. Meiden van mijn leeftijd kunnen ongehinderd rotzooien met jongens, ik niet, terwijl  ik dat wel zou willen. Want, ook al zit in een rolstoel en slaat mijn lijf soms behoorlijk op hol, ik heb ook behoeftes. Ik wil ook dingen uitproberen. De wil is er, maar mijn vriend en ik lopen constant tegen problemen aan. Problemen die niet zo makkelijk op te lossen zijn. Mijn ouders proberen me te helpen, maar het blijft absurd aanvoelen, een ouder hoort zich  niet met het seksleven van hun kind bezig te houden. Ook mijn vrienden kunnen me niet echt helpen, vaak hebben zij hetzelfde soort problemen.  Ik had nog maar een optie: ik moest mijn vragen neerleggen bij iemand die er echt verstand van had: een seksuoloog. Ik kan dit niet, dacht ik terwijl ik in de wachtkamer zat. Dit is verdomme te privé!  En ik toch ben ik blijven zitten. De seksuoloog was erg aardig. Ze stelde me gerust en we hebben  een tijd over koetjes en kalfjes gepraat voordat we aan de grotere vraagstukken begonnen. Riet (de seksuoloog), was behoorlijk direct, ze vroeg me alles over mijn seksleven en ik antwoordde met het schaamrood op mijn kaken. Maar ze wist wel waar ze het over had en we konden het goed vinden, dus heb ik een vervolgafspraak gemaakt. Ik word door mensen geprezen om de openheid en eerlijkheid in mijn columns. Opener dan dit kan niet.

Week 98: Ayesha


Vriendschap, bestaat er iets mooiers? Mijn oudste en meest dierbare vriendin is Ayesha, wij hebben elkaar op school ontmoet, ze heeft ook in Schoorl gewoond. Vaak zitten we naast elkaar en houden we elkaars hand vast, meer is er niet nodig. Helaas zien we elkaar nu minder, omdat we allebei erg met onze toekomst bezig zijn. Afscheid nemen van het vertrouwde schoolleven, werk zoeken, op zoek gaan naar een woning voor later, het lijkt nu allemaal tegelijkertijd te gebeuren. Soms word ik er bang van. Zo bang dat het lijkt alsof ik geen adem meer krijg. Deze week was het nog erger, ik was zo bang voor wat de toekomst gaat brengen, dat ik er niet van kon slapen. Dat de er deze week voor de zoveelste keer brand uitbrak in de Schoorlse duinen, maakte mijn onrust er niet minder op. De vlammen waren ver van mijn huis verwijderd, maar ik ben altijd erg bang geweest voor vuur. Die avond ontving ik een sms’je van Ayes. Ze voelde zich net zo bibberig door de vlammen als ik. Ze maakte zich zorgen om me. Was bang dat me iets zou overkomen. Ik moest het haar direct laten weten wanneer er iets gebeurde. Glimlachend sloeg ik het toestel dicht en viel in slaap. Wat ik voor werk ga doen, is onduidelijk, maar Ayesha zal achter me staan Ook weet ik niet waar ik later zal gaan wonen, het enige wat ik hoop, is dat zij bij mij in de buurt zal zijn.


Week 97 Postduif
Mijn  dierbaarste bezit is mijn mobiele telefoon. Ik weet het, het klinkt bizar, maar het is zo. Dankzij dat ding kan ik alleen de deur uit. Mocht ik dan toch omvallen in het bos, hoef ik mezelf niet eerst schor te schreeuwen om hulp, maar kan ik gelijk mijn ouders bellen. Veel effectiever en bovendien ook veel beter voor mijn keel. Mijn mobieltje fungeert ook als een ultramoderne postduif. Het gebeurd meer dan eens dat mijn vriend en ik elkaar dagen achtereen niet spreken, simpelweg omdat we er de tijd dan niet voor hebben. Hollen en vooral niet stilstaan, anders gebeuren er ongelukken, u kent het gevoel  vast wel. We hadden daar allebei een bloedhekel aan, maar een simpele oplossing hadden we er niet voor. Die oplossing  kwam pas een jaar later en het grappige is dat Sintjin en ik het bij toeval hebben ontdekt. Het was midden in de nacht, toen mijn vriend ontdekte dat hij zijn mobieltje in zijn bed had liggen, in een opwelling sms’te hij me, het was een simpel sms’je geweest, waarin hij vroeg hoe het met me ging en me zei dat hij van me hield. Sinds die nacht hebben we besloten om iedere nacht onze mobiele telefoon onder onze kussen te verstoppen, zodat, wanneer het gemis naar de ander te groot werd, we elkaar een berichtje konden sturen.  Wanneer ik in mijn bed een boek lees en mijn mobiel voel trillen, ben ik gelukkig. Dan weet ik dat mijn liefste aan mij denkt.

Week 96: MP3
 
Ik ben een echte muziekfreak, maar doordat ik cd's vaak laat vallen of verkeerd vastpak, gaan ze al snel stuk. Dus zodra de mp3-speler op de markt kwam en mijn fijne motoriek goed genoeg was om zo'n ding te kunnen bedienen, gaf mijn vader me er eentje cadeau. Het klinkt zo simpel, je zet je muziek op zo'n speler en je kunt jaren vooruit. Niet dus, in vijf jaar tijd heb ik er al vijf versleten. Mijn allereerste mp3-speler sneuvelde doordat de batterij die erin zat, begon te lekken. Opeens werd het ding heet, waardoor mijn moeder en ik er in paniek mee gingen overgooien. Dit gebeurde in de wachtkamer van een ziekenhuis, een man die naast ons zat, kreeg door wat er aan de hand was en schoot ons te hulp. Ook zijn veel van mijn mp3-spelers overleden doordat ik ze heb laten vallen. Of de software waarmee ik al mijn muziek op de speler zet, doet het plotseling niet meer. Kortom, al die apparaten kosten me een smak geld. Maar ik moet bekennen dat ik niet meer zonder kan. Dus toen deze week het zoveelste exemplaar het loodje legde besloten mijn moeder en ik om over te stappen op de iPod Classic. Makkelijk in gebruik, zei men. Alles stond er in een wip op. Dat was ook zo. Bij die van mijn moeder. Met die van mij zijn we het hele weekend bezig geweest. En we weten nu nog steeds niet zeker of hij het doet...
 


Week 95: Rokjes
 
Mijn vader kiest zijn vriendinnen uit op basis van hun haar. Rood, bruin, zwart, blond, met krullen of zonder, ik heb ze allemaal voorbij zien komen. Hij is dus een klassieke rokjesjager. Deze mannen blijken nog vaker voor te komen. Een jongeman die ik ontmoette op een feest bleek er ook eentje te zijn. 'Alle dames die rokjes dragen, zijn niet veilig voor mij', bekende hij. 'Ik heb twee keer in mijn leven een rok gedragen', zei ik, 'en toch ik weet zeker dat je nooit op me zal vallen.' 'Dat weet je niet', zei hij met een speelse glimlach. 'Oh jawel', zei ik. 'Ik scheer mijn benen namelijk nooit.' Dat had hij duidelijk niet verwacht en wist even niet wat hij met deze situatie aan moest. 'Echt niet?'' 'Nee', grijnsde ik, 'mijn moeder wil het niet doen, mijn vader mag het van mij niet doen en schoonheidsspecialisten durven geen spastische dames meer te harsen. Ze zijn bang dat ze in hun gezicht worden geschopt en een gebroken neus oplopen Erg vind ik het niet, een broek is voor mij toch praktischer.' Verbeeldde ik het me of was mijn gesprekspartner een beetje bleek geworden? Hoe dan ook, na mijn bekentenis was het gesprek opvallend snel afgerond. Nog even over mijn vader, natuurlijk kiest hij zijn vriendinnen niet uit op basis van hun haar, zo oppervlakkig is hij niet. Het toeval wil dat ze steeds ander haar hebben. Maar hij prees tegenover honderd man publiek mijn billen. Dat vraagt om wraak!

Week 94: Cursus

 

Ik doe mee aan de cursus Creatief Schrijven in de Oorsprong. De eerste les was geen succes: ik was zo nerveus. Wat deed ik hier? Ik was ervan overtuigd dat iedereen me aanstaarde en me zielig vond. Na afloop ben ik naar huis geraced en moest ik vreselijk huilen. Een paar dagen later vertelde ik alles aan mijn fysiotherapeut.'Was het echt zo erg?', vroeg hij toen ik was uitgesproken. 'Hoe weet je zo zeker dat ze je zielig vonden? Heb je het ze gevraagd?' Daar moest ik even over nadenken. Al voordat ik het lokaal binnen was gegaan, ging ik ervan uit dat men zo over mij zou denken, dus daarom ervaarde ik het ook zo. Maar was dat ook waar? Nu ik eraan terugdacht, moest ik toegeven van niet. Natuurlijk werd er wel even naar me gekeken toen ik binnenkwam, maar niet de hele les, zoals ik eerst had gedacht. Ik word vaak bevooroordeeld; men ziet me en gaat ervan uit dat ook verstandelijk niet helemaal in orde ben. Ik vind het vreselijk, maar wat blijkt? Ik ben even erg. Ik heb alle dames van de cursus bevooroordeeld door er van te voren al vanuit te gaan dat ze me als een sneu geval zouden zien. Met die nieuwe wijsheid op zak ben ik naar de volgende les gegaan en het bleek allemaal inderdaad allemaal reuze mee te vallen. Deze cursus is dus op meerder manieren nuttig, niet alleen leer ik meer over het schrijven, maar ook over mezelf.

Week 93: Durf

 

Mijn tweelingzus Luca kan niet praten, zien of lopen. Klinkt heftig? Dat is het ook wel, maar ik ben samen met haar opgegroeid en houd van haar zoals ze is. Ik heb haar nooit gek, vies of eng gevonden, het kwam nooit in me op dat andere mensen dat wel konden vinden. Maar dat is wel zo, wanneer ik een foto van haar liet zien, vertrok bij sommige mensen hun gezicht van afschuw of ze zeiden hele rottige dingen over haar. Dus ik besloot om mijn mond te houden. Als ik heel eerlijk ben, snap ik wel dat sommige mensen mijn zus vreemd aankijken, ze ziet er nou eenmaal anders uit. Maar het blijft voor mij, als haar zus zijnde, heel pijnlijk om te zien. Mijn vriend, met wie ik al drie jaar een relatie mee heb, heeft haar nog nooit ontmoet. Dat durf ik niet. Als Sintjin haar afstotelijk zou vinden, zou mij dat meer steken dan alle rotopmerkingen bij elkaar. Nu is Luca verhuisd en is behoorlijk in de war, omdat ze niet begrijpt wat haar overkomt. Ik heb het er ook met Sintjin over gehad. Het voor hem heel moeilijk om zich voor te stellen hoe ze is, omdat hij haar nog nooit heeft gezien, maar hij probeert het, hij luistert, heeft veel geduld en stelt rustig vragen. Bovenal is Sintjin erg lief en begripvol. Hij neemt mij precies zoals ik ben en ik zal erop moeten vertrouwen dat hij dat ook bij mijn zus zal doen.

Week 92: Engelenpoes

 

Op mijn negende kreeg ik een klein katje. De eerste avond dat hij bij ons was, sprong hij bij mij op bed en is onder de deken in slaap gevallen Zoals hij haar lag, met zijn witte snoet, vond ik hem heel erg lijken op de kat uit Pniokkio, dus besloot ik hem Figaro te noemen. Figaro groeide op als een lieve, speelse kat. Wanneer mijn vader me pijn deed, bijvoorbeeld door een puistje uit te knijpen of mijn haar te kammen, sprong hij altijd bij mij op schoot. Bezoekers sprong hij in de broek, dan dacht hij dat hij een prooi had gevangen. Maar niet veel later werd hij gegrepen door een hond en veranderde hij totaal. Niemand mocht hem nog aaien en honden vloog hij aan. Dus toen duidelijk werd dat ik een hulphond kreeg, hadden we een probleem: moesten we Figaro wegdoen? Dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Dit jaar werd Figaro erg ziek, hij viel steeds om en poepte in huis. Mijn ouders zijn met hem naar de dierenarts gegaan en daar heeft hij een spuitje gekregen. Mam had niet veel met hem en mijn broertje ook niet. Hij heeft vrolijk meegeholpen met het graven van het graf. Maar toen hij mij zag huilen zij hij: 'Niet huilen Robin, Figaro is nu in de kattenhemel. Hij is nu een engelenpoes.' Daar moest ik wel om lachen. Figaro was de laatste jaren een ouwe chagrijn, maar hij hoorde er wel bij. Lieve Figaro, rust in vrede.

Week 91: Nieuw

 

Op de avond van mijn twintigste verjaardag vond ik een leeg notitieboek en ben spontaan gaan schrijven, zonder een plan. Zonder erbij na te denken. Dat doe ik niet vaak, maar als ik het doe, komt er altijd wel iets aparts uit. Pas na een halfuur hield ik op en herlas wat ik geschreven had. En schrok, want ik had over mijn leven geschreven. Niet op de manier zoals in mijn columns of in een dagboek. Dit was anders, ik had in de derde persoon geschreven, de hoofdrolspeelster droeg ook niet mijn naam, maar ik was het, zonder twijfel. Ik had geschreven over het moment dat ik voor het eerst verliefd werd, in de taxi, vijf jaar geleden. Ook de jongen in kwestie had ik een andere naam gegeven. De dagen daarna werd ik volledig opgeslokt door mijn nieuwe project, ik bleef maar schrijven en schrijven. Ik leek wel bezeten. En dat is nu nog steeds, iedere vrije minuut die ik heb, spendeer ik aan mijn nieuwe verhaal. Het is heel anders dan ik ooit heb gedaan, in mijn columns geef ik aan alles wat ik meemaak, een positieve draai, maar dat doe ik nu niet. In een opwelling heb ik een stukje op een website geplaatst waar niemand me kende. En heb nu fans! Ook een vriendin is enthousiast, volgens haar moet ik het ermee naar een uitgever. Hoe het verder gaat lopen, of het een boek gaat worden, weet ik niet, maar ik hou jullie op de hoogte.

Week 90: Valentijn


Valentijnsdag, het is natuurlijk pure commerciële onzin, maar toch heb ik er een paar mooie herinneringen aan. Ik was zeven toen ik van mijn eerste vriendje mijn eerste Valentijnscadeau kreeg. Zelfgemaakte koekjes in een houten kistje met “Voor Robin, van Patrick” erop. Lekker waren ze echter niet, Patrick bleek iets te scheutig te zijn geweest met het zout, maar we zijn in de lunchpauze toch getrouwd. In een huisje op de speelplaats met twee ringen van aluminimumfolie. Op mijn vijftiende lag ik op Valentijnsdag ziek bed, maar is mijn toenmalige vriend toch langs gekomen om me een cadeautje te geven. Je vriendin voor het eerst kussen terwijl ze gloeit van de koorts, romantisch, niet? Mijn huidige vriend doet niet echt aan Valentijnsdag, maar van hem krijg ik wel de meest bijzondere cadeaus. De film “Inkheart” draaide in de bios. De verfilming van mijn favoriete boek. Maar ik durfde niet heen, het volume staat daar meestal zo hard dat ik er van schrik, pijnlijke samentrekkingen in mijn spieren krijg. Sintjin wist dat. 'Ogen dicht', zei hij toen hij bij me was. Ik voelde dat hij achter me kwam staan. 'Als jij niet naar de bios wilt, haal ik de bios naar jou.' Vervolgens haalde hij een dvd tevoorschijn. Ik had hem maar een keer over die film verteld. Een halfjaar terug. En dat had hij onthouden. Die avond hebben we mijn kamer in een minibioscoop veranderd. Eigenlijk ben ik tegen illegale dvd's, maar dit was een volstrekt legaal romantisch moment.


Week 89: PC


Mijn vader en ik hebben allebei absoluut geen verstand van computers. Bij hem is het ietsje erger dan bij mij. Maar dat ik aan het leren ben voor mijn computerrijbewijs, betekent nog niet dat ik een expert ben. Dus wanneer ik de computer hoor brommen en mijn vader hoor vloeken, weet ik dat ik moet maken dat ik wegkom. Maar stilletjes wegsluipen is niet mijn sterkste kant en meestal krijgt pa me te pakken, nog voordat ik bij de voordeur ben. Daarna kan ik alleen nog maar hopen dat het om een basisprobleempje gaat, zoals met Word of met zijn mail, maar meestal ligt het probleem wel iets wat ingewikkelder en weet ik het ook niet. Waar pa niet blij van wordt. Pa: 'Zeg, hier heb jij toch voor geleerd?' Ik: (zucht). 'Pa, voor de zoveelste keer, ik leer over de basisprincipes in de computerwereld. Daar hoort het repareren van een printer niet bij.' Een korte stilte waarin mijn vader druk met de muis in de weer is. Pa: 'Robin, wat moet ik nu doen?' Ik: 'IK WEET HET NIET! Je vergeet steeds een klein detail: ik ben de slechtste van mijn klas wat computers betreft.' Tijd verstrijkt. Ik zie mijn vader rood aanlopen en wacht op het moment dat hij de pc door de kamer gaat smijten. Op dat moment staat mijn moeder opeens voor ons, die doodleuk aanbiedt om de boel bij haar huis te printen. Dat zijn moeders, ze zijn er altijd om hun kinderen te redden.



Week 88: Dagdroom

Ik haat de maandagochtend en ik haat informatica. Helaas voor mij vallen die dingen precies samen. Nog erger; mijn vriend had me het hele weekend ontweken. Ik had toch niets verkeerds gezegd? Ik beet op mijn onderlip en probeerde me op mijn werk te concentreren. Er werd een hand op mijn schouder gelegd. Ik reageerde niet, het was vast mijn mentor die wilde aangeven dat hij achter me stond. De hand verplaatste zich naar mijn middel. Zeg, dit was niet de bedoeling, wat dacht die vent wel niet? Boos zette ik mijn koptelefoon af. En keek recht in de ogen van mijn vriend. 'Dag Robin, lukt het werk een beetje?' Ik staarde hem stomverbaasd aan. Drie weken had ik Sintjin niet gezien, het hele weekend had hij niets tegen me gezegd en nu stond hij plotseling voor mijn neus, wat was hier aan de hand? Hij grinnikte bij het zien van mijn reactie en drukte zijn lippen op de mijne. Oké, ik was aan het dagdromen, dat was nu wel duidelijk, Sintjin zou me nooit middenin een overvol klaslokaal kussen. Een medestudent keek ons geschokt aan. 'Ik probeer hier te werken hoor!' Dit was dus GEEN droom. Grijnzend keek ik Sintjin aan. Hij kneep even liefdevol in mijn hand en vertrok. Dit was altijd zijn stijl geweest, hij verscheen en verdween. Maar bleef altijd lang genoeg om mij te laten stralen. Een nadeel: de rest van de dag gedraag ik me als een idioot en moet ik overal om lachen.

Week 87: Lopen


Een tijdje terug droomde ik dat mijn vriend op een stoel zat, ik ging naar hem toe en hij trok me lachend bij zich op schoot. Dat was het, daar hield de droom op. Maar toen ik wakker werd wist ik dat er nog iets met die droom was. Iets bijzonders, wat ik me niet meer kon herinneren. De hele dag bleef de droom aan me knagen en uiteindelijk besloot ik naar buiten te gaan. Misschien kon de buitenlucht mijn gedachten helder krijgen. Voorzichtig reed ik over de weg, het gladde ijs ontwijkend. Langzaam kwamen de details van de droom weer boven drijven. Mijn rug was vrij geweest van mijn rugleuning. Sterker nog, mijn rolstoel was helemaal niet in de droom voorgekomen. Mijn voeten waren in contact geweest met de grond. Mijn god, ik had gelopen. Ja, nu zag ik het weer duidelijk voor me, ik was naar mijn vriend toe gelopen. Nee, gehuppeld. Met gestrekte benen en een trotse rechte rug. Het had normaal gevoeld. Zo natuurlijk. Alsof ik nooit anders had gedaan. Langzaam opende ik mijn ogen en grijnsde. Mijn lerares uit groep 8, Nicolette, heeft me een keer gevraagd of ik wel eens had gedroomd dat ik kon lopen. Dit was de eerste keer. Was het mooi? Ja, het was prachtig. Maar met een triest randje. Ik heb nooit kunnen ervaren hoe het is om een goed functionerend lichaam te hebben en door deze droom was dat toch een beetje mogelijk. Al was het dan maar voor even.


Week 86: Stage

Mijn eerste stagedag. Ik had verwacht dat ik het in mijn broek zou doen van angst, maar dat viel mee. De zenuwen kwamen pas toen mijn taxi drie kwartier te laat kwam. Eenmaal op de redactie van de Duinstreek aangekomen, sloegen de zenuwen weer toe. Een artikel van een a4-tje inkorten tot 100 woorden. Dat was mijn eerste opdracht, maar na tien minuten had ik nog steeds niets op papier en was ik hevig met mezelf in discussie: help, ik kan dit niet. Wel. Niet. Wel. Niet! 'Moeite met je opdracht?', vroeg mijn stagebegeleider , Yvonne. 'Probeer het gewoon, dan bekijken we het straks samen.' Ik voltooi mijn eerste opdracht. Met succes en kreeg steeds meer vertrouwen. Om half twee zat mijn dag erop en ging ik in de gang op de taxi zitten wachten. Die niet kwam. Na een halfuur besloot ik de taxicentrale te bellen. Mijn taxi bleek een lekke band te hebben, het kon allemaal dus nog wel even duren. Yvonne schudde ongelovig haar hoofd, maar ik maakte me niet druk en maakte de opdracht af waar ik aan begonnen was. Een uur later kwam er een man binnen. 'Ik zoek Robin Corbee', zei hij onzeker. 'De taxi staat klaar.' Ik reed naar voren, maar hij zei: 'Jij kan Robin niet zijn. Ik ben hier met een gewone taxi. Niet met een rolstoeltaxi. Uiteindelijk vertrok ik pas om vier uur. Gelukkig verliep mijn tweede stagedag prima. Benieuwd hoe mijn stage verder gaat verlopen? Surf dan naar: www.robincorbeeschrijft.nl


Week 85: 2010


Vuurwerk, daar heb ik mijn hele leven een hekel aan gehad. Al dat geknal zorgt er altijd weer voor dat ik uit mijn stoel spring van schrik. Meestal bleef ik dan ook binnen en gluurde vanuit de serre naar buiten. Maar dit jaar overwon ik mijn angst en bekeek alles vanuit de deuropening. Mijn broertje werd om twaalf uur gewekt en ging enthousiast met vuurwerk aan de slag. Dit jaar schrok ik minder van de herrie dan de jaren ervoor, waarschijnlijk doordat ik met mijn gedachten ver weg was. In 2010 gaat er voor mij veel veranderen: ik ga stage lopen, waarschijnlijk afscheid nemen van mijn schoolleven, afscheid nemen van mijn busgenoten.. Ik moest even slikken toen ik me dat bedacht. Ook ga ik mezelf inschrijven voor een eigen huis. Ik krijg een hond. Het voelde overweldigend, toen ik het allemaal voor mezelf op een rijtje zette. Het is allemaal een opwindend nieuw gebeuren. Een beetje triest ook. En eng. Doodeng. Soms ben ik bang dat ik alles ga verknallen. Mijn moeder keek me aan. 'Vind je het eng? Het vuurwerk?'' ik schudde mijn hoofd en keek naar mijn broertje die glunderend een sterretje vasthield en glimlachte. Ik maak me ook veel te druk, dit wordt vast een topjaar. En als er iets misgaat, zijn er altijd nog mijn vrienden en familie die me opvangen. Dus wens ik al mijn lezers een prachtig jaar toe. Maak er iets moois van allemaal! Een hoop zal veranderen, maar mijn columns zullen blijven komen.


Week 84: Nacht

 

Ik ben een echte nachtvlinder, altijd al geweest. Dat tot ergernis van mijn ouders, die mij in bed moeten leggen. Steeds als zij vermoeid zeiden dat ik naar bed moest, was mijn antwoord standaard: Ja, oké. Maar ik had nooit zin om naar bed te gaan. Ik was nooit echt moe en in bed had ik nooit iets te doen. Ik had geen tv op mijn kamer, zelfs geen lamp die ik zelf aan kon doen. Het enige wat ik dus kon doen, wad het duister in staren. Geweldig.. Daarom stelde ik het moment dat ik daadwerkelijk naar bed moest, zolang mogelijk uit. Dat hield ik meestal vol totdat mijn ouders dreigdem dat ik maar in mijn stoel moest gaan slapen. Toen mijn moeder erachter kwam wat mijn probleem was, vervulde ze mijn wens: ik kreeg een lamp boven mijn bed. Eindelijk waren we alle twee tevreden, zij kwam aan haar nodige nachtrust toe en ik ontdekte de magie van ons huis bij nacht. Onder het zachte schijnsel van mijn lamp kon ik me helemaal in mijn boek verliezen. En de tijd vergeten. Wat er voor zorgde dat ik met wallen onder mijn ogen op school kwam. Al snel werd ik strenger voor mezelf: om elf uur stoppen met lezen. Maar nu het vakantie is, hoef ik me daar niet aan te houden. Dan lees ik lekker tot diep in de nacht door. Soms met Classic FM op de achtergrond, maar vaak is het ritselen van de pagina's al genoeg.

 



Week 83: Terug!

Halleluja, de bieb in de Blinkerd is terug! Natuurlijk, we hebben nog een bibliotheek in Bergen, ik ben er een keer met mijn moeder geweest, maar dat was niet zo'n succes. Ik hou er namelijk van om langs de boekenkasten te dwalen en ieder boek uitgebreid te bekijken. Dat kan ik uren volhouden. Wat niet handig is wanneer je moeder haar zoon nog moet ophalen. Mijn hart maakte dan ook een sprongetje van blijdschap toen ik hoorde dat de bieb in de Blinkerd werd heropend en ik het allereerste boek mocht lenen. Maar mijn maag had de volgende dag andere plannen. Na drie kwartier op het toilet te hebben gezeten wilde ik alleen nog maar suf in mijn bed liggen. Ik heb af moeten bellen. Geen boeken meer kopen bij de Bruna kopen dus, dat scheelt behoorlijk in de portemonnee. Ik heb inmiddels meer dan genoeg boeken in mijn bezit om mijn eigen bibliotheek te kunnen beginnen! Maar wat ik me afvroeg, zijn hulphonden ook toegestaan in de bieb? Anders heb ik over een paar maanden alweer een probleem! Hulphonden leren om niet op de post te kwijlen die ze voor hun baas pakken, dus niet kwijlen op boeken moet ook geen probleem zijn. En met wat mazzel krijg ik een labradoodle, die verharen niet, dus de vloer blijft schoon. Genoeg pluspunten? Ik hoop het. Hoe dan ook, wat het antwoord ook is, in mijn vakantie staat er een ding bovenaan mijn wenslijst: een uitje naar de bieb.



Week 82: Moe


Ik en mijn rolstoel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dus krijg ik van een vreemde altijd dezelfde vragen: wat heb je precies? Wat houdt dat in? Vind je het erg dat je bent zoals je bent? En dan geef ik braaf antwoord, want ik begrijp hun nieuwsgierigheid. Ik ben nou eenmaal anders. Die antwoorden heb ik in mijn leven zoveel herhaald, dat ik het voelt alsof ik een oud handje afspeel. Steeds opnieuw. Ook de antwoorden zijn behoorlijk standaard: Wat sneu voor je meis.. Maar het is knap hoe jij met je handicap omgaat. Respect! Dan bedank ik glimlachend, maar wat ik eigenlijk wil zeggen, is een stuk groffer, namelijk: Ik hoef uw respect of medelijden niet! Ik leef mijn leven, meer niet. Ik zwelg niet in zelfmedelijden, maar roei met de riemen die ik heb. Dus bewaar uw medelijden en respect ALSTUBLIEFT voor iemand die het wel verdient.' Maar ik spreek die woorden nooit uit. Ik bijt op mijn kiezen en houd ze binnen, omdat ik weet dat men het goed bedoelt. Maar van de week ging het mis, een meisje sprak me aan op mijn website: Ik was gehandicapt en had een vriend? Wow, wat knap! Kwaad schreef ik terug: Luister even jongedame, ik ben gehandicapt, maar geen walgelijk, afstotelijk wezen. Begrepen? Ik had niet zo fel moeten reageren, ze bedoelde het niet verkeerd. Maar soms word ik er zo verschrikkelijk moe van het op een begripvolle wijze beantwoorden van steeds dezelfde vragen. Sorry, ik ben ook maar een mens.

Week 81: Zout


Mijn vader heeft weer een nieuwe vlam. Een hele lieve, goedlachse vrouw, Nancy. Plotseling kreeg mijn moeder de griep en moest ik halsoverkop zijn liefdesnestje verstoren. Iets wat hun niet scheen te deren, maar mij wel ongemakkelijk deed voelen. Een knus gedekte tafel, mijn vader die glimlachend haar hand vasthield. Ik ben na de lunch direct mijn kamer in gevlucht. Even later vroeg pa me of ik met hen meeging een strandwandeling maken. Ik ging mee, maar alleen omdat ik hoopte dat de zeewind mij van de pijnlijke knoop in mijn maag kon verlossen. Eenmaal op het strand kon ik er niet meer omheen: ik was jaloers. Ik probeerde mijn tranen te verbergen, maar papa zag ze en vroeg wat er was. 'Ik ben jaloers. Op jullie', zei ik. 'Jullie hebben elkaar de afgelopen maand meer gezien dan ik mijn vriend in het hele jaar! Van de week kwam zijn oma in het ziekenhuis terecht, ik heb hem iedere dag ge-smst. Vier dagen hoor ik niks en vanmorgen kreeg ik een berichtje waarin “alles gaat prima hoor” stond. Meer niet.' 'De sukkel', mompelde papa. 'Maar ik mis die sukkel wel', fluisterde ik. Nancy knikte begrijpend. 'Weet je wat daartegen helpt? Warme chocolademelk.' Dus zijn we naar een klein restaurantje gegaan, waar ik haar advies heb opgevolgd. Ik was stiekem toch bang dat ik hun speciale dag had verknald, maar ze maakte me weer aan het lachen. Het werd een gezellige avond waarin ik mijn allereerste glas rode wijn heb gedronken.


Week 80: Oeps...


Ik heb een stage. Vanaf januari ben ik wekelijkse op de redactie van de Duinstreek te vinden. Jahoe!!!! Tijdens mijn stagesprek werd ik uitgebreid over mijn columns gecomplimenteerd. En verbaasd aangekeken door de stagecoördinator die nog nooit een woord van mij gelezen had. Hij wist dat ik schreef, maar dat mijn stukjes zo'n succes waren, had hij duidelijk niet verwacht.'Waarom laat je ze dan ook niet op school drukken?', vroeg hij. 'Geen idee', antwoordde ik. Onzin. In mijn columns ben ik eerlijk. En als ze er op het REA achter zouden komen wat ik over ze schreef, zouden ze dat niet leuk vinden Mijn medestudenten lazen mijn stukjes wel, maar hielden hun mond tegenover de leraren. Dus werd ik volkomen verrast toen mijn oude leraar engels, een zin uit een van mijn opstandige columns citeerde. 'Wat weet u precies?', vroeg ik angstig. 'Ik weet dat je het hier haat', antwoordde hij. 'Grappig, het internet, ik hoefde alleen maar je naam te typen en ik kon zo al je columns lezen. Je schrijft goed Robin, ga zo door.' Nog een aantal leraren kwamen achter mijn opstandigheid En ik verdedigde mezelf met de woorden: Een columnist hoeft zich niet voor zijn woorden te verantwoorden. Tenzij ik er iemand pijn mee doe, ga ik er gewoon mee door.' Iets waar ze om moesten lachen, maar me wel gelijk in gaven. En dus ga ik nu ook mijn columns op de schoolsite plaatsen. Mochten mijn woorden niet bevallen. Stop ik daarmee. Simpel zat.


Week 79: Droom


Het is altijd mijn droom geweest om een boek te schrijven. Ik zie helemaal voor me hoe mijn boek in de winkels ligt, hoe iemand hem oppakt, bekijkt en denkt dat is nou precies wat ik zoek! Ik heb het al eens geprobeerd om mijn boek uit te laten geven. Met de hulp van de BartFoundation, een stichting die helpt om de dromen van mensen met een beperking te verwezenlijken. Maar dat feest ging niet door, om de simpele reden dat de uitgever mijn boek niet goed genoeg vond. Ik weet nog hoe mijn vader mijn tranen wegveegde en zei: misschien is het beter dat het zo gelopen is Robin. Wil je dat men je boek koopt, omdat ze het knap vinden dat je het hebt geschreven, ondanks je handicap? Of omdat ze het een goed boek lijkt?’ ‘Dat laatste’, snifte ik. Hij gaf me een zoen. ‘Dan heb je die stichting niet nodig.’ Mijn columns veranderde mijn leven. Zodra iemand mij ziet, word er meestal gedacht dat ik een zielig meisje ben, dat niets kan. Vroeger had ik niets om mezelf tegen dat beeld te verdedigen. Maar nu, zodra ik een van mijn columns voorlees, kan ik dat beeld veranderen. Dan zien mensen Mij. Robin, een meisje die gewoon goed kan schrijven. En dankzij alle lieve reacties die ik heb ontvangen, heb ik de moed gevonden om weer door te gaan met het schrijven van mijn boek. Daar was inderdaad geen speciale stichting voor nodig, maar een column in een krant.

 



Week 78: Einde

Gek hoe de dingen kunnen lopen, ik heb vanaf mijn zesde altijd cavia's gehad en nu is dat opeens voorbij. Ik hield ze in een lage zandbak op hoge poten, zodat ik ze kon aaien. Iedereen die de bak zag, vroeg zich angstig af of het kleine beestje er niet uitsprong. Dat was nooit gebeurd. Tenminste, niet met fatale afloop. Tot een paar dagen geleden. Ik kwam thuis en zag haar in de gang liggen, mijn kleine Loena. Ik huilde toen ik haar nog warme lijfje streelde. Pa en ik hadden besloten om na haar geen nieuwe cavia meer te nemen, vanwege de komst van een hulphond. Dit voelde als het definitieve einde van mijn jeugd. Die nacht lag ik wakker. In korte tijd was er veel veranderd: Mijn laatste examens waren aangebroken. Daarna moet ik stage lopen en naar werk zoeken. En ik heb een woonvorm bekeken. Ik ben altijd bang geweest dat, wanneer ik het huis zou verlaten, ik in een soort instelling terecht zou komen. Maar wat ik bekeek was een huisje dat ik zelf kon inrichten. Ik zag het helemaal voor me en ik was direct laaiend enthousiast. Iets wat ik niet had verwacht. Ik rilde en dook iets verder weg onder mijn dekbed. Over een paar jaar ga ik mijn veilige nest in Schoorl dus verlaten en ik besefte dat ik dat niet meer zo erg vond als eerst. Was ik dan toch door de poort naar volwassenheid geglipt? Zonder het zelf te hebben gemerkt?

Week 77: Buitenbeentje

Op mijn elfde ontdekte ik de Darren Shan-boeken, waarin een jongen, om zijn vriend te redden, zichzelf in een vampier laat veranderen. Voor mij was het duidelijk: deze boeken moesten verfilmd worden. Maar mijn vader schudde zijn hoofd. 'Lieverd, jij vindt dit fantastisch, maar dit slaat niet aan bij het grote publiek. Je bent nou eenmaal een buitenbeentje. 'Pap, als dit niet wordt verfilmd, is de mensheid GESTOORD!' zei ik koppig. 'Ze hebben goud in handen, ze zien het alleen nog niet.' Niet veel later kwam het eerste Harry Potter-boek uit. Laaiend enthousiast nam ik het mee naar school. Maar nadat de meester het eerste hoofdstuk had voorgelezen, was de halve klas in slaap gevallen. 'Sorry Robin', zei hij, 'ik kan zien waarom jij het leuk vindt, maar je bent nou eenmaal ietsje anders dan je klasgenoten.' Ik schudde mijn hoofd. 'Nee meester, dit wordt een hit. Let maar op.' En ik kreeg gelijk: nog geen maand later was Harry niet meer weg te denken uit Nederland. Ondertussen zijn bijna al mijn favoriete boeken verfilmd, bijvoorbeeld: Het Gouden Kompas, Inkthart, Stormbreaker en Ellendige Avonturen. Dus ja, ik geef toe dat ik in alle opzichten een buitenbeentje ben. Ik kleed me niet volgens de laatste mode en populaire muziek van tegenwoordig bezorgt me de rillingen. Maar ik ben wel een buitenbeentje met een neus voor boeken die goed verfilmbaar zijn. Deze week draait er een nieuwe film in de bios, The Vampire's Assistent. Gebaseerd op de Darren Shan-boeken.

Week 76: Test

In mijn relatie was ik altijd de initiatiefnemer. Ik vroeg en regelde alles. Als ik vroeg of hij wilde komen, kwam hij. Als ik zei dat ik van hem hield, zei hij dat ook. Het duurde een tijd voordat ik dat doorhad, maar toen dat gebeurde, vroeg ik me angstig af wat er zou gebeuren als ik mijn mond hield. Geen contact zocht. Zou hij me missen? Had hij me net zo hard nodig als ik hem? Ik besloot om twee weken het contact te verbreken. Als hij geen contact met me zocht, zou ik het uitmaken. Het had geen zin als de liefde maar van een kant kwam. Dag acht. Ik was het zat. Waarom zou ik mezelf nog zes dagen kwellen? Hij had nog niks van zich laten horen en dat ging in die resterende dagen ook echt niet gebeuren. Ik ging er een punt achter zetten. Nu. Ik pakte mijn telefoon. Wilde hem hem bellen. Maar hij was me voor. 'Robin?' Verbeelde ik het me of klonk hij even beroerd als dat ik me voelde? 'Wat is er?', vroeg ik. Stilte. 'Niets, ik moest je stem gewoon horen. Ik mis je.' Daar waren ze, de woorden waar ik zo naar had verlangd. Ik was blij. Zo verschrikkelijk, onbeschrijflijk blij. 'Ik hou van je Robin, dat weet je toch?', fluisterde hij. Zaterdag was hij bij me. Ik heb hem niets over mijn geplande breuk verteld. Maar de hevigheid van hoe hij me die dag zoende, vertelde mij dat hij het aanvoelde wat ik van plan was geweest.

Week 75: S.O.S
 
Nachtmerries. Soms komen ze uit het niets en slaan ze nergens op. Maar soms geven ze onze diepste angsten weer. Ik weet nu meer dan een week dat ‘Missie Hulphond’ geslaagd is. Het gaat nu dus echt gebeuren, Stichting Hulphond gaat naar de voor mij perfecte hond zoeken. Het duurde dagen voor het besef tot me doordrong dat mijn wens nu uit gaat komen. Maar er is ook iets anders, iets waar ik niet aan probeer te denken. Overdag lukt dat me aardig, maar ’s nachts, als ik wegdrijf in mijn dromen, is dat wel anders. Ik krijg een hond. Geweldig. Maar ik schijt in mijn broek van angst. De hond die ik krijg, is geen normale hond. Deze hond moet een deel van mij worden. Mijn tweede schaduw. Hij mag naar niemand anders dan naar mij luisteren. Het voelt alsof ik op het punt sta moeder te worden. De moeder van een hond. Mijn ouders mogen me niet helpen bij zijn opvoeding, ik moet alles in mijn uppie doen. Natuurlijk krijg ik wel hulp van professionele trainers, maar uiteindelijk komt het allemaal op mij neer.  Nachtmerries achtervolgen me. Wat als ik het verknal? Het arme beest verwond of dat hij opeens doorslaat en ik hem niet meer onder controle krijg? Dus hierbij vraag ik mijn om me te helpen. Heeft u tips over opvoeding en de daarbij behorende onzekerheid, dan hoor ik het graag van u. Laat een berichtje achter op mijn gastenboek.

Week 74: Gelukt!


Er kwam een vrouw van de zorgverzekering bij ons langs. Ze kwam kijken of ik al een hulphond nodig had. En of de verzekering, de kosten die dat met zich meebracht, ging vergoeden. Ze ging zitten en vroeg: waarom wilde ik een hulphond? Het speet haar, maar zolang ik nog thuis woonde, zag de verzekering geen reden om een hulphond te vergoeden. Ik was hiervoor gewaarschuwd, de verzekering zei de eerste keer dat je om een vergoeding voor een hulphond vroeg, altijd nee. En als dat na drie keer vragen nog zo was, vergoedde Stichting Hulphond de kosten. Ik kreeg sowieso een hond. Alleen zou het dan een jaar langer duren. ‘U heeft gelijk’, hoorde ik mezelf zeggen. ‘Mijn ouders kunnen me helpen. Met praktische zaken. Maar ze durven ’s avonds niet lang weg, omdat ze bang zijn dat ik mijn mobieltje laat vallen en ik niet kan bellen als er iets gebeurd. Die hond geeft hun ook rust. En hoe zou u zich voelen als u een baan had en uw collega’s een hekel aan u kregen omdat ze steeds alles voor u moesten pakken? Die hond helpt mij me zekerder te voelen in de maatschappij. En dat gevoel ervaar ik liever vandaag dan morgen.’De vrouw knikte. Ik ben om. Gefeliciteerd met je hond Robin. De verzekering gaat alles vergoeden.’ Ik mag dan wat onzeker zijn. Maar als het moet, kan ik lullen als brugman. Met als resultaat dat ik volgend jaar al met een hond door Schoorl rijd.

Week 73: Toetje


De avond voordat mijn vriendje mijn familie ging ontmoeten, belde hij me op. Hij vierde nu zijn verjaardag. Was moe. Wist niet zeker of hij het morgen wel ging redden. Nee, dacht ik. Dit kon hij me niet aandoen. Oma rekende erop. Ik had er zelfs een column over geschreven! Bovendien vond het plaats in een chic restaurant en ik zou mezelf vast onder het eten smeren. Ik had morele steun nodig. Voor hem was het ook lastig. Ik word aangestaard, maar hij ook. Vanwege zijn manier van lopen. De eerste keer dat ik het zag,, dacht ik: hij gaat vallen! Dat is eigenlijk ook zo, als hij loopt, laat hij zichzelf vallen en vangt zichzelf op het laatste moment weer op. Ik vind het niet meer vreemd, maar hij schaamt zich er volgens mij vreselijk voor. Nadat ik hem ervan had overtuigd dat hij pas tegen vieren bij mij moest zijn (hij dacht tien uur 's ochtends. Op zondag? Dan slaap ik nog) ging hij toch mee. Dus daar zaten we, aan een giga tafel. Tante Joke vond hem reuze interessant en ging naast hem zitten. Toen Sintjin haar vertelde wat hij allemaal met computers kon, werden haar ogen groot. Een schot in de roos! Ik kreeg een beige servet voor. 'Afschuwelijk!', piepte ik. 'Welnee, het staat je prachtig. Je start vast een nieuwe trend', verzekerde Sintjin me. Ik schoot in de lach. Wat kon het me ook schelen? Hij genoot. Ik genoot. Mijn familie mocht hem. Missie geslaagd.

Week 72: Vuurdoop

Een halfjaar geleden las ik oma mijn nieuwste column voor. Druipend van de romantiek. Plotseling keek ze me aan en vroeg: 'Die vriend van jou, is dat nog steeds die Sintjin?' Ik knikte. 'Jullie hebben al een tijd verkering,' zei ze bedachtzaam. 'Ik wil hem wel eens ontmoeten. Zal ik hem uitnodigen voor het familiediner?' Stilte. Wat? Wat zei ze nou? Nodigde ze hem nou echt uit voor een diner met mijn hele familie? Help! 'Nee!' zeggen was geen optie. Twee jaar van liefdesverhalen eisten hun tol: oma wilde nou wel eens weten of de lover van haar kleindochter ook echt bestond. En of hij geschikt was. Ze is nogal kritisch Logisch, maar ik vond het doodeng, ik heb dit nog nooit gedaan. Bovendien waren Sintjin en ik nooit echt openlijk over onze relatie. Zeker niet in het openbaar. Niemand kon aan ons zien dat we een stelletje waren. Maar als Sintjin op de uitnodiging inging, zou dat veranderen. Durfde hij dit? Ik stelde hem die vraag nog diezelfde avond. Een duidelijk antwoord kwam er niet, we deden er lacherig over. Een halfjaar was lang, wie weet was het tegen die tijd wel uit! Maar nee, een halfjaar verstreek en ik stelde hem die vraag nog een keer: wilde hij mee naar het familiediner? 'Ja', antwoordde hij gespannen, 'ik vier dat weekend mijn verjaardag en ik heb een sollicitatiegesprek, maar ik kom.' Oma en jij zijn op dezelfde dag jarig', stelde ik hem gerust. 'Dat schept vast een goede band.'

Week 71: Wens

Weken geleden kwam er een vrouw van stichting Hulphond bij mij thuis om te kijken of de omgeving wel hondvriendelijk was. Daarvoor was natuurlijk wel een echte hond voor nodig. En er zaten twee in haar auto. Maar voordat we met de honden gingen wandelen, moest er eerst gepraat worden. Veel en lang. Normaal gesproken is dat geen probleem, ik ben een kletskous. Maar nu wilde ik geen vragen beantwoorden en daarover uitbreiden. Ik wilde wandelen. Nu! Een van de honden waar we mee gingen lopen was een labradoodle, het ras dat ik aangevraagd had, omdat die geen allergische reacties veroorzaakt bij mensen. Ik heb niks met poedels, dus had ik niet verwacht dat ik de labradoodle leuk zou vinden, maar zodra het wollige beest uit de bus sprong, was ik verkocht. De tests begonnen. Kon ik in een rechte lijn rijden? Simpel, maar mijn hand trilde erger dan bij mijn examens. Kon ik een hond laten zitten? Nee. Hij bleef me vrolijk kwispelend aan staan kijken, terwijl ik steeds nerveuzer werd. Geen probleem, hoorde ik. Ik deed het goed, hij begreep me, maar had geen zin om te luisteren. Nog een keer: zit. En hij deed het, hij ging zitten. Ik kon het! Tijdens het wandelen ging mijn hart als een razende tekeer. Ik wil dit. Dit is mijn wens. De onafhankelijkheid die ik door zo'n hond krijg, ik zou er een moord voor doen. De liefde. Meer vraag ik niet. Nu maar hopen dat de zorgverzekering mijn wens vergoed.

Week 70: Verslaafd

Oké, ik beken: ik ben verslaafd. Niet aan chocola, chips of het chatprogramma MSN ( het scheelt niet veel), maar aan boekenseries. Het gebeurt gewoon, als ik een interessant boek zie, blijkt dat bijna altijd een serie te zijn. Het irritante daaraan is als je een goede serie te pakken hebt en je hebt een deel uit, dat je wilt weten hoe het verder gaat. Je MOET weten hoe het verder gaat! Het begon bij mij bij de boeken van Harry Potter en nu heb ik het bij de Gone-serie, geschreven door Michael Grant. Deel 1 had ik in een wip uit en de release van de tweede stond gepland voor 1 oktober, volgens de fansite. Mijn vriend kwam erachter dat hij op Bol.com eerder te verkrijgen was en bestelde hem voor me. Fout. Ik ging met een vriendin een cadeau kopen voor een gezamelijke vriendin. Een boek. En daar stond ie: het tweede deel van Gone. Niet eerlijk, wat deed dat ding daar? Het is nog geen 1 oktober! Erger: ik kon hem pakken, doorbladeren. Maar niet kopen. Mijn vriend had hem ook. En hem zie ik pas over twee weken. Ik kwijlde nog net niet toen ik hem met trillende handen pakte. Ik wilde hem lezen. Het moest! 'Kan niet. Mag niet. Moet cadeau kopen', prevelde ik. Ik zette hem terug en reed zwalkend de winkel uit. Ik hou me altijd aan mijn woord, maar de drang om hem te breken, het boek te stelen, was bijna onweerstaanbaar.

Week 69: Angst

Angst. Iedereen heeft daar wel eens last van. Toen ik afgelopen vrijdag hoorde dat een stuk van Schoorl (mijn woonplaats), in de hens stond, ging mijn hart als een razende tekeer. Waar was het? Kon ik nog wel naar huis? Dat bleek te kunnen. Alleen mijn broertje en zijn vader moesten hun huis uit vanwege de rook. Schoorl is nog nooit zoveel in het nieuws geweest. Ik kreeg de kriebels als ik ernaar keek, maar daar bleef het ook bij. Ik wist dat het vuur niet verder onze kant op kon komen en ik wist dat ook de mensen die ik het meest lief heb, veilig waren. Ik ben een keer hysterisch geweest van angst, ik zat toen op de wc. Toen ik 'Klaar!' riep, reageerde mijn vader niet. Hij is aan een oor doof, dus toen de cd die ik had aangezet, afgelopen was, riep ik nog eens. Harder. Weer geen reactie. Ik bleef roepen. Stilte. Pa zou me niet alleen laten. Niet als ik op de plee zat en geen kant op kon. Er moest iets met hem gebeurd zijn: hartaanval, beroerte. Opeens voelde ik hoe afhankelijk ik van hem was. Ik kan niet lopen, dus ook geen hulp halen Ik riep. Schreeuwde. Huilde. En toen stond hij opeens voor mijn neus. Er was voetbal. Daarom had hij me niet gehoord. Ik was vreselijk opgelucht. Woest. Schold hem uit. Sindsdien slaap ik altijd met mijn mobieltje onder mijn kussen. Mocht er iets gebeuren, dan wordt mijn noodkreet gehoord.
 

Week 68: Akicken

Klik! Dat geluid, het geluid van een busriem, die via mijn stoel aan de taxivloer wordt bevestigt, is voor mij een teken: het teken dat de scholen weer zijn begonnen. En ik heb een doel: ik laat me niet afleiden. Alles moet af. Als me dat lukt, ben ik volgend jaar van het REA verlost. Me niet laten afleiden wordt een makkie. Er is namelijk een nieuwe regel op het REA: niet internetten, tenzij het voor school is. Geen MSN meer, Hyves of games. Ook het bekijken van pornofilmpjes is verboden (sorry boys). Ik snap het wel, het REA moet ons voorbereiden op het werkende bestaan , dan ga je ook niet constant naar een datingsite. Tenzij je wanhopig bent. Ik begrijp het. Echt. Maar die regel wordt niks. De LOI-curdussen zijn niet te vergelijken met een baan. Bij de meeste cursussen moet je lezen. Alleen maar lezen. Gortdroge, humorloze teksten. Soms uren achter elkaar. Geloof me, dat hou je niet vol zonder internet. Sommige leraren denken dat ik tijdens de les nooit op MSN heb gezeten. Geintje zeker? Ben gewoon nooit betrapt. Vorig jaar werd het gedoogd. Nu is er een contract opgesteld waarin staat dat dat niet mag. Iedereen heeft ondertekend. Ik ben benieuwd wat er gaat gebeuren wanneer de regel gebroken wordt, je kan niet van het internet verbannen worden, want de LOI werkt via het internet. Ik wil het niet uitproberen. Sommige studenten krijgen al serieuze afkick verschijnselen. Er komt vast een opstand. Wacht maar af...



Week 67: Vragen

Ik ben een piekeraar. Er zijn zoveel vragen waar ik antwoord op wil: zal ik komend schooljaar een goede stage vinden? Zal ik daarna leuk werk vinden? En daar dan weer na: zal ik ooit de moed bijeen kunnen schrapen om op mezelf te gaan wonen? Waar zou dat dan zijn? Met wie? Mijn vriend kwam langs en ik vroeg me af: hij is nu weg van het REA en ik zit er nog. Hoe gaat het nu verder lopen tussen ons? Later die dag vroeg hij: Robin, waarom gebruik je mijn naam nooit in je columns? 'Geen idee', antwoordde ik. 'Dacht dat je dat niet zou willen'. Probleem: ik had mijn stoel zo geparkeerd dat ik niet meer bij de besturing kon. Ik niet, mijn vriend wel. Op mijn aanwijzing stuurde hij me door mijn kamer. 'Links. Nee, andere links. Kijk uit voor de muur. Ik wil geen hersenschudding!' Uiteindelijk was de missie geslaagd. 'Ik wou dat ik je kon helpen', zei hij, 'op het REA. Met het zoeken naar een stage enzo. Maar mijn naam mag je wel gebruiken, in je columns bedoel ik.' Ik lachte. Dat was tenminste een vraagstuk minder. Hij nam me in zijn armen en zei zacht dat hij van me hield. Ik sloot mijn ogen en genoot van het moment. Niet op alle vragen is direct een antwoord. Dat kan ook niet. Soms moet je gewoon rustig afwachten en genieten van het hier en nu. Hoe mijn vriend heet? Zijn naam is Sintjin.

 





Week 66: Vriendin

Liann en ik kennen elkaar al sinds we kleine koters waren. Elkaars rivalen, wat de een kon, kon de ander ook. Alleen dan beter. Jaren verloren we elkaar uit het oog. En toen, plotseling, hadden we weer contact. Ik bezocht haar in haar vakantiehuisje in Schoorl. Haar moeder stelde voor dat Liann en ik gezellig naar het dorp zouden gaan. Maar dan moest ik de weg wijzen, want Liann was nog wel eens de weg kwijt. Ik slikte. Mijn oriëntatievermogen is ook flut. Vanuit mijn huis naar het dorp, oké, maar een andere route nemen? Nee, ging niet lukken. Gelukkig moesten we voornamelijk rechtdoor. Op een kruispunt brak er een discussie los. Moesten we nou links of rechtsaf? Een aardige man schoot ons te hulp. Eenmaal in het dorp gingen we op een terrasje zitten. Ik durfde geen eten te bestellen, uit angst om te morsen, maar Liann haalde me over met de woorden: ik hoopte dat jij ook wat zou bestellen, dan sta ik niet zo voor paal en gaan we gezellig samen knoeien. Terug naar huis rijden? Geen probleem. Maar waar was de achterdeur? Alleen door die deur konden we naar binnen. We bleven maar rondjes rijden. Zoekend. Het was zo komisch, dat de tranen van het lachen over mijn wangen stroomden. Bingo! De achterdeur. Liann en ik zijn geen kleuters meer, we zijn veranderd maar lijken in veel dingen nog steeds op elkaar en kunnen we veel van de ander leren. Geen rivalen meer, maar gewoon vriendinnen.


Week 65: Cats

Ik ben een echte musicalfreak. Het is de perfecte mix van mooie muziek en een prachtig verhaal. De verslaving is vier jaar geleden begonnen, vlak na het sneuvelen van mijn eerste relatie. Pa had de cd van de musical Aida, in Super de Boer gevonden. Een hele openbaring: ik ontdekte dat ik musicalmuziek fantastisch vond en dat het hielp tegen liefdesverdriet. En pap kwam erachter dat hij er een hekel aan had. Helaas voor hem ben ik het daarna alleen maar mooier gaan vinden. De eerste musical waar ik heen ben geweest, was My Fair Lady, samen met oma en haar vriendin. Zij vonden hem niet zo interessant, wat ze wel leuk vonden was om te kijken hoe ik ervan genoot en mee klapte met de muziek. Ik ben naar Tarzan geweest, maar ik zag niet veel omdat ik schuin geparkeerd stond. De musical die ik het mooist vond, was 'Cats' in Carre. Ik zat met een goede vriendin op de tweede rij. Het werd donker en overal lichtte kattenogen op. Ze leken dichterbij te komen, weken terug, doofden uit en lichten weer op. Geweldig. De 'katten' gebruikten niet alleen het toneel, maar de hele zaal. Overal doken ze op, anders dan bij de meeste musicals, betrokken ze het publiek in het geheel. Omdat ik in mijn rolstoel zat, ben ik een eyecatcher, ze kwamen ze op me af en begonnen me kopjes te geven. Helaas gedraagt de gelijknamige cd zich ook als een kat: niet te vinden wanneer ik hem wil beluisteren.


Week 64: Fobie

Ik heb een bioscoopfobie. Dat is begonnen toen ik als klein meisje naar de Lion King ging. Daar ontdekte ik dat ik geen diepte kon zien. Hoe zou jij je voelen als je dacht dat er een olifant dwars door het scherm kwam stormen om je te vertrappen? Je zou het in je broek doen van angst, toch? Nu ben ik 19 en moet nog steeds op mijn ademhaling letten als ik de bios binnenkom. De nieuwe Harry Potter-film is uit. Ik ben een HP-fan van het eerste uur, dus ondanks mijn angst ga ik iedere keer weer naar de nieuwste film met een hele groep vrienden. Iets waar ik altijd naar uitkijk en tegenop zie. Ik kromp ik ineen bij de voorfilmpjes. Ik haat die dingen! Het geluid staat dan veel harder dan bij de film en zorgt ervoor dat ik in mijn stoel zit te jumpen van schrik. De film zelf was prachtig. Alleen schrok ik zo van de herrie bij de eindscène, dat er een hevige pijnscheut door mijn lichaam schoot, en ik moest huilen. Ik werd pas weer rustig toen mijn moeder naast me kwam zitten en me stevig vastpakte. Toen het licht weer aan ging, kwam de schaamte. Iedereen vond me vast gek. Ik wilde een hendel waardoor ik door de grond kon zakken. Nu! Maar niemand keek ook maar mijn kant op. En ik verliet de zaal met opgeheven hoofd. Dus hier vffeen wijze les: blijf genieten. Wat er ook gebeurd.



Week 63: Thuis

Zoals veel vakantiegangers en buurtbewoners waarschijnlijk al weten, is de Damweg momenteel een enorme puinhoop. Ik kon niet eens mijn huis uit, door een gapend gat, pal voor de deur. Het gebonk van al dat werk was vreselijk en bij ma was ik doodsbenauwd dat het houten huis zou instorten door al dat getril. Het is dan zaak om creatief om te gaan met het probleem: pa besloot dat het tijd werd dat we onze nieuwe tent uit gingen proberen. Dat deden we op de Noorderhoeve, een camping nog geen vijf minuten van ons huis. Het was heerlijk stil. Maar totaal niet de camping die wij gewend waren. Iedereen zat braaf voor hun tentje de krant te lezen. Geen kinderen die me met open mond aanstaarde. En het aller engste: bij iedereen ging stipt om tien uur het licht uit. Slaap lekker! Brr... Bij aankomst kwam een vriendin van mijn vader naar ons toe. Het was zeven uur, had hij al voor het avondeten gezorgd? Niet? Foei! Hij moest zijn dochter wel goed verzorgen. Ze leed vast verschrikkelijke honger. Ik dacht dat ze een geintje maakte, wij eten altijd laat, ik ben niet anders gewend, maar ze was echt pissig. Ze belde haar moeder. Of zij nog wat restjes had? Ja? Prima. Dank je!En daar kwam moeders aanfietsen met drie bakjes eten. We konden die nacht niet slapen. Ik vanwege mijn rug en papa vanwege een koe die moest bevallen en de hele camping bij elkaar loeide. Lekker, we waren weer thuis....


Week 62: Rain

Ik ging brood en water halen. Het water was voor zes uur afgesloten en dat schoot ons weer te binnen toen we de kraan opendraaiden. In het Nollenbos begon het te miezeren. Niet erg, ik hou wel van een beetje regen. Maar mijn stoel niet, even kortsluiting in mijn besturingskast en ik kan geen kant meer op. Eenmaal uit het Nollenbos was het een hoosbui. Niet leuk voor mijn dunne, katoenen jack, binnen een paar seconde was ik doorweekt en rilde ik van de kou. In het centrum van het dorp kwam het nog steeds met bakken uit de hemel. Een aardige mevrouw hielp me mijn rolstoel onder een boom te parkeren om te schuilen. Uiteindelijk ben ik naar de bakker geraced. Gewapend met een brood ging ik naar Super de Boer, om water te halen. Met een pak Barleduc in de hand was ik op weg naar de kassa. Toen de stroom uitviel. Ze wisten de deuren open te krijgen en kon ik weg. Zonder water. Toen ik zei dat we thuis zonder zaten, werd ik raar aangekeken. Toegegeven, ik leek op een slechte actrice: ik zei het klappertandend en rilde over mijn hele lijf. Alleen acteerde ik niet, ik had het echt ijskoud! Pluspuntje: doordat men langer moest wachten, werd ik herkend en gecomplimenteerd voor mijn columns. En al mijn 'fans' namen het voor me op toen ik geen water mee mocht nemen. Lang leve beroemdheid! In een andere winkel kreeg ik toch een fles water te pakken

Week 61: Zee

Mijn favoriete Disneyfilm is zonder twijfel De Kleine Zeemeermin. Vroeger ging ik vaak met mijn moeder zwemmen, dan nam ze me als een jonge fuut op haar rug en dan was ik Ariel en zij Botje. Ik hou van water en ben, toen ik klein was, een behoorlijk aantal keer de zee in geweest. Nu kan het niet meer, maar ik heb mijn fascinatie voor de zee behouden: die eindeloze watervlakte, het ene moment kalm en het andere zo wild en onstuimig. Misschien is het juist daarom dat het boek dat ik aan het schrijven ben, dat thema heeft. De zee verhult vele mysteries waar de mens geen weet van heeft: waardevolle schatten en duistere geheimen...
Mam kwam op het idee om bij een klein restaurantje aan de kust te gaan eten. Ik was al tijden aan het zoeken naar het perfecte decor waar mijn verhaal zich zou kunnen afspelen: ik dacht aan Ierland, misschien Schotland. Maar toen ik uit de auto reed, besefte ik dat ik de perfecte locatie over het hoofd had gezien: Hargen. Het plaatje was bijna perfect. Het enige wat er ontbrak, was een oude vuurtoren, balancerend op een overhangende rots. Maar daar was wel wat op te verzinnen.
Ik zou graag een zeemeermin willen zijn. Die benen van mij doen het niet, misschien heb ik met een staart meer geluk. Dan zou ik me laten meevoeren door de golven. De wereld zien. Weg uit Schoorl. Zonder aanpassingen of ballast de vrijheid tegemoet.

Week 60: Stoned

Ik slik pillen om mijn spasme en de daardoor verhoogde spierspanning te minderen. Wisselen van medicijnen kan je lijf een behoorlijke opdonder bezorgen, al zou ik volgens de arts pas na drie dagen last krijgen van bijverschijnselen. Maar ik zou Robin niet zijn als het bij mij niet net iets anders ging. Al na de eerste twee pilletjes begon ik me ligt in het hoofd te voelen. Daar kwamen watten bij. Dat vond ik nog niet zo erg, het werd eng toen (meer dan anders) tegen dingen op knalde. Ook mijn handen deden raar, ik liet dingen vallen en typen was opeens een hele opgave. Mijn armen voelde raar, als twee deegslierten. Later realiseerde ik me dat ze gewoon ontspannen, soepel en ligt waren. Ik wist niet dat ik ook spasme in mijn armen had. Een vervelende bijwerking was dat die pillen ook op mijn mondspieren sloegen. Ik sprak erg onduidelijk, struikelde over mijn woorden en moest op mijn articulatie letten. Bij fysiotherapie strekte mijn therapeut mijn benen aan het strekken. 'Robin? Doet dit geen pijn?' Hij had mijn slechte been over zijn schouder gelegd terwijl ik op mijn gemak naar het plafond lag te staren. Ik had niets gemerkt. Meestal kwam hij halverwege voordat het pijn deed en ik mijn been vloekend uit zijn greep trok. Nu niks. En dit door twee pilletjes. De bijverschijnselen trekken weg, maar ik moet naar drie keer twee per dag. Enige eis: ik wil kunnen blijven praten. Al klink ik als een dronkelap.



Week 59: 0%

Ik moet mijn computerrijbewijs halen. Een papiertje waarop staat dat ik met computers overweg kan. Eitje, zou je denken, er wordt in deze tijd veel met pc's gewerkt wordt. Zeker door mensen zoals ik, die niet echt snelle schrijvers zijn. Om mijn computerrijbewijs te kunnen halen, moet ik vier boekjes doorwerken en voor ieder examen tenminste 75% halen. Na maanden van zwoegen had ik het eerste boekje uit en kon ik een oefenexamen gaan maken. Resultaat: 89%.
Waarop mijn leraar zei, en ik citeer: dat had ik niet verwacht. Zeker niet bij jou.
Ik lachte. 'Uw vertrouwen in mij is hartverwarmend, echt.'
'Zo bedoelde ik het niet', zei hij snel, 'je hebt gewoon vaak moeite met mijn lessen en dan komt zo'n resultaat als een verassing.'
Iedere andere student zou denk ik boos zijn geworden maar ik vond zijn eerlijkheid en vooral de manier waarop hij het bracht, wel grappig. Bovendien heeft hij gelijk: ik ben hopeloos met de computer en vraag constant om hulp. Dus hoe kwam ik dan in vredesnaam aan zo'n goed resultaat? Mijn leraar kon er met zijn hoofd niet bij en was duidelijk de kluts kwijt. Grijnzend verloste ik hem uit zijn leiden. 'Simpel, ik ben slecht in computers, maar goed in lezen, dus heb ik gisteravond het hele theorieboek gelezen.' Bij het echte examen heb ik 80% gehaald. Geslaagd dus!
Al mijn examens voor dit jaar heb ik inmiddels gedaan. Dus hoeveel procent energie heb ik nog over? Ook dat antwoord is simpel: 0%.

Week 58: Striptease
 
Uitkleden is een ware uitdaging. Voor mij dan.
Mijn jas uittrekken, verder dacht ik niet te komen. Totdat mijn ergotherapeut me overhaalde om het te proberen. Ik twijfelde, ik werd omgekleed voor het zwemmen, maar die mensen zien constant mensen in hun blote kont. Dit was anders. Uiteindelijk gingen toch de deuren op slot en de gordijnen dicht. Start! 
Het grootste obstakel was het omhoog krijgen van mijn T-shirt: doordat mijn rug operatief is rechtgezet door middel van een pen, kan ik nu erg moeilijk vooroverbuigen. 'Dit schiet niet op', hijgde ik na een kwartier sjorren, 'als dit een striptease was, moet het publiek onderhand in slaap gevallen zijn!'
Mijn ergotherapeut trok lachend mijn shirt achter mijn rug omhoog. Nu kwam er schot in de zaak. Alleen had ik, toen ik mijn shirt over mijn hoofd trok, moeite met het vinden van de ' uitgang.''Praat maar door', riep ik door de stof, 'dan worstel ik nog even verder. Geen probleem.'
Uiteindelijk was de missie (shirt en bh) geslaagd en voelde ik me alsof ik de marathon had gelopen. 'Mooi. Nu weer aan.' Ik keek mijn ergotherapeut stomverbaasd aan. Ik zag rood van inspanning, mijn haar stond (letterlijk) rechtovereind en nu moest ik alles weer aan zien te krijgen? Dat mens was gek!
'Ja, of je wilt met ontbloot bovenlijf terug naar het REA. Jouw keus.'
Ik keek haar verontwaardigd aan en ze grijnsde. 'Maar ik zie dat het tijd is, dus ik help je wel.'
Safed by the bell.

Week 57: Kunst


Het huis van mijn vader is een gigantisch museum: schilderijen, beelden en opgezette beesten. Ik ben eraan gewend, de opgezette beesten horen voor mij evenveel in het huis als onze chagrijnige kat. Dat is niet voor iedereen het geval, de eerste keer dat mijn vriend bij mij thuis kwam, was hij geshockeerd door wat hij allemaal zag. Onze bank, gemaakt van de wortels van een tropische boom, een rendiervel en een krokodil op de wc. Geen standaard inrichting, dus sleurde ik hem, voordat hij flauw zou vallen, naar mijn kamer. Waar alles lekker standaard is. Inmiddels is hij het gewend en heeft onze stenen Afrikaanse vriend zelfs een naam gegeven: Kale Jaap.
Ik heb zijn moeder voor het eerst ontmoet. Over mij had ze het bij thuiskomst niet gehad. Wel over mijn vader en de inrichting van mijn huis. Hoe apart het was. En je hing toch geen schilderijen van je ex in je huis? Zorgwekkend, dit was nog maar een klein gedeelte van pa's collectie en als ze dit al “vreemd” vond, krijgt ze de schrik van haar leven als ze hier weer komt en de rest ziet. Erger, de verzameling is zo gegroeid dat er geen kaal stukje muur meer te vinden is. Ik vind het zelfs gestoord!
Zijn ouders mogen me en hebben me uitgenodigd om bij hun thuis langs te komen. Attent, maar is dat nog steeds zo als ze me beter leren kennen en te weten komen hoezeer ik op mijn lieve vader lijk?





Week 56: Schoonheid


Echte schoonheid zit vanbinnen, daar ben ik het mee eens.
En toch.. de buitenkant kan mensen heel erg veel schaamte en soms verdriet bezorgen. Ik kan het weten, ik was tot voor kort een van hen. Een ongewenst haartje hier, een ongewenst haartje daar. De dames weten vast waarover ik het heb, het kan je heel onzeker maken. Zeker als het iemand opvalt en er iets van zegt. Ik vond het vreselijk en toen mensen aan me gingen vragen of ik nou een jongen of een meisje was, werd het nog erger. Het kwam eerder door mijn kleding dan door die ongewenste haren, denk ik nu. Ik durfde lange tijd niet bij jongens in de buurt te komen. En toen ik had besloten om iets aan die haren te laten doen, had ik net iets met mij huidige vriend. Hij wist van niets. Totdat hij toevallig het kaartje van de schoonheidssalon vond. Ik hoefde niet te vertellen waarom ik erheen ging, zei hij, het mocht. Ik vertelde het hem. Waarop hij me aankeek, mijn gezicht in zijn handen nam, en zei: voor mij hoef je het niet te doen, ik vind je mooi zoals je bent, maar als het je meer zelfvertrouwen geeft, sta ik achter je.
Ik kom tegenwoordig vaak bij de schoonheidsspecialiste en voel me stukken beter. Dus zit jou uiterlijk je ook in de weg? Bedenk dan dat overal een oplossing voor is. Dus hoofd omhoog en lach!



Week 54: Weg

Op het REA zijn de lokalen klein en zitten bijna altijd nokvol. Iedereen zit dan praktisch bij elkaar op schoot. Gezellig? Eerder vervelend. Gevangenzitten in een druk lokaal waar de lucht bedompt is, ik kan wel wat leukers bedenken. Goddank heb ik vier keer in de week allerlei therapieën waar ik naartoe moet, dus kan ik weg. Maar op maandag heb ik dat excuus niet. Geen therapieën en ik kan in de pauze niet naar buiten omdat ik die tijd gebruik om naar de wc te gaan. Het lichtpuntje waar ik dan ook de hele dag reikhalzend naar uitkeek was mijn uitje naar de bieb. Ik kon er in mijn eentje heen. Wat handig was, want ik bleef meestal uren hangen.
Maar dat kan voorlopig niet meer. Ik denk dat ik aan de meesten niet hoef uit te leggen wat er met De Blinkerd gebeurd is, de brand en dat de bieb hele erge rook en waterschade heeft opgelopen. Ik schrok vreselijk toen ik het hoorde, Ik hield echt van die plek. Natuurlijk is er nog een grote bibliotheek in Bergen waar ik heen kan, maar dan zou dat samen met mijn moeder moeten. Niet dat dat zo erg is, maar dan is het uit met een uur lang in de bieb rondsnuffelen. En de bieb in De Blinkerd was mijn toevluchtsoord wanneer ik even weg wilde zijn van alles en iedereen.
Ik hoop dat de bieb snel in eren hersteld is, want ik mis hem nu al vreselijk.


Week 53: Chic


Ik werd uitgenodigd voor de viering van het 25-jarig bestaan van Merlet. Leuk idee, maar ik kreeg behoorlijk de zenuwen. Merlet is namelijk een chic restaurant/hotel, en ik sta nou niet bepaalt bekent om mijn goede eetgewoonten. Ik doe mijn best, maar na het eten zit mijn kleding altijd onder. Als dat niet gebeurd, is iedereen, inclusief ikzelf, stomverbaasd. Mijn broertje is 5 en eet vele malen netter dan zijn grote zus. Iets wat hij ook meerdere keren kenbaar heeft gemaakt.
Ik was uitgenodigd door een vriendin, omdat er een aantal schrijvers aanwezig zouden zijn aan wie ik misschien wat tips kon vragen. Door omstandigheden was dat helaas niet het geval. Maar ik dacht: ach, zo vaak kom ik niet in een chique tent als dit, dus nu ik er toch ben, kan ik er net zo goed gebruik van maken!
De hapjes waren heerlijk en zoals verwacht ging de tweede al over mijn kleren. Niet erg, de zoutkorrels bleken goed te matchen met de kraaltjes op mijn shirt, dus niemand merkte het. En afgezien van een garnaal die in mijn gezicht uit elkaar spatte, heb ik verder geen problemen gehad.
Dus ondanks dat er geen enkele schrijver aanwezig was, heb ik het erg naar mijn zin gehad. Leuk gezelschap, lekker eten en ik heb in allemaal mooie suites rond mogen snuffelen. Ik heb het zelfs voor elkaar gekregen om niets te beschadigen, en werd dan ook geprezen voor mijn Goede rijkunsten. Wat wil een mens nog meer?

Week 51: Keuzes

Er waren maar drie jongens in mijn klas die naar een andere middelbare school gingen dan Heliomare. Helaas heb ik twee van de drie nooit meer gesproken en weet dus ook niet hoe het met ze gaat en wat ze nu doen. Maar deze week stond de derde opeens voor mijn neus. Ik moest even goed kijken voordat ik hem herkende, maar toen zag ik dat vrolijke blonde jochie van vroeger voor me.
Hij was, na het op Helio te hebben geprobeerd, naar een normale school gegaan en deed nu havo.
Ik geef het niet graag toe, maar ik voelde een steek van jaloezie toen hij me zijn verhaal vertelde. Hij was instaat geweest en had de durf opgevat om een andere weg in te slaan die hem was geadviseerd en ging gewoon op zijn gevoel af. Respect. Ik ben al 19 en heb soms nog steeds het gevoel dat mijn leven voor me wordt geleefd. Als klein meisje sta je daar natuurlijk niet bij stil, maar al rond mijn zevende wist ik al dat ik naar Helio zou gaan. Niets keuzes met risico's dat je op je bek gaat, dit is wat je moet doen. Succes.
Het leven bestaat uit keuzes: je eigen en die van anderen. En hieruit blijkt dat je soms het advies van anderen, hoe lief ook bedoeld, in de wind moet slaan en je neigen eus volgen. Daar is moed voor nodig. Maar als je vertrouwen hebt in jezelf, komt het wel goed.


Week 50: Bedankt


Dames en heren, ik presenteer u met trots mijn 50ste column!

Acceptatie is belangrijk. Acceptatie van je jezelf en van een ander.
Ik geef toe dat ik daar soms moeite mee heb. Ik wil normaal zijn, terwijl ik dat niet ben en ook nooit zal zijn. Ik zou er trots op moeten zijn. Ik bedoel, als ik normaal zou zijn, zou ik niet zoveel columns kunnen schrijven. Bovendien kan ik klagen, huilen, schreeuwen, de situatie zal daardoor niet veranderen. Ook mijn opleiding vind ik niet leuk, maar aangezien ik niet een andere optie zie en niet de hele dag thuis zitten, zal ik het afmoeten maken en kijken wat de toekomst daarna voor me in petto heeft.
Mijn liefdesleven is ook niet altijd even makkelijk, door zijn handicap kan mijn vriend niet makkelijk zeggen wat hij denkt of voelt, daardoor komt het vaak op mij neer. Daar kan ik boos om worden, maar hij kan er niet veel aan doen. Hoe graag hij dat misschien ook zou willen. Mijn leven is soms zo’n warboel van willen en kunnen dat ik er gek van word. Het enige wat dan helpt is dat ik naar buiten ga en bijvoorbeeld in het dorp, naast een bankje mijn gedachten op papier laat vloeien. Zo zijn een heleboel columns ontstaan. Het zijn er inmiddels 50 en nog steeds worden ze gelezen en nog steeds krijg ik leuke reacties. Daarvoor wil ik mijn trouwe lezers bedanken. Bedanken voor het feit dat ze mijn stukjes leuk vinden en daardoor mij leuk vinden. Precies zoals ik ben.

Week 49: Testpop


Al van jongs af aan aan ben ik een soort testpop geweest. Voor aankomend fysiotherapeuten die het vak nog moesten leren. En op wie mochten ze oefenen? Mij. Ondertussen stellen ze allerlei vragen. Niet aan mij, maar aan mijn fysiotherapeut die er ook bij zit. Al snel wordt er al in de derde persoon over me gepraat, terwijl ik er zelf bij ben. Niet dat ik op al hun vragen een antwoord zou hebben. Ik weet wie ik ben en hoe ik in elkaar zit, maar heb natuurlijk geen opleiding tot fysiotherapeut gevolgd. Maar zelfs de simpele vragen, zoals vindt ze dat leuk? Worden via mijn therapeut gesteld. Vernederend? Het kan nog erger. Voorbeeldje: ik zwem altijd op school, zo komen mijn spieren lekker los. Maar vooruit zwemmen gaat moeilijk, omdat ik met mijn ene been harder trap dan met de ander. Mijn therapeut wilde de stagiaire even demonstreren wat het verschil was tussen 'Goed' en 'Fout' zwemmen.
Dus ik maar ploeteren terwijl hij moeiteloos het ene naar het andere baantje trok en vroeg: en? Zie je het verschil?'
Ik heb hem proberen uit te leggen dat dat soort dingen pijn doen. Hij zegt dat hij het begrijpt en ik denk ook dat hij dat probeert, maar het zal hem nooit helemaal lukken. De stagiaires hebben echte mensen nodig om kennis te maken met het vak, dat begrijp ik. Maar soms wens ik dat ik in die situaties in een echte testpop kon veranderen en niks voel. Geen haat, verdriet. Vernedering.

Week 47: Hondje!!!

Even een geschiedenislesje, mijn allereerste column ging over het feit dat ik een hulphond zou krijgen. Maar er kwam geen schot in de zaak doordat er cursisten met een ernstige allergie of een grote angst voor honden op het REA schenen te zitten. Na wat onderzoek van mijn kant, bleek dat wel mee te vallen. Sterker nog, helemaal niet waar te zijn. Dit schooljaar niet tenminste. Maar wat ik ook zei of deed, volgens mijn casemanager ging het REA nog steeds niet akkoord. Zelfs niet toen ik uitlegde dat ik een hond zou krijgen die geen allergische reacties kon veroorzaken. Nu had ik dus een probleem, als het REA me geen toestemming gaf zou stichting Hulphond me onderaan de wachtlijst zetten. Of erger, me eraf halen.
Ten einde raad vertelde ik alles aan mijn maatschappelijk werkster, om mijn hart te luchten. Ik verwachtte niet dat ze me op dat gebied kon helpen. Wel dus. Stomverbaasd zag ik hoe ze nog geen week later, met de directeur in discussie ging, terwijl ik in een klein kamertje op haar moest wachten. Ik hoorde niets, behalve dan af en toe mijn naam. Niet gaan hyperventileren, beval ik mezelf. Daar schiet je niets mee op! De onderdirecteur kwam binnen. Hij wilde zich verontschuldigen namens het hele REA College Nederland. Natuurlijk waren hulphonden toegestaan! Hij praatte en praatte. En ik zat hem maar aan te staren. Hij vertrok met de woorden: laat die hond maar komen Robin. Pracht beesten zijn het!
Ik had groen licht. Eindelijk, na een halfjaar van gezeik was er daadwerkelijk iets gelukt op het REA. Niet te geloven, de tranen rolden over mijn wangen. Ik voelde me kilo's lichter. En het enige wat ik kon zeggen was: dank je wel.

Week 46: NEE


Er was deze week een lerares die kritiek had op mijn schrijfkunsten. Nu heb ik daar niks op tegen. Alleen vind ik wel dat je op zijn minst een van mijn stukjes moet hebben gelezen voordat je er negatief over praat. Niet alleen kreeg ik te horen dat mensen mijn stukjes alleen maar complimenteren omdat ze lief willen zijn. Ook moet ik mijn droom dat ik ooit een professioneel schrijfster zal worden laten varen. En er zal, volgens haar, geen enkele werkgever zijn die mij een baan aan zal bieden. En dat hoor je dan van iemand die zogenaamd jarenlang in je heeft gelooft.
Ik was woest. Het voelde alsof er plotseling een mes in mijn rug werd gestoken. Ik wilde haar slaan, haar aanrijden, haar de huid vol schelden. Maar wat deed ik? Ik bleef staan, met mijn armen over elkaar. En zei niets.
Dat is mijn grootste probleem, ik ben te braaf. Ik drink niet. Rook niet. Gebruik geen drugs en spijbel ook nooit. Als toppunt ben ik ook uitgenodigd op een vergadering van Helio om te pleiten voor verbeteringen voor de leerlingen. Een hele eer, maar een deel van mij heeft er totaal geen zin in. Mijn vader heeft me wel eens lacherig de Jean A’darc van de gehandicapten genoemd. Een bijnaam die me niet bevalt, aangezien ik me zo graag een keer een rebelse student wil voelen. Zo eentje die in een avond een hele krat bier leegdrinkt, high wordt in een discotheek, vloekt en examens niks kan schelen.
Lichamelijk kan ik misschien veel dingen niet en ik weet niet wat de toekomst voor mij in petto heeft. Maar een ding weet ik wel: ik KAN schrijven. En laat een ding duidelijk zijn: Robin Corbee geeft nooit op.

Week 45: Dwaasheid

Mijn vriend wilde wel eens wat meer zien dan mijn huis(zen). Begrijpelijk, maar om hem nou helemaal mee te nemen naar het dorp... Ik doe er zelf tien minuren over, met hem twintig. Niet dat ik er iets op tegen had, maar hij loopt op zijn spasme en ik wilde hem niet volledig uitputten. Maar uiteindelijk haalde hij me toch over.
Eenmaal in het dorp was hij inderdaad doodop en ik bezorgd. Want hoe moe hij ook was, hij wilde niet uitrusten. Ik had nog een troef achter de hand, de knipperij van Cocky. Al zei hij dat het wel ging, ik wist dat als hij niet snel even ging zitten, zou hij instorten nog voordat we thuis waren.
Goddank was Cock er en haalde ons over om even binnen te komen. Helaas was de pauze tekort, halverwege de terugweg voelde ik dat hij zijn kracht verloor. We zijn thuisgekomen, maar vraag me niet hoe. Pas toen hij zat, zag ik zijn gezicht, rood en bezweet. Hij trilde. ‘Dwaas!’, foeterde ik. ‘Waarom zei je niet dat je niet meer kon?’
‘Het ging wel. Het had alleen niet langer moeten duren. Maak je niet druk.’
‘Me niet druk maken? Er hadden ongelukken kunnen gebeuren! Ik weet dat je kan lopen, mij hoef je niks te bewijzen. En dat ik me niet druk mag maken, jammer dan, dan had je er maar voor moeten zorgen dat ik niet verliefd op je werd. Maak me nooit meer zo bang, oké?’
Hij stond op en nam me in zijn armen. Oma schudde niet-begrijpend haar hoofd toen ik hem aan haar beschreef. Ja oma, ik ben gek op mijn tegenpool. Een dappere, lieve domme dwaas.

Week 44: Ja-woord


Trouwen. Is dat niet de droom van ieder meisje? In een witte japon de dag van je leven beleven. Met diegene waar je zielsveel van houdt aan je zij.
Dat is een van mijn beste vriendinnen overkomen. Ze is ten huwelijk gevraagd op Valentijnsdag. Nee, nou zeg ik het verkeerd, haar vriend heeft gevraagd of zij zich met hem wil verloven. Van trouwen is voorlopig nog geen sprake.
Toen ik het hoorde was ik even sprakeloos. Het enige wat ik kon denken was: jeetje wat gaat de tijd snel! Ik zag weer voor me hoe we elkaar in de brugklas ontmoette. Gelijk dikke vriendinnen. We konden eindeloos giebelen over jongens. Het liefst communiceerde we door middel van ons geheimschrift. Alle woorden schreven we achterstevoren. Simpel, maar effectief.
Want zo ben ik haar na al die jaren gaan zien, ook al verschillen we nog zoveel van elkaar. Zij is een echte Amsterdamse dame en ik een simpele dorpeling, maar toch voel ik het zo. Natuurlijk hadden we wel eens bonje, maar dat duurde nooit lang en we voelen het altijd aan als er iets met de ander aan de hand is.
Ik ben echt superblij voor haar. En als ik die twee ook zo samen zie zitten, komt er altijd een glimlach op mijn gezicht. Ik geef eerlijk toe dat ik bij de stelletjes die ik ken, niet echt een toekomst voor me zie, maar bij hun zeker.
Dus ik wens mijn lieve jongere zus al het geluk van de wereld toe en hoop een uitnodiging te ontvangen als ze daadwerkelijk het ja-woord gaat geven.

Week 43: Strijd


Ken je het gevoel dat je op een koord balanceert? Een smal koord, vele meters boven de grond. Iedere vezel van je lichaam is tot het uiterste gespannen en je bent je er pijnlijk van bewust dat je door een verkeerde beweging, in de diepte kan vallen.
Ik kan niet lopen, laat staan op een koord balanceren en toch ken ik het gevoel. Alleen dan met zitten, zonder de steun van een rugleuning wel te verstaan. Dat klinkt makkelijk, maar dat is het voor mij nooit zo geweest. Stel dat al de spieren in je rug worden doorgesneden en er op de plaats van je ruggenwervel een plank wordt geplaatst. Om dan al die spieren weer onder controle te krijgen is een lange en pijnlijke zaak. Zodra ik zit en word losgelaten, moet mijn rug het werk overnemen. En zie maar eens te blijven zitten terwijl er duizenden naalden in je rug steken en die plank uit alle macht terug naar de grond wil. Het is een strijd die me op mijn kiezen doet bijten en me al na vijf seconden laat zweten. Maar het lukt me om een minuut stabiel te zitten, daarna begint het gewiebel. En niet veel later begint de strijd weer opnieuw.
Dus als het zo'n pijn doet en zoveel energie kost, waarom doe ik het dan? Simpel, ik ben dan even los van mijn rolstoel te zien. Dan ben ik Robin, een jonge vrouw die met trots opgeheven hoofd alleen op de rand van een bank zit.

Week 41: Leef


Het leven is een achtbaan. De wagentjes gaan omhoog om daarna, zonder enige waarschuwing, weer naar beneden te kletteren. Ook worden er de laatste tijd allemaal feiten op me afgevuurd: ik ben Robin en ik ben gehandicapt.
Dat is natuurlijk altijd al zo geweest en ik ben niet anders gewend. Maar er zijn periodes dat ik niet anders hoor dan de dingen die ik niet kan.
En dat is pijnlijk, maar wel de waarheid. Ik kan niet overal bij. Vanwege mijn handicap. Ik ben niet snel genoeg. Vanwege mijn handicap. Het gaat erg moeilijk worden om later een baan voor me te vinden. Ook vanwege mijn handicap.
Ik probeer niet aan al die obstakels te denken. Maar ik heb van die momenten dat al die nare feiten zich opstapelen. Net zolang totdat de boel explodeert en eruit komt in de vorm van tranen. Heel veel tranen. Zoveel dat ik me er soms voor schaam.
Maar ik ben niet de enige met dat probleem, een goede vriendin van mijn vader heeft ook problemen met haar lichaam en herkende zichzelf in mijn woorden. En zij vertelde me dat alles wat je in het leven doet (een stomme opleiding, bijvoorbeeld), later nog wel eens van pas zou kunnen komen. Eerst wilde zij danseres worden, maar haar lichaam liet dat niet toe. En kwam ze in de ziektewet terecht. Na jaren vond ze de kledingontwerpen die zij maakte als kind en nu is ze modeontwerpster.
Een baan is misschien belangrijk, maar je moet niet vergeten om goed om je heen te blijven kijken. De schoonheid van de wereld te zien. Probeer alle mooie momenten te vangen tussen de blanco pagina's van een notitieboek, adviseerde ze me. Het kleinste detail zou op een dag wel eens alles kunnen veranderen.
Vergeet niet te leven.

Week 39: Sneeuw

I
k vind het prachtig om naar sneeuw te kijken, ik krijg er altijd zo'n warm kerstgevoel van. Maar het heeft ook een andere kant. Een natte, koude, soms doodenge kant.
Een tijdje terug moest ik van het REA naar Heliomare rijden, omdat ik fysiotherapie had. Een ritje waar ik vijf minuten over doe. Tenminste, als ik snel rijd en alle weersomstandigheden mee heb. Op de heenweg sneeuwde het. Nou ja, sneeuw kon je het niet echt noemen, eerder piepkleine, bevroren regendruppels. Een erg mooi gezicht.
Maar toen ik mezelf opmaakte voor de terugweg, was het weer veranderd, het sneeuwde veel harder en de sneeuwvlokken waren veel dikker. Bovendien was het ook nog eens flink gaan waaien en was het zicht minimaal. Meestal neem ik dat soort dingen met een korreltje zout en rij gewoon naar waar ik naartoe moet, maar dit was de eerste keer dat ik echt niet durfde en bang was voor ongelukken.
Ik zou ook op Helio zijn gebleven als de batterij van mijn mobiel niet leeg was geweest en ik niet zo'n heilig boontje was, die zichzelf doodsbang afvroeg wat er zou gebeuren als ze zonder een woord te zeggen een uur te vroeg van school zou verdwijnen
Dus wat deed ik? Ik ging terug naar school. Ik zag geen hand voor ogen. Behalve de stoep, waar ik mijn blik dan ook strak op gericht hield.
Ik was zo bang dat mijn stoel er door al die nattigheid mee zou stoppen. En dat ik zou blijven steken in die witte hel. Roepend, maar niemand zou me horen.
Uiteindelijk ben ik, na een halfuur doodsangsten te hebben doorstaan, toch op school aangekomen. En het enige wat de leraar zei toen ik bibberend uitlegde waarom ik zo laat was, was: oh, dan is het niet erg.

Week 38: Liefde

Vroeger, vroeger was alles beter, dat hoor ik mijn oma vaak zeggen. Ik weet niet of dat met alles zo is, maar op het gebied van de liefde zeker.
Vroeger, op de basisschool, was het nog lekker simpel, je nam gewoon een vriendje. Het maakte niet uit wie, als je er maar een had. Een 'vriendje' kon je in die tijd vergelijken met een hippe handtas, was je hem zat, gooide hem weg. Zonder er een traan om te laten.
Tot dan toe gaat het goed. Maar dan komt de Liefde om de hoek kijken en beginnen de problemen. Je maakt kennis met het zweven op de wolken. Maar ook met het neerstorten. Met een uiterst pijnlijke landing als gevolg. Ik ben er inmiddels tot de conclusie gekomen dat Prince Charming niet bestaat. Geen enkele jongen is perfect, hij heeft altijd wel dingen waar wij, meisjes, niet tevreden over zijn. Toch is 'het uitmaken' niet meer zo simpel als dat het was. Daar zit die vervelende 'Houden van' voor in de weg. Vrouwen zijn soms erg lastig, ze willen aandacht, maar ook weer niet te veel, want dan wordt het weer vervelend. Ik krijg soms echt hoofdpijn van mezelf!
Het naïeve meisje dat in sprookjes met prinsen op witte paarden geloofde, is dus verdwenen. Grotendeels dan. Mijn oma vertelde me laatst dat ze, toen ze mijn leeftijd had, naar huis werd gebracht door mijn opa. Ze woonde langs het spoor, kilometers lang. Niet een jongeman wilde de tocht maken, omdat het zo koud was. Behalve hij.
Terwijl oma me dat vertelde, glinsterde haar ogen als die van een jong meisje.
Misschien zou een jongen dat ook ooit voor mij willen doen, samen met mij langs een ijskoud, besneeuwd, kilometers lang spoor naar huis lopen.
Ach, een meisje mag toch dromen?



Week 37: Storm

Het weer wordt guurder, dus stormt het ook vaker.
Ik ben nooit echt bang geweest als het stormde, maar dat was twee jaar geleden wel zo. Toen ging het zo vreselijk tekeer dat alle leerlingen van Heliomare eerder met het busje naar huis gestuurd, omdat het anders te gevaarlijk zou zijn.
Het busje waar mijn busgenoten en ik in zaten, schommelde net zo erg als een gammel schip. Een goede vriendin begon te huilen van angst en het werd er ook niet beter op toen een ander busgenoot begon te schreeuwen dat ons einde nabij was, waardoor haar angst nog veel groter werd. Uiteindelijk was ik het zat en riep: dit is nog niets vergeleken met de storm die Romy meemaakte, die was zo erg dat er een vuurtoren omviel. Zo. Boem! Op zijn kop in zee.’ Mijn woorden hadden het gewenste effect, iedereen was stil en luisterden naar mijn verhaal.
-------------------------------- (knip)
Ik vertelde het verhaal dat mijn vader op zijn vijfentwintigste heeft bedacht en waar mijn moeder toen tekeningen bij gemaakt heeft. Pa is nooit verder gekomen dan een aantal losse scènes, dus vroeg hij me twee jaar geleden of ik dat wilde doen en er mijn eigen versie van te maken.
En dat deed ik. Ik vertelde het verhaal en illustreerde mijn woorden door op het beslagen raam te tekenen. Iedereen leek wel betovert door mijn woorden. De angst en zelfs de tijd was vergeten. Toen de bus stopte waren mijn busgenoten allemaal teleurgesteld, ze wilde weten hoe het afliep.
Ik heb ze het eind nooit vertelt, in plaats daarvan ben ik alles nu aan het uittikken.
Hopelijk gaat over een jaar mijn allergrootste wens in vervulling, dan ga ik mijn boek naar verschillende uitgevers sturen. En misschien, heel misschien.. Komt hij dan wel in de winkels te liggen.




Week 36: De Lift... (Deel 3)

Je kent het wel, je hebt een belangrijke afspraak op de vijfentwintigste verdieping en je bent hartstikke laat, dus wat doe je? In plaats van dat de trap neemt, neem je de lift.
Gezien mijn situatie is de trap geen optie. Van boven naar beneden zou op nog kunnen, al denk ik dat dat nog voor mijn rolstoel, nog voor mij, echt prettig zal zijn.
De voorzieningen op het REA mogen dan nog zo belabberd zijn (ik citeer: een veel te klein invalidentoilet, een hooglaagbed die het niet doet en een tillift die uit de oertijd stamt. Even ter informatie, met een tillift til je mensen, met een gewone lift ga je van de ene, naar de andere verdieping), gelukkig hebben ze wel een goede lift.
Maar zelfs de allerbeste lift ontkomt niet aan de jaarlijkse controle. Dus daar kwamen ze, de twee controleurs.
Wat er precies is gebeurd weet ik niet, ik was naar ergotherapie. Maar wat ik wel weet is dat, voordat ik wegging, de lift het nog prima deed. En toen ik terugkwam niet meer. De heren stonden stomverbaasd in een lege liftschacht te staren terwijl onze telefoniste ze knarsetandend gadesloeg. ‘Ik had ze nog zo gewaarschuwd!’, siste ze woest. ‘Ik zei: we hebben hier rolstoelgebonden mensen. Waarop zij zeiden: maakt u zich geen zorgen mevrouwtje, een routineklussie, zo gebeurd.’ En nu krijgen ze hem niet meer aan de praat!’
Gelukkig voor diegenen die boven vastzaten, was het problemen in driekwartier opgelost.
Alleen zijn de heren van plan om komende week nog een keer terug te komen. Dus bij deze roep ik al mijn medecursisten om dan veilig beneden in de kantine te blijven zitten.
Of beter nog,we evacueren het hele gebouw, dan kunnen de beste mannen rustig hun gang gaan. Zolang het REA maar niet in de fik vliegt.


Week 35: Inkhart

Recht is recht en krom is krom. Simpel, toch? Maar wat nou als je hersens die twee door elkaar gaan halen? Ik heb een nieuwe elektrische rolstoel gekregen. Het probleem is alleen wel dat ik zolang scheef heb gezeten in mijn oude, dat mijn hersens dat als ‘recht’ zijn gaan zien. Resultaat: nu ik in mijn nieuwe stoel zit, echt recht, zijn ze ervan overtuigd dat ik ‘scheef’ zit, dus zo ervaar ik dat ook. Daar klopt dus niets van.
De therapeuten hebben me, met hun ingewikkelde theorieën proberen uit te leggen hoe de boel precies in elkaar zit. Zonder resultaat. Ja, een knallende koppijn van mijn kant en het besef dat er weer iets niet klopt aan mijn lichaam. Fantastisch…
Op zulke momenten zou ik dolgraag even weg willen. Weg van deze wereld en weg van mijn eigen lijf. Onmogelijk? Nee hoor, ik open gewoon de poort naar de Wereld van Inkt, gecreëerd door Cornelia Funke. Een serie boeken waarin je, als je ieder woord kan proeven, echt kan verdwijnen.
Mijn moeder gaf me het eerste deel, Hart van Inkt, nadat zij hem gelezen had, ze vond mij op de hoofdpersoon lijken. En dat klopte, de hoofdpersoon, een meisje dat verzot is op boeken en er niet zonder kan. Des te verder ik in het boek kwam, des te meer ik besefte dat ik niet op haar leek, maar dat ik haar WAS. Het tweede deel kreeg ik twee jaar later, op mijn verjaardag, ja, en zie dan nog maar gezellig te blijven doen, terwijl het enige wat je wilt doen is lezen.
En nu, na bijna drie jaar wachten ligt het derde en laatste deel eindelijk voor me.
Ik kan niet wachten om opnieuw in die wereld te verdwijnen.
In een wereld waar krom recht is en recht krom.

Aan de Duinstreek: zeg jongens, ik weet het niet hoor, maar waar blijft mijn geld???
3 maanden op mijn salaris wachten vind ik wel genoeg!


Week 34: Luca

Mijn zus Luca is niet zoals andere zussen. We zijn een eeneiige tweeling en toch zijn we beiden heel verschillend. Dat komt door onze handicap, zij is veel zwaarder gehandicapt dan ik. Zij kan niet alleen niet lopen, maar ze kan ook niet praten en is slechtziend. Is ze daarom zielig? Daarover zijn de meningen verdeeld, maar als je het mij vraagt niet. Ze is zoals ze is, ze weet niet beter. Natuurlijk is het wel eens lastig voor haar als ze iets wil duidelijk maken en het lukt niet. Maar echt ongelukkig is ze niet.

Ben ik zielig omdat ik een zusje zoals haar heb? Nee, ik vind het wel eens jammer, ik zou niets liever willen dan een normaal gesprek met haar voeren of zelfs ruziën. Maar zo is het nou eenmaal niet en ik moet de zaak nemen zoals hij is.

In mijn allereerste zelfverzonnen verhalen speelde Luca ook de hoofdrol. Iedereen dacht dat tenminste. De waarheid was dat ik over een meisje wilde schrijven en vond dat dat meisje ook een mooie naam moest hebben. En de enige namen die ik toen de tijd kon schrijven, waren: Truus, Miep en Mies. Maar die namen vond ik stom, dus werd het de enige andere meisjesnaam (afgezien van de mijne), die ik kon schrijven: Luca.

Mijn zus en ik mogen dan nog zoveel verschillen, toch houden we van dezelfde dingen. We kunnen niet naar de discotheek. Nou en? Ik zet thuis een muziekje op en dan dansen en zingen we op onze eigen manier. Van de week las ik haar voor en plotseling begon ze te lachen. Zomaar. En samen schaterden we het uit terwijl ik haar hand vasthield.

Dat zijn de bijzondere momenten. De momenten waarop ik besef dat ik altijd van haar zal blijven houden. Precies zoals ze is.

Week 33: Toevluchtsoord

Het einde van de herfstvakantie dus tijd voor de waarheid: het REA, is het wat voor mij? Antwoord: nee, niet echt. Ik heb geprobeerd de positieve kanten van de opleiding te zien en die zijn er wel, het zijn er alleen bar weinig. Dus wat nu? Ik heb geen idee. Het enige wat ik zeker weet, is dat ik de schrijverij in wil. Maar hoe en wat precies, is nog een groot raadsel.

Soms ben ik echt jaloers op mijn kleine broertje, die hoeft zich nergens zorgen over te maken, behalve dan misschien of zijn kamer wel of niet opgeruimd is.

En dan nog iets, ik ben bijna negentien en dus word het tijd dat ik na ga denken over waar ik later op mezelf wil gaan wonen. Weer een dilemma waar ik niet omheen kan, ik wil daar eerlijk gezegd nog helemaal niet bij stilstaan, want ik heb nog helemaal geen zin om het huis uit te gaan. En toch zal ik moeten, mijn ouders kunnen me immers niet voor altijd blijven verzorgen. Dit alles kan er soms voor zorgen dat ik bang word voor de toekomst (zal ik wel de goede keuzes maken?) en wil wegkruipen in een holletje.

Van de week, kwam mijn vriend langs en vroeg wat ik van het REA vond en ik vertelde hem de waarheid. Waarop hij zei: bedenk dat wat je ook doet, waar je ook belandt, al is het in Engeland, ik bij je zal zijn. Ik zag dat hij het meende en kreeg een brok in mijn keel.

Daarna zijn we naar het Potter-Huis gegaan. Eerst was het een clubhuis daarna mijn schrijfoord. En nu? Nu is het een toevluchtsoord

Een toevluchtsoord voor twee geliefden die de harde wereld met al zijn problemen willen vergeten en gewoon even gelukkig willen zijn.


Week 32: Isaac Newton

Theaterpremières. Heerlijk om naar te kijken, maar doodeng voor diegene die de voorstelling hebben gemaakt. Zou alles wel goed gaan? En nog belangrijker: wat zal het publiek ervan vinden? Ik werd uitgenodigd om naar de nieuwe voorstelling van Ila van de Pouw, de Appel die naar de Maan viel, te komen. Eerst twijfelde ik of ik wel moest gaan, de voorstellingen van Ila zijn per slot van rekening voor kinderen. En de laatste keer dat ik naar een voorstelling van haar ben geweest, was jaren geleden. Alleen al bij het idee dat ik tussen al die kids zou zitten, lag ik in een deuk. Maar toen de uitnodiging van twee kanten bleek te komen (van Rob Bloemkolk, die de teksten van het stuk heeft geschreven en Gerda, die de poppen gemaakt heeft), besloot ik toch maar te gaan. En zal ik eens wat zeggen? Ik heb geen seconde spijt gehad. Het stuk gaat over het leven van de wereldberoemde wetenschapper Isaac Newton. Een link gegeven, zeker als je bedenkt dat je een stuk speciaal voor kinderen maakt. Zoals Rob al zei, je kan op het podium moeilijk les gaan geven over de zwaartekracht. Daar jaag je de bezoekers eerder mee weg dan dat je ze aantrekt. Maar daar hebben ze een mooie tussenweg voor gevonden. De voorstelling gunt het publiek een blik op het leven van Isaac Newton, een man die gek werd bevonden door zijn tijdgenoten. Tja, het is maar hoe je het bekijkt, als meneer Newton in de eenentwintigste eeuw had geleefd, had men hem geniaal gevonden, een geniale autist die het moet hebben van de liefde van zijn huisdieren en huishoudster.Dus is deze theatervoorstelling alleen voor kinderen? Nee. Dit is een typisch voorbeeld van een lekkere ouderwetse familievoorstelling. Geschikt voor jong en oud.


Week 31: Woorden

'Ik zoek dat meisje met een boek onder haar arm.' Als iemand dat zei, wist iedereen wie hij bedoelde. Mij. Ook op de middelbare school werd ik al snel: dat meisje met een boek.'Ik ga nooit zonder leesboek de deur uit, dat is al zo geweest zolang ik me kan herinneren. Al van jongs af aan doe ik niets liever dan het creëren van mijn eigen wereld of op verkenning gaan in een nog onbekende wereld, te vinden tussen de bladzijden van een boek Terwijl de meeste kinderen computerspelletjes speelden, zat ik gewoon lekker te lezen. Mijn verhalen baseerde ik in het begin dan ook op andere boeken. Mijn allereerste verhaal heette: Snorrebaard heeft Rodekoolziekte. Gebaseerd op de boeken over Pinkeltje. Later baseerde ik ze op de verhalen van Harry Potter gemixed met die van Oliver B. Bommel.Als klein meisje las ik op het schoolplein ook liever een boek dan dat ik met de andere kinderen speelde. Iets wat de leraren zorgen baarde. Later vormde ik met twee andere vrienden de Harry Potter-club. Iedere pauze speelde we scènes uit de Potter-boeken na en gaven er allerlei grappige draaien aan. Ik koester veel warme herinneringen aan die tijd en vind het vreselijk jammer dat ik de twee andere leden van de Potter-club, Mathijs en Annika, haast nooit meer spreek.Sommige mensen wachten op de komst van een film of computerspel, ik wacht met smart op de komst van een boek. En als het wachten me te lang duurt ga ik opzoek naar de Engelse versie. Mijn mondelinge examen Engels ging dan ook over de populariteit van Harry Potter. En dankzij Harry kreeg ik een negen.Kortom, als ik niet bezig zou kunnen zijn met het geschreven woord, schrijvend of lezend, zou ik gewoon ik niet zijn.

Week 30: Ruud Vermeer


Zaterdagavond. Mijn vader had een feestje. En ik? Ik zat alleen thuis. Nou ja, niet alleen. Mijn beste vriendin was er ook en we hebben ons prima vermaakt. Toch had ik erbij willen zijn. Het was namelijk geen gewoon feestje, het was een feestje van een goede vriend van me, Ruud. Zijn bedrijf, Meneer Vermeer Tuinen, bestaat namelijk twaalf en een half jaar.
Ruud is me heel dierbaar. Nu ik er zo over nadenk, is hij de reden dat ik bekend werd in Schoorl. Ik ben de eigenaresse van het Potter-Huis, beter bekend als ‘boomhut voor gehandicapten.’ Een hele groep vrienden en kennissen heeft die speciaal voor mij gebouwd, maar Ruud heeft hem ontworpen en was dus ook steeds aanwezig bij de bouw ervan.
Dat was het project ‘Potter-Huis,’ wat ik niet wist, was dat Ruud nog een project op poten had gezet. Een project waar niet alleen ik, maar ook mijn zus veel aan heeft gehad. Toen mijn zus en ik nog heel klein waren en het duidelijk werd dat we nooit zouden kunnen lopen en mijn zus slechtziend was, liet Ruud het er niet bij zitten. Hij ontwierp een tuin waar ik goed in zou kunnen rijden. Met veel lekker ruikende bloemen en planten die geluid maken in de wind zodat mijn zus ook plezier zou hebben in de tuin.
Dit alles heb ik nooit geweten. Mijn vader kwam er pas mee toen ik met deze collumn bezig was. Nu ik het weet zou ik hem daar graag voor willen bedanken, maar om dit zeventien jaar na dato te doen is een beetje laat, vind ik. Dus doe ik dat niet. In plaats daarvan feliciteer ik hem met het twaalf en een half jarig bestaan van zijn bedrijf. Maar niet met een bloemetje. Gewoon, met een collumn.

Week 29: Perfect Kado


Verjaardagen. Een groot drama. Ik vergeet ze. Of, in het zeldzame geval dat ik dat niet doe, heb ik geen flauw benul wat ik dan precies moet kopen. En in het is me nog nooit gelukt om in het dorp iets geschikts te vinden (niet lullig bedoeld naar de winkeliers), dus raak ik snel door mijn opties heen. Vroeger deed ik altijd heel dapper beloftes die ik nooit nakwam. Eerst waren het tekeningen, later werden het verhalen die ik voor bepaalde mensen zou schrijven. Ik geloof zelfs dat ik de vriend van mijn moeder al vijf jaar een verhaal schuldig ben!

Alleen heb ik nu een probleem, mijn vriend is binnenkort jarig en ik wil iets leuks voor hem regelen. Een minpunt is wel dat hij een echte computerfreak is en ik niet. Daar verschillen we dus sterk in. Hij kan uren doorkletsen over computers, maar ik kan niet voorkomen dat ik na tien minuten glazig voor me uit begin te staren.

Hij wil zijn verjaardag ook eigenlijk niet vieren, iets wat mijn zoektocht naar het perfecte cadeau nog moeilijker maakt. Uiteindelijk heb ik besloten om een bioscoopbon te kopen. Oké, het is dan misschien niet het meest persoonlijke cadeau wat je je kan bedenken. En de meeste films haalt hij toch van het internet, maar he, er gaat toch niets boven het zien van een mooie film op het grote, witte doek? Ook heb ik een kaart met hartjesballonnen erop gekocht. Geen idee wat ik daar precies mee ga doen. Als ik eerlijk ben had ik nooit van mezelf gedacht dat ik überhaupt zoiets zou doen. Zo zie je maar weer, men doet onverwachte dingen waarneer men verliefd is. Ik ben columniste en geen dichter, maar toch denk ik dat ik nu op de poëtische tour ga.

Week 28: Herfst

Hoera, de herfst is weer in het land! Veel mensen worden depri zodra de eerste blaadjes beginnen te verkleuren. Ik niet, ik hou er juist van. ik vind het heerlijk om door het bos te rijden (rijden, niet racen, zoals de meeste mensen van me gewend zijn), naar al die prachtige kleuren te kijken en die lekkere herfstgeur op te snuiven. Daar word ik heel rustig en blij van. Over rust gesproken, het gaat steeds beter op het REA. Vlak voordat het schooljaar begon, sprak ik mijn lerares Frans, Hester. Ze maakte zich zorgen, vroeg zich af of ik wel de juiste keuze had gemaakt door naar het REA te gaan, daarna heb ik haar niet meer gesproken. Misschien maar goed ook, ik was in het begin echt niet happy en als ze dat had gezien was ze zich alleen nog maar meer zorgen gaan maken. Maar er is de afgelopen dagen iets veranderd, ik ben mijn medecursisten anders gaan zien en heb beseft dat ik meer op ze lijk dan dat ik eerst had gedacht.. Hoe verschillend we ook zijn, een ding verbindt ons, we willen allemaal iets bereiken in deze maatschappij. Toen ik van de week terugkwam op Heliomare voor fysiotherapie en het plein rondkeek, verwachtte ik dat ik me triest zou voelen en terug zou willen. niet dus. Ik bekeek alles van een afstandje en besefte dat ik er niet meer bij hoorde. Erg vond ik dat niet, ik hoorde nu niet meer daar, maar bij het REA. Mam zei tegen me: 'Voor de herfstvakantie ben je daar gewend. En wie weet, misschien vind je het nog leuk ook.' Ik geloofde daar niet in, maar nu weet ik dat ze gelijk had. Nog voor de herfstvakantie zal ik een echte REA-cursist zijn. Al mijn zorgen waaien nu dus heerlijk met de herfstwind mee.

Week 27: Autisme

Autisme. Een van de lastigste handicaps die er zijn. Ook het lastigst uit te leggen. Mensen met autisme hebben vaak moeite met het begrijpen van emoties, dat is waarschijnlijk de makkelijkste manier om het uit te leggen. Ruben, een van de meest bijzondere mensen die ik ooit heb ontmoet, is ook autistisch. En slim. Heel erg slim. Ook al begreep hij er niets van als iemand huilde, hij wilde helpen, dus probeerde hij het wel. Ik heb erg lang gedacht dat hij beter af was met zijn autisme, dan ik met mijn lichamelijke handicap. Fout. Drie jaar geleden stierf er een geliefde leerling van Heliomare, iedereen rouwde voor hem in de kantine. Iedereen, maar Ruben was nergens te bekennen. Ik maakte me zorgen, dus ging ik naar hem opzoek. Ik vond hem buiten. Hij zat op de grond en staarde triest voor zich uit. `Ik kan niet verdrietig zijn', zei hij. `Dat hoeft toch ook niet?', zei ik. `Je begrijpt het niet', zei hij. `Mijn moeder stierf toen ik zeven was en zelfs daar heb ik nooit om gehuild.' Hij keek me aan en vroeg: `Waarom ben ik zo gevoelloos Robin?' Ik had tot dan toe nooit beseft hoe lastig het moest zijn om geen emoties te kunnen begrijpen. Ruben zag overal om hem heen huilende mensen, maar omdat hij zelf niet verdrietig was, voelde hij zichzelf een slecht mens en was kwaad. Ik heb hem zo goed mogelijk proberen uit te leggen dat dat niet zo was. Hij was dan wel autistisch, maar hij had een goed hart. Ik ga al met autisten om zolang ik me herinner, soms blijft de omgang voor beide kanten moeilijk. Voor mij is dat normaal, daarom dreef ik vorige week in mijn column ook een beetje de spot met ze. Dat was niet lullig bedoeld.

Week 26: BSV


Ik heb lang getwijfeld of ik deze collumn wel moest plaatsen. Ik vond (en nog steeds eigenlijk) dat ik te hard ben geweest tegenoer mensen met autisme en mijn medecursisten.
Maar om in zo'n korte tijd zovee mailtjes te hebben ontvangren waa mijn collumn blijft, plaats ik hem tcch.
komt ie:

BSV

BSV. Oftewel: Beroeps sociale vaardigheden. Geen idee wat dat vak precies inhield. Mijn vriend wel. Hij zuchtte en zei dat ik mijn verstand op nul moest zetten, des te sneller was het voorbij. Maar wat er precies zo erg was aan dat vak, wilde hij niet zeggen. Dat zou ik wel merken.
Eenmaal in een overvol lokaal aangekomen, kreeg ik een boekje met op de kaft twee kinderlijkgetekende poppetjes die elkaar een hand gaven. Eerste opdracht: naar foto’s van mensen kijken en hun emoties erboven schrijven. Ik dacht dat het een grapje was, deze opdracht was zo simpel dat zelfs een kind van zes hem nog foutloos had kunnen maken. Niet dus, het was wel degelijk serieus bedoeld.
Toen sommige van mijn medecursisten de opdracht niet begrepen, was ik verbaasd. Toen ze allemaal door elkaar begonnen te blèren over welke emotie bij welke foto hoorde (terwijl dit een opdracht was die ieder voor zich moest invullen), begon ik te vermoeden wat hier aan de hand was. En toen een van de heren met zijn hoofd tegen de tafel wilde gaan slaan omdat hij er niet uitkwam, wist ik het zeker: ik was in een klas vol autisten belandt.
Des te verder het lesuur vorderde, des te meer ik me aan de hele zaak begon te ergeren. Wat deed ik hier? Ik voelde me weer net als op de basisschool, toen we in een kring moesten gaan zitten en ons gevoel moesten analyseren. Ik kon het mis hebben, maar ik was toch geen tien meer? Ik kon mijn tijd wel beter besteden.
Tweede opdracht: het uitbeelden van een emotie. Tegen de tijd dat ik aan de beurt was, was ik zo opgefokt, dat mijn emotie, ‘Agressie,’ me heel goed afging en iedereen zwaar onder de indruk was van mijn acteertalent.

Week 25: Opvallen

Sommige mensen doen er alles aan om op te kunnen vallen. Ze gaan naar shows zoals: Idols, X-factor en Popstars. Al staan ze nog zo erg voor schut, het maakt hun echt niets uit. Als ze maar even gezien worden door de rest van de mensheid.
Ik snap die drang om op te vallen niet, ik val al mijn hele leven op en geloof me, leuk is anders. Ik ben opgegroeid in een hele kleine beschermende wereld, ik kende iedereen en iedereen kende mij. Dat ik in een rolstoel zat, vond men heel normaal dus kwam het niet in me op dat ik anders was. In de vakanties wel natuurlijk, met al die starende toeristen. Maar vakanties lopen ten einde en toeristen vertrekken.
Pas met de komst van mijn kleine, niet-gehandicapte broertje Jona, drong dat pas goed tot me door. En nu ik op het REA College zit, ben ik niet langer gewoon Robin, het meisje dat graag leest en schrijft. Nee, nu ben ik opeens Robin Corbee, het spastische meisje die in een elektrische rolstoel zit en daardoor overal hulp bij nodig heeft.
Ik weet hoe het is om gehandicapt te zijn, ik was alleen vergeten hoe het was om je ook zo te voelen. Toen ik in een overvolle gang met verbaasde cursisten in de tillift gehezen werd, wist ik dat weer: het voelde klote.
Ik ben een van de gehandicaptste cursisten daar en ik ben nieuw, ook dat telt mee.
Gelukkig is het inburgeringproces al begonnen en beginnen mijn medecursisten te zien dat ik behalve scherpe ogen een scherpe tong heb. Het zal niet lang meer duren voordat ik opga in de massa en opval door mijn talenten. Schrijven bijvoorbeeld
Zoals meneer Henk-Jan Smits zou zeggen: We zien u graag terug in de volgende ronde.

Week 24: Chinees

Als je naar een nieuwe school, of in mijn geval, college gaat, lijkt het wel alsof je weer helemaal opnieuw moet beginnen. Alles is anders: de omgeving, taal en manier van omgang.
Ook voor de vakken waar ik vroeger totaal geen moeite mee had, lijkt die regel te gelden
Voorbeeldje: ik mag dan totaal geen wiskundeknobbel hebben, begrijpend lezen ging me altijd goed af. Totdat ik een tekst genaamd ‘Archiveren’ voor mijn neus kreeg. Net Chinees. Het heeft me ongeveer een uur gekost voordat ik een beetje door begon te krijgen wat er stond.
Een uur later brak het zweet me weer uit, want nu kreeg ik precies dezelfde tekst voor mijn kiezen. Alleen nu in een andere les. Terwijl ik het boek opensloeg haalde ik een paar keer diep adem en bereidde mezelf voor op een nieuwe vloedgolf van onbegrijpelijke woorden. Die kwam niet. Mijn mond viel open: ‘Maar dit is Nederlands, dit begrijp ik!’
Verbaasd vroeg de leraar me wat ik dan had verwacht.
‘Chinees’, bekende ik. ‘Net als bij die andere les.’ Waarop hij vreselijk hard moest lachen.
Ik had gelijk, zei hij. Sommige teksten van de LOI hadden, voor wie er niet mee bekend was, inderdaad veel weg van Chinees. Maar het zou me nog verbazen hoe snel ik dat soort ‘Chinees’ onder de knie zou krijgen.
Iedereen die ik ken, begint zijn draai aardig te vinden op het REA. Ik nog niet echt. Behalve het Nederlands heb ik nog niet echt iets gevonden wat mijn aandacht trekt.
Maar dit is pas mijn eerste week als cursist daar, ik moet de boel wel een kans geven. En wie weet, misschien lees, spreek en schrijf ik over een paar weken vloeiend Chinees en vind ik het nog leuk ook.
We zullen zien.

Week 23: Gokken

Soms kom je op een punt in je leven dat je niet kan zien wat er voor je ligt. Op zo’n punt sta ik nu. Ik ga een opleiding tot secretarieel medewerker doen terwijl ik niet weet of het wel bij me past. En zal ik eens wat zeggen? Ik doe het in mijn broek van angst. Nog nooit heb ik zo graag in de toekomst willen kijken om te zien of ik de goede keuze heb gemaakt.
Het REA College was een van de weinige keuzes die ik kon maken. En het was een gok.
Veel mensen zijn niet blij met die gok, ze zijn bang dat secretarieel medewerker niet bij me past. Ik twijfel ook. Erger dan ze waarschijnlijk denken.
Aan de andere kant, ik ben aardig goed in gokken.. Dit afgelopen jaar hing van allerlei kleine gokjes aan elkaar. De operatie aan mijn rug vorig jaar was ook een gok. Ik wist niet zeker of ik het wel moest doen. Ik heb het wel gedaan en als ik eerlijk ben was ik in het begin niet echt blij met het resultaat, maar nu gaat het stukken beter. Een goede gok dus.
Nog een wijze les: soms moet je je angsten laten varen en blanco, zonder een enkele verwachting, een nieuwe ervaring in gaan. Die theorie heeft me een boel mooie dingen opgeleverd. Een lief vriendje bijvoorbeeld.
Eerst was ik zo bang dat er weer iets mis zou gaan, dat ik hem per ongeluk een mep zou verkopen. Of, nog erger, hem zou onderkotsen. Maar toen ik mijn angsten liet varen en mijn verwachtingen wat bijstelde. (Niet direct trouwplannen maken), ging het stukken beter.
Het wordt vast een moeilijk jaar, maar ik vertrouw erop dat ik goed heb gegokt.
En met mijn vrienden en lieve vriend aan mijn zij, weet ik zeker dat ik het wel overleef.

Week 22: Terug in de haven

Een hond kan nog zo’n lief baasje hebben, als hij de hele tijd aan de lijn moet, gaat hij grommen en uiteindelijk bijten.
Zo’n situatie had ik op mijn vaarvakantie. Ik was de hond en Elly (mijn persoonlijke begeleidster daar), was mijn lieve baasje.
Een van de regels voor de begeleiders was: verlies je pupil (hond dus) geen moment uit het oog. Een goede regel voor mensen met een verstandelijke beperking. Een slechte voor twee opstandige dames, zoals ik en mijn vriendin Wendy. Wij wilden gewoon doen waar we zelf zin in hadden, alleen met twee begeleiders die ons steeds op de nek zaten, werd dat moeilijk. Waarom zeiden we er niets van? Simpel, we konden dat niet over ons hart verkrijgen.
Ook al waren ze vreselijk bemoeizuchtig, ook al lieten ze ons geen moment met rust, ze hadden een goed hart. Ze dachten dat wat ze deden goed voor ons was.
Ik heb het geprobeerd, echt boos worden. Nog voordat ik iets kon zeggen, trakteerde Elly me op een Cola of kocht een adressenboek voor me. Ja, daar zit je dan met je boosheid.
Veertig jaar werken in de zorg en ze dacht dat ze alles wist.
Klein voorbeeld: Elly, m’n accu is bijna op, we moeten terug.
Welnee, hij redt het nog wel.
Nou..
Kom, als hij ermee stopt duw ik je.
Hij redde het. Tot het hoogste punt van de oprijplank van de boot.
Rij nou door.
Gaat niet.
Rij nou door.
GAAT NIET DE ACCU IS OP, M’N STOEL DOET NIKS MEER!
Ik moet het Elly nageven, ze is sterk. Dat een vrouw van 66 een stoel van 220 kilo op zijn plaats weet te houden terwijl de zwaartekracht eraan trekt, is knap.
Kortom, het was een vakantie vol spanning en avontuur.

Week 21: Bootje varen

Kattig, maagklachten en geen concentratie bij het lezen. Dat kan maar een ding betekenen: Robin gaat op reis.
Ik heb vier dagen naar mijn koffer zitten staren zonder iets te ondernemen. Het probleem is denk ik, dat ik gedeeltelijk nog niet weg wil. Ik wil graag even weg uit Schoorl. Weg van al die domme starende toeristen en er zelf een worden. Een domme starende toerist dus. Even weg van mijn ouders. De vrijheid proeven. Heerlijk! Alleen voor het gedeelte waarin een wildvreemde me straks au naturel zal zien en mijn bips zal moeten afvegen, loop ik nog niet echt warm.
Echt alles moet ik meenemen: tillift, wc-stoel, medicijnen, noem maar op. Het is nogal een werk, maar het is het waard. Niet alleen kan ik daarna lekker met mijn vriendinnen keten op het schip, ik leer ook nog eens een hoop leuke, nieuwe mensen kennen en kan zo mijn zelfstandigheid trainen. En, ook niet onbelangrijk, dan is mijn vader vijf dagen van me verlost.
Het is precies zoals vorig jaar, toen had ik ook geen zin maar ben toch gegaan.
Ik ben iemand die het heerlijk vind om ergens rustig te lezen of te schrijven Alleen.
Na vijf dagen met 150 man hutje mutje te hebben geleefd en geen privacy te hebben gehad werd ik dan ook gillend gek. Ik beloofde mezelf dit nooit meer te doen.
En toch pak ik nu weer mijn koffers om met diezelfde boot op reis te gaan. Het heeft wel wat, met een groepje gezellige mensen op een terrasje zitten en vreemde steden bekijken.
Daarom ga ik weer mee, omdat ik weet dat ik het ondanks mijn gemekker over de verzorging en gebrek aan rust, het toch leuk vond de vorige keer.
Kortom, ik ga genieten, dat weet ik zeker.

Week 20: Familie

Ik heb twee levens: eentje bij mijn moeder en een bij mijn vader. Ze zijn gescheiden, maar wonen alletwee op hetzelfde erf, op een afstand. Erg handig, als ik het zat ben bij de een, ga ik gewoon even buurten bij de ander. Ook heb ik een tweelingzus Luca, die helaas niet thuis woont omdat ze naast lichamelijk, ook verstandelijk gehandicapt is. Het zou te zwaar zijn voor mijn ouders om ons beiden te verzorgen.
Dat was mijn gezinsituatie de eerste dertien jaar, wist ik veel dat ik op mijn veertiende nog een halfbroertje zou krijgen! Jona. Door hem veranderde mijn leven totaal. Ik realiseerde me niet dat hij later alles zou kunnen wat ik niet kan: lopen bijvoorbeeld.
Het was pijnlijk voor mij toen hij kon staan. Nog pijnlijker toen hij op me af kwam lopen. Ik was jaloers, stikjaloers. Maar het wende, sneller dan ik had gedacht. En het romantische beeld dat ik had van een halfbroertje, dat hij altijd naar me zou luisteren en rustig bij me zou blijven zitten terwijl ik hem voorlas, is totaal verdwenen!
Mijn ouders zijn al minstens tien jaar gescheiden, maar ik ben het hebben van twee huizen pas de afgelopen vier jaar echt gaan waarderen. Bij mijn vader heb ik rust, kan ik uitslapen zonder om zeven uur gewekt te worden door het vrolijke gekwek van Jona. Alleen als ik dan weer een tijdje bij mijn pa ben geweest, merk ik dat ik het te stil vind. Dat ik hem mis.
Ondanks dat ik de middelste ben, heb ik me altijd de oudste gevoeld. Ik zou alles willen doen om mijn zus gelukkig te zien. En toen ik Jona als baby in mijn armen hield, beloofde ik hem in stilte om hem tegen alle soorten kwaad te beschermen.
Proberen tenminste.

Week 19: Walibi

Gezellig met alle leerlingen nog een dagje weg. Ter afsluiting van het schooljaar, dat moet het schoolbestuur hebben gedacht. En waar ging de reis naartoe? Walibi.
Ook een leuke keuze voor de rolstoelers (waaronder ik) die in geen enkele attractie kunnen. Daarom gingen velen van hen ook niet mee. Uit protest
Ik was het met hen eens en toch ben ik meegegaan. Ter afscheid.
Naar gillende mensen in achtbanen kijken is best geinig, maar het gaat snel vervelen. Daarna slaat de irritatie toe. (ik verveel me, waarom kan ik nou nergens in?).
Vooral dit laatste stadium moet je zien te vermijden. Daarom neem ik ook altijd een goed boek mee naar dat soort gelegenheden. Heb ik tenminste iets te doen.
Deze keer zat ik lekker in het zonnetje te schrijven toen er een lerares langskwam. Ze vond het sneu dat ik nergens in kon. Daar moest ik om lachen. Als ze me echt zielig vond, waarom was er dan niet beter over dit schoolreisje nagedacht?
Op de verzorgingsbank van de EHBO post (ja, ze hebben een goede verzorgingsbank. Drie zelfs! Dat zijn dus drie pluspunten) bedacht ik me opeens dat ik nu voor de allerlaatste keer werd verzorgd door de heldinnen van Heliomare. Ik keek ze aan en het enige wat ik kon zeggen was bedankt. Er viel een stilte waarin we naar elkaar glimlachte en knikten. Meer was niet nodig. Een mooi en droevig moment dat ik nooit meer zal vergeten.
Het uitje eindigde met een bittere nasmaak, iedere schoolverlater was stil, het afscheid naderde en dat deed pijn. Zelfs ik, die altijd wel wat op Helio aan te merken heb gehad, had een brok in mijn keel.
Ik was het niet altijd met ze eens, op Helio, maar toch zal ik ze allemaal vreselijk gaan missen.

Week 18: Stuk

Een lekke band. Vervelend, maar geen groot probleem, je plakt hem of gaat gewoon met de bus. Bij mijn elektrische rolstoel is het wat ingewikkelder, als daar iets aan mankeert, heb ik een wel groot probleem. Mijn rolstoel is mijn benen, zonder kan ik geen kant op. Helaas gebeurt dat maar al te vaak.
Vorige week bijvoorbeeld, een kabeltje kreeg kuren en ik kwam nauwelijks nog vooruit. Draaien was al helemaal een feest!
Dat was op zich nog niet zo erg, een nieuw kabeltje en ik reed weer. Nee, een kapotte aandrijvingmotor, dat is pas een ramp! Je merkt er niks van als hij stuk gaat, je hoort geen tik of klap, je rijdt op een gegeven moment gewoon tegen een paal of muur op. Of je kunt alleen nog maar pirouettes draaien. Een leuk gezicht, alleen erg frustrerend voor de inzittende.
De dingen die ik tot nu toe heb opgenoemd zijn misschien irritant en lastig, gevaarlijk zijn ze niet. Ik was nooit bang om gewond te raken als mijn stoel kuren kreeg. Tot een maand geleden.
Gekraak achter mijn linkervoorwiel. Ik dacht dat het niks voorstelde, gewoon een beetje olie en probleem opgelost. Ik reed uit de lift terug naar school, zoals gewoonlijk met mijn koptelefoon op, er ging een rilling door mijn stoel, geschrokken merkte dat ik hem niet meer onder controle had, ik begon te slingeren, het voorwiel stond op het punt om eraf te vliegen.
Ik ben nog nooit zo bang geweest, als ik om zou vallen, zou ik een zeker een arm breken of een hersenschudding oplopen. Trillend kwam ik op school aan. ik hing in de tillift toen de monteur kwam. Hij raakte het wiel aan die gelijk in zijn hand viel. Net op tijd dus.
Een hoeraatje voor Ko de monteur, mijn redder.

Week 17: Blijf proberen

Halleluja, de eindexamens zijn voorbij. Heb het idee dat ik er goed voorsta, ook al heb ik nog niet alle cijfers. Nu ik toch bezig ben wil ik iedereen bedanken die voor me heeft geduimd.
Ik hoef niets meer te doen, je zou dus zeggen dat ik klaar ben. Is niet zo, niet helemaal tenminste. Voordat ik vertrek wil ik nog een antwoord. Het antwoord op een vraag die ik in mijn vorige column R-E-S-P-E-C-T, stelde: Waarom mag een afdeling van de school wel, en de andere niet staatsexamen doen?
Voor dat antwoord moet ik bij de directeur zijn, dus heb ik twee afspraken met hem gemaakt. Geen van beiden zijn door gegaan, als ik niet beter wist, zou ik denken dat hij me ontloopt Zou hij mijn column gelezen hebben?
Echt vlekkeloos ging dat trouwens niet, afspreken met meneer de directeur, ik kon hem niet vinden en toen ik me omdraaide om weg te rijden, reed ik hem bijna aan. Een goede eerste indruk dus.
De eerste afspraak ging niet door omdat hij nog een belangrijke afspraak had die hij was vergeten, de tweede door toedoen van mijn eigen mentrix, die wat met hem moest bespreken. Pissig was ik wel, vooral de eerste keer, onze afspraak werd afgezegd op een manier alsof wat ik te zeggen had, toch niet belangrijk was. Nee, de tweede keer was leuker
Masja (mijn mentrix), kwam naar me toe en zei dat het de directeur speet, maar het was haar schuld, niet de zijne. Of ik dat wilde onthouden.
Later kwam ik hem zelf tegen en hij herhaalde die woorden.
Hij zei dat ik moest blijven proberen en liep door.
Toch een aardige vent die man, maar hij is nog lang niet van me af en dat weet ie,

Week 16:  R-E-S-P-E-C-T!

Eindexamens, iedereen is ervan af, maar ik moet volgende week aan de bak.
Over een paar weken zal ik de deuren van Heliomare voorgoed achter me sluiten. Gek idee is dat.
Vergeten zullen ze me niet snel. Ik ben nooit bang geweest om dingen ietsje anders te doen dan de bedoeling was of mijn mond open te trekken als ik dat nodig vond. Zo ben ik, zo blijf ik (dus ze mogen hun hart wel vasthouden, daar op het REA) en zo zullen ze me ook altijd blijven herinneren.
Ze kennen me niet anders, daar op Heliomare. Waarom zou ik niet nog een keer mijn mond opendoen over iets waar ik het niet mee eens ben.
Bij ons op Helio heb je de Havo, BL (beroepsgerichte leerweg), TL (theoretische leerweg) en PRO (praktijkonderwijs). Officieel gezien vallen wij nog onder het primair-onderwijs, dat betekent geen standaard voortgezet onderwijs examen en dus ook geen officieel diploma. Alleen de TL mag staatsexamen doen. Wij niet. Dat is toch oneerlijk?
Ik ben een strebertje, heb vijf jaar mijn stinkende best gedaan en nu het examentijd is heb ik het gevoel dat sommige leraren het helemaal niet serieus nemen. We krijgen een certificaat waar we, vind ik, soms haast niets voor hoeven te doen.
Nou, nieuwsflits, IK wil dat wel! En als ik het dan toch met zo’n stom certificaatje moet doen, laat het dan ASJEBLIEFT een mooie zijn! Zo eentje van zwaar geel perkament, met een mooi rood lakzegel en een lintje eromheen Noem me ouderwets, maar ik wil waar voor mijn geld.
Het schoolbestuur gaat proberen een staatsexamen te verwezenlijken. Ik ga weg, dus ik zal dat niet meer meemaken. Ik hoop alleen dat er meer leerlingen zullen komen, net zo koppig als ik, die ook een echt diploma willen. Een bewijs van wijsheid en een teken van respect.

Week 15: Vuurtoren

De vakantie is voorbij en iedereen komt thuis met verhalen, de een nog mooier dan de ander.
Ik ben een avontuurlijk typ, al zeg ik het zelf. Ben al in Frankrijk, België en Schotland geweest. Dus dat gehandicapten niet op vakantie kunnen, is onzin. Mijn goede vader zei altijd: Robin, mijn meisje, zolang het mogelijk is, moet je zoveel mogelijk van de wereld zien. En daar houd ik mij aan.
De allermooiste vakantie die ik heb meegemaakt was in Ierland, waar ik twee weken in een vuurtoren aan de ruige kust van de Wicklow Mountains heb gewoond
Zie je het al voor je, een meisje in een elektrische rolstoel die in een vuurtoren uit 1700 woont. Dat is nog eens moeilijk aanpassen voor de gemeente! Toch hebben we die stunt met zeven man uitgehaald. Bovendien werd ik iedere dag een trap van 150 treden op en af gezeuld, omdat ik per se op de eerste verdieping wilde slapen. Hoe? Ken je de kaasdragers techniek? Ik hing in een soort zak met vier lussen en werd zo de wenteltrap op en af gedragen terwijl ik hardop de treden telde.
Ik ben ook naar het huis van mijn eeuwige idool, Marten Toonder geweest. Helaas was hij er zelf niet, maar ik heb een brief voor hem achtergelaten. Minutenlang heb ik roerloos in zijn tuin gestaan, iedere struik, boom en heg had de vorm van een personage uit de Bommelboeken. Ik weet nog hoe ik naar het hoofd van Heer Bommel keek en fluisterde: Meneer Toonder, ik wil ook schrijfster worden en ik zal net zolang oefenen totdat ik evengoed ben als u.
Precies op dat moment streek er briesje langs mijn gezicht, het voelde als een teken van goedkeurig. Ik geloof dat ik vanaf toen in het bovennatuurlijke ben gaan geloven.
Het hogere –zo gezegd- als u begrijpt wat ik bedoel.

Week 14: Heldinnen

P, Netrje en San, dat zijn een aantal van de dames die bij mij op school werken als assistentes, maar zij werken niet alleen, er zijn nog heel veel andere lieve meiden.
Als kleine brugpieper vond ik het vreselijk dat ik steeds door iemand anders verzorgd moest worden, de dames merkte dat en stelde me op mijn gemak. En nu, vijf jaar later, ben ik als een openboek voor ze. Doordat je zo intiem met elkaar bezig bent maak je heel wat dingen mee.
Ik was een keer heel driftig, Annet gaf me een stalendeksel die ik tegen de muur smeet en de vloer vervolgens versierde met wc-papier. Gevolg: een dikke knuffel.
Ik zal het uitje naar de Tweede Kamer ook nooit meer vergeten, ik moest in de EHBO-post verzorgd worden. Op de grond. Daar lag ik dan, op een plakkerige vloer. Ik werd op mijn zij gedraaid en kwam pardoes met mijn neus in een stofnest terecht. P en Net vielen letterlijk om van het lachen en ik kan ze geen ongelijk geven, want deze situatie was zo bizar dat zelfs ik het uitschaterde.
Yvon en San zijn ook een komisch duo, ze hebben het zelfs voor elkaar gekregen dat ik tegen het plafond aan plaste van het lachen.
Dus als ik in de put zit ga ik altijd naar de wc, want ik weet dat ik daar altijd opgebeurt zal worden.
Ze hebben ook altijd in mijn schrijfkunsten geloofd. Nog voordat ik er zelf in geloofde. De assistentes zijn zo vreselijk lief, ze doen zoveel voor zo weinig geld. En altijd met een lach. Daar heb ik echt respect voor, ze verdienen geen column, maar een lintje.
De assistentes van Heliomare zijn niet zomaas assistentes. Nee, ze zijn echte heldinnen. Heldinnen die ik allemaal vreselijk ga missen als ik aan het einde van dit jaar wegga.

Week 13: Feestje!!!!!

Zaterdagavond, uitgaansavond. Meestal zit ik dan gewoon thuis met een goed boek omdat ik geen energie meer heb om iets te ondernemen. Maar twee keer in het jaar wordt er een disco georganiseerd, speciaal voor lichamelijk gehandicapten. In november was er weer zo'n disco, maar ik kon niet komen omdat ik nog te gammel was door de operatie aan mijn rug. Ik werd overspoeld door SMS'jes van mensen die zich verbaasd afvroegen waar ik bleef. Misschien is het moeilijk voor te stellen, maar als iemand graag de dansvloer onveilig maakt, ben ik het wel. Ik vervloekte mijn lichaam dan ook, maar vorige week kreeg ik weer een kans. En ondanks mijn hevig protesterende rug, ben ik toch gegaan. Ik wilde net zolang dansen totdat ik alle examenstress was vergeten. Nou, dat is me gelukt! Toen ik en mijn vriendin Michelle aankwamen, was de disco al drie kwartier open en een dooie boel. Jawel, muurbloempjes heb je ook in rolstoelen. Het is puur een kwestie van zelfvertrouwen. Stel je voor: je zit in een rolstoel en je weegt minstens 200 kilo (de rolstoel dus, IK niet) en je weet dat als je op de dansvloer het risico loopt meerdere tenen te vermorzelen. Ik heb geleerd daar schijt aan te hebben. Op school sta ik bekend als iemand met engelengeduld, iemand die met iedereen rekening houdt, maar dat hou ik ook niet eeuwig vol dus op zo'n discoavond gooi ik letterlijk en figuurlijk alle remmen los. Daar is die disco voor, iedereen weet dat, dus ze springen op tijd aan de kant. Mijn vriendin en ik hebben lallend van plezier staan dansen. Heerlijk was dat, iedereen dacht waarschijnlijk dat we dronken waren maar dat maakte ons niet uit. De muurbloemen kwamen in actie en dat was de bedoeling. Beter goed gek dan gewoon ongelukkig. Hier mag je schaamteloos jezelf zijn. Tussen deze mensen ben ik niet langer gehandicapt, maar gewoon -als ieder ander.

Week 12: Geld

Zakgeld. Dat krijg je als van je ouders en daar hoef je in principe niets voor te doen. Je wordt ouder en gaat opzoek naar een baantje om van het gezeik van je ouwe lui af te zijn.
Bij mij is het altijd bij zakgeld gebleven. Tja, wat kon ik doen? Het gras maaien? Vakken vullen? Nee, ik besloot te wachten tot ik een opleiding had gedaan en daarna een baan te zoeken. Maar toen verscheen Ada ten tonelen, lerares verzorging. Ze vertelde mijn ouders dat ik de sector verzorging moest kiezen zodat ik kon voelen wat mensen later allemaal voor me moesten doen. Ik kromp ineen bij het horen van die opmerking.
Later vertelde ik haar over mijn plannen om met schrijven de kost te gaan verdienen.
Ze keek me glimlachend aan en zei dat ik later misschien vrijwilligerswerk kon doen, maar zelf geld verdienen? Nee.
Ik wilde daar tegenin gaan, haar zeggen dat ik wel wist dat ik geen fulltimebaan aankon, maar dat ik wel IETS kon verdienen, al was het maar een paar eurocent per maand. Alleen van het geld van anderen leven zou ik niet kunnen verdragen. Maar de manier waarop ze me aankeek, zachtjes met haar hoofd schuddend, zorgde ervoor dat mijn keel dichtkneep. Tranen prikten achter mijn ogen. Ik voelde me nutteloos, een blok aan het been van de maatschappij.
Dit gesprek vond meer dan een jaar geleden plaats, maar ik hoorde het weer toen ik op het punt stond om wat geld voor mijn columns te vragen en zorgde ervoor dat ik het niet kon. Toen ik het uiteindelijk toch deed en er een ‘ja’ volgde, voelde het alsof er een zware last van mijn schouders viel.
En nu kan ik zeggen: Ada, je zat fout!

Week 11: Jokken

Liegen en jokken. Men zegt dat die twee dingen op hetzelfde neerkomen, maar daar ben ik het niet mee eens. Liegen, slecht. Jokken, (soms) goed. Waar baseer ik mijn theorie op? Op een man die ik heb ontmoet. Willem, een echte chefkok die maar een hand kan gebruiken. Jaren geleden organiseerde mijn vader een wedstrijd voor wie het beste met een hand kon koken, Willem deed ook mee. Daar kende mijn vader hem van en zo kwam het dat we tien jaar later bij hem in zijn goedlopende restaurant.
Misschien leuk om te melden, is dat Willem de enige in die wedstrijd was die ECHT gehandicapt was, zijn tegenstanders deden alsof (dat deden ze zo goed, dat Willem niet won!).
Na een ongeluk op zijn motor raakte Willem alle functie in zijn rechterarm kwijt. Een lange revalidatieweg was het gevolg. Voor het ongeluk was Willem vastbesloten om chefkok te worden en daarna was hij dat nog steeds. Maar ja, welk opleidingsinstituut neemt nou een kok met een arm aan? Geen een.
Dus bleef er voor Willem maar een ding over, zijn droom opgeven. Of de waarheid ietsje oprekken. Jokken dus,
Het zou best wel weer goed komen met die ene arm, maakte hij ze daar wijs. En ze trapten erin! Nou ja, hij moest zich wel zien te bewijzen. Maar daar draaide Willem zijn ene hand niet voor om. Gevolg: een goedlopend restaurant.
Ik ben tegen liegen, het brengt alleen maar ellende, maar soms moet je jokken om jezelf te kunnen bewijzen.
Dus wilt u in het weekend een lekker hapje eten? Ga dan naar het eerste Ijburg-eiland vanaf de snelweg, Cafe Vrijburcht. Het eten is heerlijk. En dat is Niet gejokt!

Week 10: Treintje

Als klein meisje wilde ik maar een ding: een keertje met de trein. Mijn ouders gunde me alles (vuurtoren als vakantiehuis een oude ambulance als bus, een boomhut), maar een ritje met de trein? Nee, DAT vonden ze dan weer wel teveel gedoe.
Zo verstreken de jaren en vorige week ging mijn kinderdroom in vervulling. Er stond een excursie naar de Tweede Kamer op het programma. Maatschappijleer is mijn beste vak, dus ik sloeg twee vliegen in klap.
Ik reed via een oprijplank de trein in en eenmaal binnen voelde ik me net een blije kleuter, nieuwsgierig rondkijkend en verwonderd over alles wat ik zag en hoorde. De deuren die sissend open en dichtgingen joegen me de stuipen op heb lijf en ik vond de vreemde, lichtgevende knopjes superinteressant.
Ik heb veel boeken gelezen, maar dat een trein ook achteruit kon rijden, wist ik nog niet. Ik dacht dat dat aan mijn ogen lag. Ach, stoeprandjes en kuilen zie ik ook niet, ik zie namelijk geen diepte, dus kon dit er ook nog wel bij. Verder vond ik het geen prettig idee dat ik niet vast stond, door het wiebelende gedoe was ik doodsbang dat ik om zou vallen. Totdat mijn ergotherapeut me rustig uitlegde dat als de trein al zou moeten remmen, zij een grotere kans had om te vallen dan ik. Voor mijn gevoel kwam ik achterstevoren Den Haag binnen. Snel door een overvolle stationshal naar de Tweede Kamer racend, waar ik een politicus de les ging lezen over ‘het gehandicapt zijn.’
Zo zie je maar weer, ik ben oud genoeg om een politicus te laten zweten met een paar goeddoordachte vragen, maar in een trein gedraag ik me als een zesjarige.
Nu op naar het volgende avontuur, een keertje met het vliegtuig misschien?

Week 8: Waterrat

Op school zwem ik een keer in de week een halfuur. Maar voor dat ene halfuurtje zijn we dik anderhalf uur bezig. Nou ja, ik niet, mijn omkleedhulpen. Dat was ook waar ik in het begin de meeste moeite mee had, het omgekleed worden door wildvreemden. Stel je voor, je bent een meisje van vijftien en ligt hulpeloos op een brancard terwijl een man je omkleed. Een jongenman met de schoonheid waar menig dameshart sneller van gaat slaan
Klinkt misschien fantastisch, maar dat is het niet. Zeker niet als je zelf hartstikke onzeker bent over je uiterlijk. Maar het was niet anders, als ik het water in wilde, moest ik me aan hem over geven. Dat klinkt moeilijk, maar het went snel. En geloof me, als ik op knappen sta maakt het me niet uit wie me op de plee zet, als ik er maar op kom.
Ik hou van water, ik ben geen goeie zwemmer, maar in het water kan ik dingen die ik op het drogen niet kan. Staan, bijvoorbeeld, en lopen (soort van). En los zitten, zonder leuning of wat dan ook. Dat kan ik allemaal met behulp van water dat me als het ware draagt.
Die momenten zijn voor mij haast magisch, de dingen die ik kan, de vrijheid die ik dan heb.
Dus oke, het duurt even voordat ik in het water lig en het is misschien ook maar voor een halfuurtje. Maar dat heb ik daar graag voor over.

Week 7: Creatief denken

Vervolgopleidingen. Er zijn er zoveel dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Maar in mijn geval zijn alle bomen omgekapt. Waarom? Gewoon, omdat ik therapieën nodig heb en naar het toilet moet kunnen. Dus dan blijft er maar een optie over: het REA College. Maar bieden ze me daar een opleiding die echt bij me past? Nee.
Ik wist niet precies hoe het voelde om een beslissing re moeten nemen met je verstand in plaats van met je hart. Nu weet ik dat wel: Zwaar klote.
Ik had het er met een aantal vrienden van school over en zij kampten allemaal met datzelfde probleem. Bij een van hen zag ik tranen in haar ogen toen ze me dat vertelde.
Een paar mensen denken omdat ik de secretariële kant op ga, ik het schrijven opgeef, dat het ‘gewoon een leuke hobby’ wordt. Maar dat is niet zo, ik krijg zoveel steun en heb de afgelopen weken zoveel leuke reacties gekregen op de stukjes die ik schrijf, dat ik nu zeker weet dat ik het kan. Dan maar geen journalistieke opleiding, ik kom er wel.
Dus dat heb ik ook tegen mijn vrienden gezegd: We komen er wel, misschien niet via de weg die we gedacht hadden, maar we komen er wel.
Het is gewoon een kwestie van creatief denken.

Week 6: Zielig????

Gehandicapte man rijdt overstuur weg uit cabaretvoorstelling nadat er grappen over hem zijn gemaakt.’ Het publiek ging staan en verliet de zaal. Maar het kan ook anders.
Ik ben een gigantisch Frank Groothof-fan. (Zijn opera’s dan, niet Sesamstraat!). Op een keer zag hij me in de Vest achter een pilaar staan en hij heeft het hele publiek laten opstaan om mij een betere plaats te geven.
‘Meneer Groothof, ik kan daar niet langs, ik ben veel te breed!’
‘Welnee, ik loop naast je, er kan je niets gebeuren.’
‘Maar ik weeg 220 kilo, als ik val, verpletter ik u en een deel van het publiek!’
‘Deze dame moet even naar een V.I.P.-plaats. Opstaan dames en heren. Hup, hup, des te sneller kunnen we beginnen!’
Zo gaf Frank zijn mening over de originele rolstoelplaatsen in ‘de Vest’.De artiest zei iets en het publiek ging voor mij staan. Dat gebeurde deze week weer, maar voor een andere rolstoeler. Bij een andere artiest. Omdat een Gehandicapte verdrietig en gekwetst was. Mooi gebaar, maar ik ben er niet blij mee. We kunnen best tegen een stootje!
Ik dacht dat mensen zoals ik, het stempel ‘zielig’ eindelijk een beetje kwijt waren, maar doordat zo’n gebeurtenis zo opgeblazen wordt, zijn we weer terug bij af. En daar kan ik ZO pissig om worden. Want we zijn NIET zielig!
Ik wou dat ik dat aan de hele wereld kon zeggen, dat ik dat ik het van de daken kon schreeuwen.
Dus, mensen, nog een keer: WIJ ZIJN NIET ZIELIG!

Week 5: Busje komt zo

Ik zie mensen denken als ik met het schoolbusje van of naar school rij: daar heb je weer een stelletje gekken. En ze hebben gelijk, we zijn gek. Knetter! De truc is: Hoe ga je daarmee om?
Verschillende mensen, verschillende handicaps. Chaos, zou je denken. Klopt ook wel, in het begin, soms begrijp je elkaar niet, maar dat komt met de jaren. In het begin werd ik gek in de bus, maar nu niet meer. Je gaat elkaar langzaam aan respecteren. En dan wordt je een grote, gekke familie.
Buschauffeurs. Je hebt ze in allerlei verschillende soorten en maten. Chagrijnige, vrolijke, seksistische. Geloof me, ik ken ze allemaal. En om ons te rijden, moet ie uit het juiste hout gesneden zijn, anders draai je door.
Onze buschauffeur Bart, is een bijzondere man. Ik was net geopereerd en hij stond met een cadeautje op de stoep, om te vragen hoe het met me ging. Maar nu is hij ziek en hebben we steeds een andere. Eentje die de weg naar onze school niet kent.
Als wij op school zijn afgezet, kunnen we geen kant op. Ook als we de hele dag vrij hebben zitten we op school vast. Ooit van een openbare bus gehoord die rolstoeltoegankelijk is? Nou dan.
Van de week werden we driekwartier te laat opgehaald. Daar zaten we dan, met zijn vijven onder een afdak in een miezerbuitje. Het was koud en we hadden honger, dus we zaten dicht bij elkaar en deelden een pak Twix
We zijn niet alleen busgenoten, maar ook goede vrienden en we delen alles met elkaar.
In goede en slechte tijden.

Week 4: Lentekriebels

Op het gebied van verliefdheid heb ik door mijn spasme heel wat bizarre dingen meegemaakt. Wie heeft zijn vriendje uit pure liefde een kaakslag verkocht of over zijn kleding gespuugd. Nou, ik wel. Vind je het gek dat ik op het laatst weinig zelfvertrouwen overhoud als het om vriendjes gaat?
Totdat ik iemand ontmoette die evenveel zelfvertrouwen had als ik. Ook spastisch dus.
Elkaars hand vasthouden is leuk, maar na een halfjaar… Jah..
Hij kwam bij mij thuis. Ik liet hem mijn beroemde boomhut zien (jazeker, rolstoelproof) en vertelde hem dat hier altijd wel iets bijzonders gebeurde. Nou, dat heb ik geweten!
Ik was hem dolgraag om de hals gesprongen, maar dankzij mijn werkblad, al mijn riemen en klemmen was dat onmogelijk. Maar het woord ‘onmogelijk’ staat niet in ons woordenboek. Omdat mijn vader in de tuin aan het werk was, leek het ons verstandig om te stoppen voordat het verder uit de hand liep.
Toen kwamen we erachter dat klemmen losmaken makkelijker was dan vast. Zeker met twee paar spastische handen die door de spanning niet meer wilden doen wat wij wilden dat ze deden.
Ik had liever twee uur vastgezeten in het Nollenbos dan mijn vader erbij te roepen. Dat zei ik ook tegen hem: Ik ga echt m’n vader niet roepen!
Het lag op het puntje van mijn tong om te zeggen: Zullen we de technische dienst gemeente Bergen bellen? Maar dat was al niet meer nodig. De spanning was uit de lucht en de ledenmaten luisterden weer.
Mijn vriendin zou zeggen: Spastisch, fantastisch!

Week 3: Uitje

Klassenuitjes. Een simpele onderneming voor de doorsnee klas maar niet voor de mijne. Ten eerste: hoe krijg je vier rolstoelers in een bus die maar voor drie gemaakt is? Simpel, proppen.
‘Naar rechts Robin. Nee, andere rechts. Goed zo, nu langzaam naar achter. Auw! Dat was mijn vinger.’
‘Sorry Masja!’
‘Youssra, heb jij je klem voor je stoel wel bij je?’
‘Nee, ligt nog thuis.’
‘WAT?!!!!! Hoe moet ik je dan vastzetten?’ Masja is pas begonnen als lerares en mentrix. We zijn nog niet eens weg en het zweet staat nu al op haar voorhoofd. Een halfuur later zijn we weg.
We gaan winkelen Het begint te hozen. Paniek! Paniek! De elektronica van onze rolstoelen dreigt op tilt te slaan.Voor je het weet heb je twee gestrande rolstoelers in de regen. Masja roept: Ireen, Robin, ga de eerste beste winkel binnen. Vlug!
Ik beland in een boekwinkel. Een krappe boekwinkel. Na het halve interieur te hebben gesloopt en een boze blik van de kassajuffrouw te hebben ontvangen, gaan we pizza eten.
Na de Primanovera begin het gestress opnieuw. ‘We komen te laat voor de film. Rijden Robin, gassen Ireen!’
De klassenuitjes gaan altijd zo chaotisch bij ons. Ik krijg er iedere keer weer een enorm Helphelp-gevoel bij. maar supergezellig, dat wel.
Alleen…. Eh, onze vorige drie mentoren hebben na dit soort uitjes overspannen hun ontslag ingediend.
Nou maar hopen dat onze lieve Masja niet op dat zelfde idee komt….

Week 2: De Kleinste Club

Weten jullie dat we een Gehandicaptenraad Bergen hebben? Ik niet.
Totdat Jaap Meerenboer me belt. Hij vertelt me dat hij mijn stukjes gelezen heeft en sluit af met de mysterieuze mededeling dat we onze krachten misschien kunnen bundelen.
Nieuwsgierig wacht ik hem en zijn collega Jan Kapitein op in restaurant ‘De Viersprong.’
Jaap vertelt me over speciale dagen die hij met de bond voor gehandicapten in Bergen organiseert. Hij kijkt me aan, hopend dat ik zal zeggen: ‘ Oh ja, daar heb ik van gehoord!’ Ik schud mijn hoofd. Hij zegt zuchtend: ‘Daar was ik al bang voor, we steken zoveel werk in de Raad, maar we zijn te onbekend, we hebben nu drie leden.’ Mijn mond viel bijna open. Vrijwel alle verenigingen in Schoorl en omstreken hebben weinig leden. Maar dit was de kleinste Raad waar ik ooit van gehoord heb. Onze leerlingenraad is nog groter!
De Gehandicaptenraad is op zoek naar een voorzitter en naar andere mensen die ze een handje willen helpen. Ze zoeken mensen die voor gehandicapten willen spreken. Ik ben even sprakeloos. Ik kan veel dingen niet maar mijn mond open trekken lukt prima. Hoewel ik een hekel heb aan het woord ‘gehandicapten’ , kan Bergen best zo’n Raad gebruiken. Dus, bent u iemand die niet zo snel uit het veld te slaan is? Of bent u nieuwsgierig naar wat de Gehandicaptenraad verder allemaal wil en doet? Ga dan naar de website: www.gehandicaptenraadbergen.nl

Weten jullie dat we een Gehandicaptenraad Bergen hebben? Ik niet.
Totdat Jaap Meerenboer me belt. Hij vertelt me dat hij mijn stukjes gelezen heeft en sluit af met de mysterieuze mededeling dat we onze krachten misschien kunnen bundelen.
Nieuwsgierig wacht ik hem en zijn collega Jan Kapitein op in restaurant ‘De Viersprong.’
Jaap vertelt me over speciale dagen die hij met de bond voor gehandicapten in Bergen organiseert. Hij kijkt me aan, hopend dat ik zal zeggen: ‘ Oh ja, daar heb ik van gehoord!’ Ik schud mijn hoofd. Hij zegt zuchtend: ‘Daar was ik al bang voor, we steken zoveel werk in de Raad, maar we zijn te onbekend, we hebben nu drie leden.’ Mijn mond viel bijna open. Vrijwel alle verenigingen in Schoorl en omstreken hebben weinig leden. Maar dit was de kleinste Raad waar ik ooit van gehoord heb. Onze leerlingenraad is nog groter!
De Gehandicaptenraad is op zoek naar een voorzitter en naar andere mensen die ze een handje willen helpen. Ze zoeken mensen die voor gehandicapten willen spreken. Ik ben even sprakeloos. Ik kan veel dingen niet maar mijn mond open trekken lukt prima. Hoewel ik een hekel heb aan het woord ‘gehandicapten’ , kan Bergen best zo’n Raad gebruiken. Dus, bent u iemand die niet zo snel uit het veld te slaan is? Of bent u nieuwsgierig naar wat de Gehandicaptenraad verder allemaal wil en doet? Ga dan naar de website: www.gehandicaptenraadbergen.nl

Week 1: Maatje voor het leven

Mijn leven staat op zijn kop. Ik krijg een hulphond. Wat doet een hulphond voor een rolstoeler als ik? Mijn pen oppakken, de deur open doen en mijn jas aangeven. Hij kan zelfs mijn jas uittrekken. Ik kan het nog steeds niet geloven. Het is supermoeilijk om zo’n hond te krijgen. Je moet ‘gehandicapt’ genoeg zijn: niet te weinig maar ook weer niet te veel. Een vrouw van de stichting ‘Hulphond’ komt bij me langs. Ze stelt allerlei vragen. Om te beginnen: waarom dacht ik een hond nodig te hebben? O jee. Nu moet ik precies het goede antwoord geven. Een klam uurtje later vraagt de dame: wat voor soort hond wil je hebben? Een braverik of een brutaaltje? Ik zie mijn moeder glimlachen. Dan weet ik dat het de goede kant opgaat. Mijn vader geeft antwoord voor me: een brutaaltje kan ze wel aan. Het interview kabbelt door. Mijn moeder gaat boodschappen doen. Ik moet het nu gewoon weten. Maak ik een kans? Het antwoord dreunt nog even na: honderd procent! De rest van het bezoek heb ik gemist. Nadat ze vertrokken is, pink ik een traantje weg. Ik heb hier al sinds mijn achtste van gedroomd. Zo’n hond kan me niet alleen helpen maar kan ook hulp halen als er iets misgaat. Het is veel werk. Maar dat maakt me niets uit. Ik krijg een maatje voor het leven.

Week 55: Boodschapjes doen

Boodschappen doen voor mijn moeder, een hilarisch, moeilijk en leuk avontuur.
Mijn oriëntatievermogen is flut, ik kan twintig keer langs het juiste schap rijden en dan nog steeds niets door hebben. Ook kan ik, doordat ik zit, niet overal bij. Vaak staat iets net te hoog of net te laag. En als allerlaatst, ik krijg mijn boodschappen nooit op de rolband van de kassa. Als ik daar al weet te komen, meestal zijn de kassapaden zo smal dat ik er nauwelijks door kan.
De producten die ik nodig heb, komen niet naar me toe vliegen als ik ernaar blijf staren. Ik moet om hulp vragen, iets wat simpeler klinkt dan dat het is, sommige mensen zijn te gehaast om me te horen en anderen hebben er gewoon geen zin in. Maar er zijn er ook die alles gewoon op hun gemak bekijken. Die zijn vaak erg behulpzaam. Het is een kwestie van goed kijken en goed timen. Eenmaal bij de kassa is het minder moeilijk om hulp te krijgen. Mijn blad is dan vaak zo volgeladen met spullen dat men onder de indruk is van het feit dat ik nog kan rijden zonder iets te laten vallen, dat ze me dan meestal automatisch gaan helpen zonder dat ik mijn mond open hoef te doen.
Mam twijfelt altijd of ik het wel red om alles te vinden en mee te nemen, maar ik ben koppig en ga niet weg voordat ik alles heb. Desnoods trommel ik al het winkelpersoneel op!